woensdag 23 september 2026

Gedaan uit liefde

 Gedaan uit liefde.

Deze giganten



À MARAT in statige
Romeinse kapitalen op
het bijzettafeltje geverfd. DAVID.
L’An II. Het Classicisme gaat hier
hand in hand met de Romantiek.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde.
De revolutionair – of houden we
het op “de journalist” of “de pamflettist”? –
hangt in zijn bad alsof hij onverhoeds
door een orgasme is geveld, de pen
niet aan de krachteloze hand ontglipt,
het laatst geschreven document nog in
een dode klauw. L’Ami du Peuple,
vereeuwigd door De Schilder. Fascinerend.

Maar is er kans dat door de inzet van
deze giganten de geschiedenis
alsnog een draai zal maken…?

De tijd der Jakobijnen


Zal – nee – de tijd der Jakobijnen is
voorbij, een ander slag bepaalt
nu onbetwist het uitzicht
op de Place de la Concorde.

Bedrog in het belang van de zaak
is norm geworden, als straatvechters
beloeren de grote mannen elkaar –
en de grote vrouwen – vanachter
de façades van hun vriendelijkste gezicht.

Daar schiet een arm uit, daar een voet,
en als er eentje moord en brand schreeuwt als
een ander hem een keer te vlug af is,
dan leidt dat enkel tot hilariteit.

Gedaan uit liefde


Charlotte Corday - handen plakkerig
van bloed dat al begint te stollen, dat
naar roest ruikt in deze vochtige ruimte -
Charlotte Corday rent weg in paniek.

Bij de deur kijkt ze handenwringend om:
ze rukt aan haar verpleegsterschort die ook
al helemaal onder de vlekken zit.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde,
denkt ze met dichtgeknepen keel, en: is
wat is gedaan nog ongedaan te maken?

Protestbijeenkomst in het stadsplantsoen


Protestbijeenkomst in het stadsplantsoen.
Terwijl een vakbondsfunctionaris spreekt
wijzen de borden treurig naar beneden
en alle spandoeken hier zijn verbleekt.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde.
Onder de stoffige sandalen wordt
het laatste beetje groen vertrapt. Verslapt
daardoor de waardigheid van ons protest?

Nee! Elke spriet die we met voeten treden
zal later, als ons recht gedaan is, nieuw
elan krijgen en opstaan als na regen.


Picknicken in het Hengstdal

Over sterfelijkheid

De camera staat midden in het gras
op een statief. We laten een voor een
het eten in de steek en wandelen

er quasi-onverschillig even heen
en kijken door de zoeker. Licht en lucht
sluipen haarscherp door een doolhof van lenzen,

een wirwar van landschap is er te zien,
met overal plukjes kinderen, die
bij de frambozen aan het werk zijn of

met grote stokken zwaaien en kaarsrecht,
met opgeheven kin, paadjes aflopen.

En in de verte achter de bomen, wijst
een kleine, slanke kerktoren streng
naar een imaginair punt in het zwerk.

Strawinsky (in Finland)


De geur van zeep is bijna tastbaar en
van vers hout in de dageraad

en op gymschoenen lopen de kinderen over
een dik tapijt van dennennaalden.

‘s Avonds, de schemer sluit de dingen in,
de vossen stappen op de planken, zachtjes,
zachtjes, en krabbelen aan de deur.

O zoete lente! O zoete lente!

Aan de conferentietafel


Maar jij, je wrijft je in je handen,
Lenny V., als je praat, je bent
een hogepriester met de hogepriesters,
tussen boterhametende acolieten en
de varkenscyclus heeft voor jou geen geheimen.

Je bent een boer, je keurt de aarde van
je woorden zodat je kunt raden of
wat je zegt wel rijkelijk vrucht zal dragen.

Gedaan uit liefde? Ja, natuurlijk. Ja, je bent
Edith Cresson niet! “Als de vijand ons
bestrijdt,” zei Mao, “is dat goed, niet slecht;

wanneer hij ons doortastend tegemoet
treedt, ons beschimpt, ons tot de grond
toe afbreekt, dan is dat nog beter:
want het betekent niet alleen

dat we er in geslaagd zijn ons terrein
tegen hem af te bakenen, het leert
ons bovendien dat onze arbeid is
bekroond met schitterend succes.”

Pride


De dagen staan in het teken
van de mislukking en de nachten zijn wit
van bittere afgunst. Je jong zijn bleek
after all tijdelijk van aard, de daden

die de goegemeente verstomd doen staan
zijn uitgebleven. Ook de dood zal op
de lange duur – daarvoor kun je je hand
wel in het vuur steken – niet zijn te ontlopen.

Vrolijkheid, er zit niet veel anders op,
onnozel enthousiasme, een tutu
waar je u tegen zegt, maillots waarin
een lam geslacht te grabbel hangt, de straat
een week lang jouw domein voor je je weer
in het gareel schaart van de duitendieven.

Vrolijkheid, vrolijkheid, het kan niet op.
Maar niet heus. De onsterfelijkheid was
je speelveld, elke gooi een gooi naar roem,
elke mislukking een mislukking. Is
wat is gedaan, vraag je bij elke daad,

achter je gekerfde wang, je dunne mond,
onder je onbarmhartig gekortwiekte haar,
je grimmig af, gedaan uit liefde? Is
wat is gedaan nog ongedaan te maken?

L’ami du peuple


“Gedaan uit liefde”, denk je en je drukt
voor de zoveelste keer een sigaret uit op
het schoteltje van de geranium
terwijl je, met een kromme rug op je
keukenstoel zittend, door het raam staart waar
de straat nog net zo pijnlijk wit en leeg
in het zonlicht ligt als steeds.

L’ami du Peuple ?
Ja, jazeker, reken maar. En Le Libérateur!
El Salvadór! De man met het pistool
vervaarlijk op de slaap gericht:
zo zagen ze hem het liefst, en als hij zei:
“uw dienaar of de dood!”, wat denk je dat
ze riepen, het schoelje!

Gedaan uit liefde. Wat er is gedaan
is niet meer ongedaan te maken. Maar
wie zegt dat hij niet lang voordat de dag
ten einde is op zijn knieën ligt om met
de tranen in de ogen, reuzendoder,
vergiffenis te vragen aan de koning!

Niet ongedaan


Charlotte Corday - handen plakkerig
van bloed dat al begint te stollen, dat
naar roest ruikt in deze vochtige ruimte -
Charlotte Corday wandelt rustig weg.

De trap af, door de gang. Ze legt het mes
op de stoel naast de deur, ze strijkt haar schort
recht, en ze wacht op wat er komt.

Gedaan uit liefde wat er is gedaan
en wat gedaan niet ongedaan te maken.
En na de avond komt de nacht en na
de nacht de kille ochtend. En wanneer

ze onder de guillotine wordt gebracht,
geeft ze geen krimp. Haar mooie hoofd zal met
stijf op elkaar geknepen lippen en
met droge ogen vallen in de mand.


Bespiegelingen bij Davids ‘Dood van Marat’ in het Brusselse Musée des Beaux Arts. Charlotte Corday: de vrouw die Marat doodde. Edith Cresson werd in 2006 schuldig bevonden aan ‘favoritisme’ tijdens haar ambtsperiode als lid van de Europese Commissie; El Salvadór: zo werd Johan Cruyff naar het schijnt genoemd in Barcelona

dinsdag 22 september 2026

Kleine Weense wals

 

Leonard Cohen, Take This Waltz,

Naar het gedicht van Lorca
Vertaald door Jos Houtsma

In Wenen zijn tien knappe vrouwen,
en een schouder als stut voor de dood,
en een zaal met acht honderd ramen,
en de duiven verdroogd in een boom.
Er is een stuk afgerukt van de morgen
en dat hangt in de hal van de kou.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
deze wals met de mond dicht voor jou.
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee. 
Ik wil je, ik wil je, ik wil je,
op een stoel met een tijdschrift van dood,
in de holte, het hart van de lelie,
in een hal waar nooit liefde ontsproot,
op een bed waar de maan lag te zweten,
in geschreeuw, met voetstappen en zand.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
neem zijn brekende taille in je hand.
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee.
Er is een concertzaal in Wenen
waar je naam duizend keer werd genoemd
en een bar waar de jongens niet praten,
veroordeeld ter dood door de blues.
Ach, wie klimt er omhoog naar je foto
met tranen die net zijn gekust.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
deze wals, die al jarenlang rust.
Er is een zolder waar kinderen spelen,
waar ook ik binnenkort lig met jou,
in een droom van Hongaarse lantaarns
en de middag die zoet is en blauw.
En ik zie hoe het met je verdriet zit:
met je schapen, je lelies van sneeuw.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
met zijn ‘ik laat je nooit meer alleen.’
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee.

En ik zal met je dansen in Wenen
en ik zal als rivier zijn vermomd,
met een hyacint op mijn schouder
en de smaak van je spleetje op mijn tong.
En mijn ziel leg ik neer in een plakboek
met foto’s, met bloemen, met pluis,
en ik schenk aan je zondvloed van schoonheid
mijn goedkope viool en mijn kruis,
en je neemt me mee naar je dansvloer,
waar ik dans op je heilige mis.
O mijn lief, o mijn lief,
deze wals, deze wals
is van jou, en dat is wat er is.

maandag 21 september 2026

Break on through

Break on through

Jos Houtsma


Bambi Kino


De Beatles in Hamburg 1960

De Bambi Kino op de Reeperbahn,
waar ze geen seksfilms draaien maar alleen
maar gangsterfilm en westerns uit de fifties:

Ernest Borgnine en Montgomery Clift
zijn hier de mannen, en de bandleden
op hun britsen in een achterkamertje,
met veel teveel prellies achter hun kiezen,
en steeds die flarden van hun optreden
voor ogen, komen nauwelijks in slaap.

En later slenteren ze in het ochtendlicht
langs kroegen die nu dicht zijn en bordelen
waar hoertjes, slaperig en bleek en zonder
de minste aandacht voor sjofele Britse jongens,

hun luchtje staan te scheppen. ’s Avonds
om tien uur moeten ze weer op en dan
vier uur lang hun onbesuisde nummers schreeuwen.

Prellies: tabletten preludine, een amfetamine


De kauwtjes knoeien takjes op het pad


Savile Row, 1970

Vroeger wachtten ze bij het huis van Paul,
en als hij thuiskwam zwaaiden ze, hij kreeg
cadeautjes van ze, en zij soms van hem.

Koud licht en winderig, de hele dag.
De kauwtjes knoeien takjes op het pad.


En als hij er niet was, Paul, gingen ze
er soms stiekem naar binnen om er aan
dingen te voelen, aan dingen te ruiken.

Koud licht en winderig, de hele dag.
De kauwtjes knoeien takjes op het pad,
takjes van essen aan de overkant.


Nu staan ze op de stoep van Savile Row,
met buttons, met een tijdschrift, briefpapier
met als adres ‘Steps’, at 3 Savile Row.

Koud licht en winderig, de hele dag.
De kauwtjes knoeien takjes op het pad,
takjes van essen aan de overkant.


En soms roepen ze door de brievenbus.
‘Maffia’ roepen ze. ‘Maffia. Corrupt!’

Koud licht en winderig, de hele dag.
De kauwtjes knoeien takjes op het pad,
takjes van essen aan de overkant.
Ze knoeien takjes, het nest komt niet af.


Abbey Road 


Er hangt een dierlijk geurtje om haar heen
als ze de studio inkomt, zelf lijkt
ze er niets van te merken, maar de neuzen
van technici en van artiesten krullen:

Yoko is uit op hoger honing, hangt
als lood aan Lennons arm en lacht verstrooid
tegen de nonchalante groeten waar-
mee de aanwezigen haar groeten.

Here comes the sun. Ze scheelt ontzettend door
de sluier van haar haar - zijn dat de eerste
grijze haren die daar verschijnen, of

is dat het licht? Heel erg Françoise Hardy,
maar toch ook anders, piekert Ringo, die
zelf meer van lagerbier houdt. Lennon lacht

zijn cynisch lachje, George kijkt alles aan.
Hij is vandaag niet uit het veld te slaan.


Maxwell’s Silver Hammer


Ting ting

Wanneer het ledikant de studio
binnenrijdt, klappen ze allemaal, en Yoko (die
twaalf hechtingen heeft, of misschien wel meer)
wordt er met veel egards geïnstalleerd.

Zij, onbewogen, test de microfoon,
en wacht tot ze beginnen. Bij take vijf
- ze staan met de moed der wanhoop te zingen -
klapt ze boos in haar handen en ze eist

op hoge toon meer tempowisselingen.

Eind juni 1969: “While holidaying in Scotland with Yoko Ono, her daughter Kyoko and his son Julian, John Lennon crashed his white British Leyland Austin Maxi car in Golspie in the Highlands. John was given 17 facial stitches, Ono 14 in her forehead, and Kyoko four.”


Get back 2020


December 2020 Peter Jackson werkt aan een documentaire o ver de totstandkoming van het Beatles album Let it Be

Ringo en Paul glimlachen of ze in
een spotje figureren voor marmite,
vol vitamine-e maar lekker vies.

Wat George betreft, die glimlacht ook, maar is
zoals altijd wat teruggetrokken. John
die spéélt dat hij op zijn gemak is, maar
hij houdt intussen de Japanse slang
die zwijgend in de hoek zit in het oog.

Dankjewel, dank je, Peter Jackson, dit
is beeldmateriaal waar een verhaal
inzit waarmee je Tolkien naar de kroon
kunt steken: meer dan 56 uur
beelden van de Nieuw-Zeelandse natuur,
bevolkt door stervende kabouters, die
‘Get back’ playbacken in close harmony!

2. Madonna


Gebed tot Onze-Lieve-Vrouw


Voor Madonna Louise Veronica Ciccone

Iedere keihard geblondeerde krul
verwijst naar U, en U begrijpt dat en
aanvaardt het als geschenk. Aanvaard dan ook

de zwaar geschminkte lippen en de hoop
dat alles aan het eind toch goed zal komen
die zij voortdurend uiten: Cupido

heeft haar zijn boog geschonken, niet
als werktuig van de vleselijke liefde,
maar slechts om pijlen op Uw hart te schieten.

Prayer for Madonna


Her every curl is mercilessly bleached,
Indicative of You; You understand,
And You accept it as a gift. So do

Accept also the painted lips, accept
Also the hope they tell that in the end
All will be well: Cupid has granted her

His bow, not as a tool of carnal Art,
But only to shoot arrows at Your heart.

Te vaak


Middag met Madonna


Niet de mythologie is van belang,
alleen de mythe. Op haar wang heeft zich
een piepklein onweersvliegje neergezet
dat de aandacht vestigt op de dunne film

van zweet die zich als dauw gevormd heeft op
haar huid. Ze praat keihard en dringend in
op haar gevolg, precies zoals ze dat
van haar gewend zijn en als er iets niet

naar wens verloopt, spuiten haar ogen vuur.
Maar door het zweet dat zich, terwijl de donder
in de verte zijn opmars voorbereidt,
op haar donzige huid manifesteert,

dat onweersvliegje, is iedereen die zich
die dag in haar aanwezigheid bevindt,
zich plotseling onmatig scherp bewust
van wat de dood moet zijn. Ze denken aan

schmink, lege colaflesjes, urenlang
lusteloos hangen in een stoel, gepraat
over niets, en gelach, en veel te vaak,
veel te vaak hebben ze elkaar gekust.

3. Love in vain


Love in vain


Robert Johnson, 1937


Ik liep achter haar aan naar de trein toe
met een koffer in mijn hand.
Ja, ik liep achter haar aan naar de trein toe
met een koffer in mijn hand.
Ow, hard gelag, zo’n hard gelag
als al je liefde is verknald!

Toen de trein kwam binnen rijden,
ik keek het meisje aan.
Ja, toen de trein kwam binnen rijden
en ik keek het meisje aan.
Ow, ik was zo naar, zo eenzaam,
en alle liefde was gedaan.

Toen trein begon te rijden,
werden er twee lichten klein.
Ja, toen de trein weer begon te rijden,
werden er twee achterlichten klein.
Ja, en het blauwe was mijn liefje
en het rode was van mij.

Al mijn liefde is verknald,
al mijn liefde is verknald.

She’s like a rainbow


Ze komt in regenbogen klaar,
ze kamt haar haar,
in alle kleuren!
Ze komt in kleuren door elkaar,
hier en daar.
Ze komt in kleuren.

Ze komt in regenbogen klaar,
ze kamt haar haar,
in alle kleuren!
Ze komt in kleuren door elkaar,
hier en daar.
Ze komt in kleuren.

Zie je hoe ze loopt in blauw?
Heel de hemel voor die vrouw!
En haar gezicht is als een zeil,
vlekje wit, zo stoer en steil!
Zag je ooit een dame mooier!

Ze komt in regenbogen klaar,
ze kamt haar haar,
in alle kleuren!
Ze komt in kleuren door elkaar,
hier en daar.
Ze komt in kleuren.

Zie je hoe ze loopt in goud,
als een koningin zo stout,
haar kleuren over heel de straat,
als de zon die ondergaat.
Zag je ooit een dame mooier!

Ze komt in regenbogen klaar,
ze kamt haar haar,
in alle kleuren!
Ze komt in kleuren door elkaar,
hier en daar.
Ze komt in kleuren.

In alle kleuren!
Ze komt in kleuren door elkaar,
hier en daar.
Ze komt in kleuren.


4. Break on through


Lay that pistol down


Lay that pistol down, baby,
Gene Vincent is dood,

zijn onweerstaanbaar gebabbel
zijn be-bop-a-lu-la

alleen nog op platen, op film
te beluisteren, en

de ademloos gillende meisjes
op de eerste rij zijn
al zo lang, zo lang bevredigd.

Gene Vincent is dood, de band
is ontbonden, baby. Het pak

met de zwarte glitters
verzamelt al jaren stof

in een of andere kast. So baby,
be good, baby lay, baby
lay that pistol down.


Love at first sight


Jim Morrison

En jij, babyface, jij krullenjongen,
jij met een microfoon in elke hand,

was het tussen ons love at first sight,
zoals jij zong, of waren

wij eerder gezworen
tegenstanders, antipoden, jij die

stierf in een Parijse badkuip en ik
die de volheid van het leven wilde proeven?

Toch houd ik van je pathos, van
de brallerigheid van je reptilofiele verzen.

En van je kwetsbaarheid. Allicht
dat wij elkaar ten lange leste,

in een technicolor hemel, onder
jagende wolken, tussen bliksemflitsen,

toch even in de armen kunnen sluiten,
toch even op de monden kunnen kussen.


Break on through to the other side


There is no other side, Jim, as you may
have noticed now, er is,

hier op Père Lachaise, alleen muffe grond
en vergetelheid, waarboven de levenden

één keer per jaar een feestje bouwen,
en je hart
is inmiddels een stofnest geworden.

No breaking through, dus, no breaking through.
En zelfs dat er hiervóórmaals

geen onzichtbare muur is waarachter
alles koek, alles ei,

zonder onbevredigende seks, zonder geruzie
dat je de tranen uit de ogen perst, zelfs dát

weten wij, bewoners van de markt
zonder grenzen, de global economy, al lang.

Geen verwachting meer dus, zelfs geen hoop.
Idealen om je voor in te zetten:

vergeet het maar. Geen vuur, alleen maar rook.
Het enige geloof is ongeloof.


This Is the End

Hij dacht niet dat het hem zou overkomen,
in een badkuip in Parijs
tussen de grauwe muren
van een goedkoop hotel,

Jim Morrison, dronken van overmoed -
maar hij kon piepen wat hij wou
het overkwam hem toch, en geen berouw
nu, geen berouw, gedane zaken
nemen geen keer en er is geen tijd,

geen tijd voor second thoughts,
voor vloeken, voor gekreun, voor hete spijt,
voor een razende climax van gitaren.
Alleen het badwater dat langzaamaan
lauw aan het worden is, en koud.

Waar ben ik? Wat doe ik hier? Waarom? – Anna Karenina werpt zich voor de trein


Groeten


Afscheid van Jim Morrison

En doe de groeten aan de admiraal, Jim, en
aan de paus, en dat ze nog maar

vele jaren ongestoord van het
gezang der engelen mogen genieten.

Net zoals jij. En niet meezingen he,
in de hemel doen we niet aan falsetto,

en wat je in zang te zeggen had,
heb je al dubbel en dwars gezegd,

zelfs tot vervelens toe, en de engelen
houden niet van herhaling (als het niet

“halleluja” is, en “ere zij god in de hoge”),
en wat dat betreft verschillen zij

niet van de admiraal, Jim, en ook
de heilige vader, die weet wel, zelfs

zonder dat hij je oeuvre heeft aanhoord,
wat voor vlees in jouw badkuip is gesmoord.

Na een wandeling over het kerkhof van Père Lachaise (eigenlijk op zoek naar het graf van Guillaume Apollinaire). Jim Morrison was echt de zoon van een commandant van de Amerikaanse zeestrijdkrachten.

5. Fluxus


Een tien voor Yoko


Een tien voor Yoko Ono, die haar hoed
goed vast hield in de storm op Martha’s Vineyard
en dapper lachte in de camera’s
die op haar waren gericht als honden.
En de regen striemde neer op ons gezicht.

Goeie Yoko! Je liedjes zijn vergeven
en vergeten, en alles wat je wel
met Lennon hebt gedaan, of niet, dat ook.

En op de schoolfeestdagen dragen we
de oor- en halssieraden die we kregen
uit jouw collectie. Rudolph Steiner was
niet te kieskeurig voor je bruine jas,

waarom zou ik dan van mijn levensdagen
ooit schromen om jouw broekpakken te dragen.

Andrella 


De pruik is niet van zijn hoofd weg te slaan maar
boven zijn stropdas staat de ambtenarenmond
voor alles open: Andrella geniet

van alles wat maar leeft en beeft. Maar van
de nukken van een Yoko Ono heeft
hij niet terug. Die mix van Factory
en Rudolph Steiner luidt een nieuwe tijd

in waar in New York niet naar wordt gestreefd.

Beuys 


Ook Joseph Beuys moet er niet veel van hebben.
Als ik hem tref op het station van Brühl,
luistert hij hoofdschuddend naar wat ik zeg,

terwijl hij in één hand de schroeven weegt
waarmee hij dadelijk de wereld legt.
“Alles is kunst, allicht,” gromt de sjamaan
van Düsseldorf, “elk mens is kunstenaar.

Maar deze vrouw? Ik weet het niet, maak haar
dan maar president van Amerika.”

Licht 


“In Nederland,” zegt hij, “was ooit het licht
zoals het nergens anders voorkomt, maar
dat is door polderij verloren. Nu

is Nederland gewoon een evenknie
van onze regio.” Het licht is er,

zeg, Midden-Europees, het onbepaald
soort licht waarin je Duitse broden haalt.

Niet iets waar Yoko extra voor betaalt.


Van achter de schoorsteen


Geen groene pruik. De ochtend strijkt in vol
ornaat voorbij. Andrella, op het dak,

kijkt uit over een jungle van antennes
en schoorstenen die roken in de zon.

Yoko, op Martha's Vineyard, hield haar hoed
vast en lachte in de camera’s. Beneden

op straat lopen de jongens, hand in zak:
de nieuwe tijd is daar, die als altijd

de oude tijd is. Grijnzend rammelen
ze met een handvol muntjes voor de jukebox.

Ze gooien er twee in, voor Blue Suede Shoes
en Tutti Frutti, maar voordat die spelen,

zijn ze al weer verdwenen. Echt ze barsten
van energie en creativiteit.

Andy voelt het tot heel diep in zijn buik.
De ochtend strijkt voorbij. Geen groene pruik.



vrijdag 18 september 2026

Een passende kerker

Causeries Goethesques

Vertaald door Jos Houtsma

 Een passende kerker

“Beaumarchais, een bizarre figuur.
Beaumarchais ja, de man
van de Figaro. Heel bizar. Intrigant,
speculant, advocaat. Bezéten
van recht, of beter gezegd van processen.

Dit is de achttiende eeuw he.
U weet dat hij stierf
net voor de eeuwwende?
De verlichting ja. Alles,
dit huis, deze kamer, zelfs

het licht van die brave zon,
danken we aan dat tijdperk,
dat beste van alle tijdperken. Maar
om op Beaumarchais terug te komen,
een uiterst bizarre figuur.

Leest u toch zijn Mémoires. U weet
dat hij eens, na een verloren proces,
op zijn weg naar buiten,
al weer een geschil had?

Over een kwestie van voorrang.
Ja, op de trap meen ik, op de trap
van het Palais de Justice. De man
was onstuitbaar.

Hij keerde dadelijk om
voor een aanklacht.
Én won zijn proces.

Hij bezocht me
dikwijls, toen ik nog jong was.
In dromen. Maar toch. Te gevaarlijk.

Het leek me verstandig,
hem op te sluiten. In mijn Clavigo.
U slaat het maar na. Twee passages.
Een passende kerker. Haha.

1808

Hij heeft Napoleon ontmoet

‘”Wij Duitsers moeten ons niet in onszelf
terugtrekken, wij moeten ons, desnoods
ten koste van onze gevoelens, zelfs
van onze rechten, op de wereld richten. Op
sociale deugden.” Zegt de Grote Man.

Zegt hij gebiedend. En zijn vinger tikt
op tafel. De aanwezigen, verschrikt,
buigen het hoofd. “Tegen de overheid
ingaan is kinderachtig. Is vulgair.”

Hij pakt een koekje van de schaal en propt
het in zijn mond. Hij voelt zich solidair.

Over vrije ontplooiing

“Welnee”, zegt Goethe monter,
zegt Goethe in 1829, “wie wil er

uit een toestand van vrije ontplooiing,
van frisse lucht, verkwikkend zonlicht,
nu terug naar de knop! He? Terug
in zo’n somber, benauwend omhulsel!”

“Denk aan het voorbeeld,” vervolgt hij,
“van de plant” (van die en die plant),
“die na bloei & vrucht gewoon, vastberaden
verder groeit. Nou, nou, wat zegt u?”

Applaus. De dichter lacht eens en veegt
met de mouw van zijn zwarte kostuum
de kruimels van tafel. Staat op. Hij
staat zwaar op, en loopt naar het venster.

Arti et amicitiae

“In Rome”, zei Meyer, “wij kenden
in Rome een schoenmaker die
op een antiek beeld, op
de kop van een keizer, zijn schoenen
bewerkte. Dát was toch komisch!

Stel u voor, de klassieke wereld
stond voor de deur
van een schoenmaker in Trastevere.

En steeds als we langskwamen, hij
aan zijn loffelijk werk.”

Zo is het nu eenmaal

“De werkelijkheid, beste vrienden,
de werkelijkheid, díe
zijn we geneigd te vergeten. En toch,

daar draait het allemaal om
in de kunst: wie de werkelijkheid
vangt, heeft zijn zaak
al ten halve gewonnen.

Wat goed is, streeft krachtig,
vanuit het innerlijk,
naar de wereld.

Zo is het nu eenmaal.” Hij veegt
zijn mond af, de dichter. De laatste tijd
heeft zijn mondhoek de neiging te lekken.
“Dat is de regel,” hervat hij behaaglijk,
“dat is
de onontkoombare wet.”

Stille zee en voorspoedige vaart

Meeresstille und glückliche Fahrt

Windstilte
Diepe stilte op het water,
spiegelglad de oceaan
en de schipper, zwaar te moede,
ziet de weidse vlakte aan.

Doodse stilte heerst alom, geen
zuchtje dat de golven veegt.
In de eindeloze verte
is er niets dat zich beweegt.

Voorspoedige vaart

Dan scheuren de nevels,
De zon breekt de band
en Eolus roert zich
discreet in het want.

De wind wakkert aan en
de schipper veert op.
Nu naarstig, nu naarstig!
De boeg splijt de baren,
de verte komt nader,
reeds zie ik het land.

Wandelaars nachtlied

Wanderers Nachtlied

Rust in de hoogten,
stilte alom in
de lucht,
onder de bomen
drijft geen zucht
van een briesje voorbij,
de vogeltjes maken geen leven,
wacht maar, nog even,
dan rusten ook wij.

Wenn ich den Dieben gebellt

Naar de dieven heb ik geblaft,
voor de minnaars gezwegen:
beiden haalden mij aan,
zowel meneer als mevrouw.


Dichten ist ein lustig Metier

Dichten, een lustig metier,
maar niet zonder kosten: naarmate
mijn verzenverzameling groeit,
smelten de duiten me weg.

Welch ein Wahnsinn

“Ben je krankzinnig geworden,
sukkel, heb je niets beters
te doen: een boek voor zo’n meisje?”

Stil maar, de koningen en
de groten der aarde behandel
ik later wel, als ik hun handwerk
misschien wat beter doorgrond.

Ondertussen bezing ik Bettina -
want acrobaten en dichters
zijn nauwe verwanten, voelen
zich bij elkaar op hun plaats.

Alexander und Cäsar

Dante, Homerus en Vondel
en Shakespeare en J.W. von Goethe
zouden me graag de helft
van hun dichterskrans geven

als ik ze maar één nacht
mijn zachte bedje zou gunnen.
Maar de stakkers, de sukkels,
Orcus heeft ze in zijn greep.

Denk daaraan vrienden, geniet
van het warme liefdesnest, voor de
onbarmhartige Lethe
je vluchtende voeten bespoelt.

Zürnet nicht, ihr Frauen 

Dames, kijk niet zuur omdat
wij de meisjes bewonderen, denk maar
dat u ‘s nachts geniet wat zij
‘s avonds hebben gewekt.

Heilige Leute

Heiligen, zeggen ze, hebben
een zwak voor zondaars,
zondaressen - welaan:
precies zoals ik...

Gleich den Winken

Als een meisje dat in het
voorbijgaan je toelonkt, dat even
vriendelijk langs je arm
strijkt: zo gunt me mijn muze
kleine gedichten op reis.
En grotere gunsten? Hierna?

Arm und kleiderlos

Arm, zonder kleren was
mijn meisje toen ik haar gunst zocht.
In haar naaktheid beviel ze
me toen niet minder dan nu.

Sarkophagen und Urnen

De Ouden versierden urnen
en sarcofagen met leven:
faunen dansen er rond,
bacchanten zingen in koor,

vormen er bonte rijen,
de dikzak met bokkenpoten
perst een hese triomfkreet
uit zijn betoeterde hoorn.

Trommels klinken, cymbalen:
we zien en we horen het marmer;
vogeltjes, fladderend, doen
zich aan de vruchten tegoed,

herrie schrikt ze niet af en
herrie verschrikt helemaal niet
Amor, die in het gewoel
pas echt van zijn fakkel geniet.

Volheid verslaat hier de dood!
Zelfs de as in de urnen
lijkt, zo stil als hij is,
door zoveel leven bezield.

Grün ist der Boden

Groen is de vloer van mijn huis,
het zonlicht valt door de wanden.
De vogels zingen boven
het linnen plafond.

Manhaftig rijden we uit,
bestijgen Silezië’s heuvels
kijken reikhalzend vooruit
naar waar Bohemen ons wacht.

Maar geen vijand vertoont zich,
geen vijand, geen vijandin -
O help me, opdat ik, als Mars
niet mee wil werken, tenminste
voor Venus het strijdperk in kan.

Nog wat Franse klassieken

 Nog wat Franse klassieken

Vertaald door Jos Houtsma


Verlaine


Que ton vers soit la bonne aventure
Éparse au vent crispé du matin
Qui va fleurant la menthe et le thym…
Et tout le reste est littérature.



Je vers dat moet als de natuur
in de frisse bries van de ochtend zijn,
geurend naar verse munt en tijm -
of het is maar literatuur.

(Paul Verlaine, Art Poétique)    

 

Maneschijn


Paul Verlaine, Clair de lune


Je ziel is een betoverd landschap, waar
de gasten een bizarre maskerade
opvoeren, dansend, musicerend, maar
toch bijna triest in hun vreemde gewaden.

Ze zingen in mineur over het leven
en over liefde en over liefdespijn
en lijken niet om hun geluk te geven;
hun lied vermengt zich met de maneschijn,

de kalme, trieste maneschijn: oase,
waar vogels dromen in de bladerweelde,
en waar fonteinen snikken van extase,
fonteinen, groot en slank, met marmerbeelden.


In het gras

Paul Verlaine, Sur l’herbe


De abbé leutert! - En u, markies,
uw pruik staat weer helemaal scheef.
- Deze wijn: u zegt uit Cyprus? Exquis!
Maar o Camargo, uw keel...

- Mijn engel... - Do mi sol la si.
- De abbé is weer zó vervelend!
- Bij god, lieve dames, ik pluk voor u
desnoods een ster van de hemel.

- Ik wou dat ik uw hondje was...
- Nu kussen we onze dames,
Ja, één voor één. - Hier, in het gras?
- Do mi... - Hee, hallo zeg, het maantje...


Het huilt in mijn hart

Het druilt in de stad
en het huilt in mijn hart.
Wat is dat voor smart
die daar huist in mijn hart!

O regen, uw ruis
op de straat, op het huis!
O regen, uw lied
voor een hart vol verdriet,

voor een moedeloos hart!
Geen reden voor smart,
verlies noch verraad,
het weet van geen kwaad,

de enige pijn
is onwetend te zijn.
Geen liefde, geen haat,
en toch dat chagrijn?


Beams


Paul Verlaine, Beams


Ze wilde er even uit, een stukje strand afgaan,
en daar de hemel net weer open was gewaaid
schikten we ons willig naar haar tomeloze aard,
liepen haar zilte weg langs, trouw achter haar aan

De zon straalde hoog aan een opgeklaarde lucht,
haar blonde haar was als met poedergoud verlucht;
en wij, vertederd en verrukt, wij liepen mee,
zo stil, zo rustig als het ruisen van de zee

Overal vogels waar het zonlicht op weerkaatste;
en in de verte sneeuwde een sneeuw van witte zeilen;
er lagen strengen wier, waarover we bij wijlen
wegglibberden, maar zo behendig of we schaatsten.

Soms draaide ze zich om, toch min of meer beducht
dat we niet volgden, maar zodra ze ons dan ontwaarde,
zo opgetogen, trots, haar uitverkoren schare,
liep ze tevreden door, haar kin fier in de lucht.


Rimbaud

Ook voor Rimbauds adolescentenpoëzie een plaatsje:


De wolf huilde

Arthur Rimbaud, Le loup criait


De wolf huilde onder de struiken
en kotste de veren uit van
de kip die hij op had gevreten -
en ook ik weet niet meer wat ik kan.

Het fruit en de sla
en de prei en de glanzende kooltjes
zijn rijp voor de oogst, maar de spin
in de heg eet alleen maar viooltjes.

Laat me slapen! O god, laat me koken
op Salomons altaars totdat
het kookvocht het roest overstroomt en
uitvloeit in Susanna haar bad.


Ô saisons, ô châteaux


O seizoenen, kastelen!
Wie is zonder gebreken!

O seizoenen, kastelen!

Ik studeerde magie, en ik vond
het geluk waaraan niemand ontkomt

en dat alles vermooit en verfraait
als zijn Gallische haantje maar kraait!

Wat heb ik nog te verlangen?
Geluk heeft mijn leven gevangen,

het betoverde lichaam en ziel,
zodat elke noodzaak verviel

en ieder woord dat ik dicht,
verwaait en gaat op in de lucht

O seizoenen, kastelen


[Hierna, doorgestreept in het manuscript:


En sleept mij het ongeluk mee,
dan weet ik, mijn tijd is geweest,

dan takel ik onverwijld af
en ben ik ten prooi aan het graf.

O seizoenen, kastelen!
Wie is zonder gebreken!]

Een mooie ochtendintentie

Arthur Rimbaud, Bonne pensée du matin

In zomernachten om vier uur -
alle gelieven slapen nog,
in de bosschages hangt de geur
van hun gelag.

Maar in hun werkplaatsen weids
onder de zon der Hesperiden
roeren zich in hemdsmouwen reeds
de timmerlieden.

In hun arcadisch toevluchtsoord
vervaardigen ze op hun gemak
plafonds met valse luchten voor
de stadse kak.

Ik bid u Venus, voor dit volk
van een satraap van Babylon,
laat uw gelieven op hun wolk
en kom, o kom,

o haast u hier-
naar toe, en neem jenever mee
zodat de werkers hun vertier
hebben tot aan hun middagbad in zee.


Éternité


Arthur Rimbaud, L’éternité

Ze is weer terug.
Hè? - De Éternité.
De zon komt over
de brug met de zee.

En, mijn schildwacht, mijn ziel,
wij bekennen ons nu
tot de nacht, zo futiel,
en het daglicht, zo cru.

En we blijven onthecht
van wat wordt gezegd
en wat springt in het oog,
en we floepen omhoog.

Want in u allicht,
o spervuur van sits,
gloort een hogere plicht
zonder maar, zonder mits.

Daar geen woord over hoop,
geen “wacht eerst maar af”.
Enkel weten en lijden,
zekere straf.

Ze is weer terug.
Hè? - De Éternité.
De zon komt over
de brug met de zee.


Hoog van de toren


Arthur Rimbaud, Chanson de la plus haute tour


Lamlendige jeugd
die om elke grap lacht!
Fijnzinnigheid heeft
me om het leven gebracht.
Maar ooit komt de tijd
dat we worden verblijd.

En ik meen dat ik zwi­cht
en ik schik me in mijn lot:
en als er geen zicht
is op hoger genot,
welaan dan, trotse een-
zaamheid, sluit om me heen.

Ik heb zoveel geduld
dat ik alles vergeet;
nooit meer worden ver­vuld
mijn vrees en mijn leed.
Alleen, zwaar op mijn borst,
een verterende do­rst.

Als de velden, gedoemd
tot vergeten, vol kleuren,
verweidst en verbloemd
en bedwelmd door geu­ren
en de zoemende gekte
van horden insecten.

Mijn ziel, o mijn ledige
onttakelde nest!
Notre Dame is het enige
beeld dat me rest.
Bidt men daar onver­saagd
tot de heilige ma­agd?

Lamlendige jeugd
die om elke grap lacht!
Fijnzinnigheid heeft
me om het leven gebracht.
Maar ooit komt de tijd
dat we worden verblijd.

Guillaume Apollinaire


Jachthoorns


Guillaume Apollinaire, Cors de chasse


Voornaam maar wreed is ons verhaal
als het masker van een tiran.
Geen grootse daden, geen kabaal,
en niets van wat ons overkwam
maakt wat er is gebeurd banaal.

En Thomas de Quincey drinkt van
zijn zoete opium en vindt
als in een droom zijn weg naar An.

Voorbij, voorbij. Maar zeer bemind,
ik keer er terug zo vaak ik kan.

Herinneringen: jachthoorns van
heel ver, verwaaiend in de wind.

Thomas de Quincey, auteur van de Confessions of an English Opium Eater, Ann was de prostitué die zich over hem ontfermde toen het water hem aan de lippen stond.


Pont Mirabeau


Apollinaire: Pont Mirabeau


Onder Pont Mirabeau passeert de Seine
en onze liefde,
hoe moet ik er aan wennen,
pas na verdriet leer je de vreugde kennen.

De avond valt, de klokken slaan,
de dagen verglijden en ik blijf staan.

We leunden er over de balustrade
en onder ons,
onder ons stroomt het water
en wat onze ogen zien laat zich niet raden.

De avond valt, de klokken slaan,
de dagen verglijden en ik blijf staan.

Liefde vergaat, spoelt weg zoals het water,
liefde spoelt weg,
wat is het leven traag en
wat zijn onze verwachtingen beschamend!

De avond valt, de klokken slaan,
de dagen verglijden en ik blijf staan.

De tijd verstrijkt, de dagen, weken, maanden.
Liefde en tijd
laten zich niet herhalen.
Onder Pont Mirabeau passeert het water.

De avond valt, de klokken slaan,
de dagen verglijden en ik blijf staan.

 

woensdag 16 september 2026

Baudelaire

Gedichten van Baudelaire

Vertaald door Jos Houtsma


Aan de lezer

Charles Baudelaire, Au lecteur

Door dwaasheid, dwaling, zonde en door gebrek aan moed
wordt onze ziel geknecht, en wordt ons lijf gelaafd,
we voeden het berouw, waaraan we zijn verslaafd,
zoals een bedelaar zijn ongedierte voedt.

Zie, onze zonde is taai, en onze wroeging laf;
een schuldbekentenis laten we duur betalen,
waarna we onbezwaard weer door de modder dwalen:
een valse tranenvloed wast onze vlekken af.

Aan onze kussens van ontaardheid vastgeklampt
laten we Satan Trismegistos ons onthalen,
terwijl het rijke erts van onze idealen
in de hoogovens van zijn toverkunst verdampt.

We dansen op het lied dat ons de duivel zingt!
Door elke smerigheid wordt ons gemoed bekoord.
We dalen dagelijks af naar de hellepoort
zonder te walgen van de duisternis die stinkt.

Zoals een lichtmis, die zich op het beurse fruit
stort van het vrouwenvlees in een vuil hoerenkot,
grijpen wij in het gaan elk clandestien genot,
en persen er verwoed de laatste druppels uit.

Zie, gruwelijk, gelijk een kluwen wormen, malen
in onze hersenpan miljoen demonen rond;
de dood: onzichtbaar maar met dof gejammer, stroomt
hij onze longen in wanneer we ademhalen.

Als op het canvas van ons deerniswekkend brein
geen beelden geborduurd zijn - wonderlijk charmant -
van aanrandingen, van vergif, van moord en brand,
dan is dat omdat wij niet zeer vermetel zijn.

Maar van het beestenspul, van jakhals, panter, gier,
teef, aap, slang, schorpioen, al wat er in ons wringt,
en wat er gluipt en sluipt, en wat er krijst en springt
in deze dierentuin van ons infaam vertier,

is één het smerigst en wanstaltigst. Niemand zal
hem horen krijsen met afzichtelijk misbaar,
maar o, hoe graag sloeg hij de wereld in elkaar,
verzwolg hij met één geeuw dit droevige heelal:

Verveling! - In het oog een ongewilde traan,
lurkt hij zijn waterpijp, en droomt van het schavot.
Hij is je welbekend, die lichtgeraakte god,
lezer, jij huichelaar! mijn broer, jij! kijk me aan!

9 april 

Verbanden

Baudelaire, Correspondances


Natuur een kerk met levende pilaren
waar flarden van geprevel zijn te horen.
We wandelen door wouden van symbolen
die als oude getrouwen naar ons staren.

Geluid en kleur en geur, ze responderen,
smelten als echo’s in de verte samen
tot een duistere eenheid, zo totaal en
zo luisterrijk als nacht, als sterrenhemel.

Sommige geuren fris als kinderlijven,
als een hobo zo zoet, als grazig land,
andere rijk en ranzig, dominant,

die alle andere geuren verdrijven -
als amber, muskus, benzoë en mirre
die het verstand vervoeren en de zinnen.


Eén glinsterende traan

Charles Baudelaire, Tristesses de la lune

Avond, de maan ligt lui in weidse wolkensloppen -
zoals een schoonheid in haar kussens, die, ontroerd,
voordat ze wegdoezelt met lichte vingertoppen
de ronding van haar borst ternauwernood beroert.

Wegzinkend in een sneeuw van zachtglanzend satijn
voelt ze hoe ze bezwijmt, terwijl haar schelende ogen
in zielsvervoeringen verdrinken die daar, rein,
als vreemde bloeiwijzen, oprijzen in den hoge.

En laat ze soms één keer, in ledigheid bezweken,
een heimelijke traan op deze globe leken,
dan zal een vroom poëet, een die de nachtrust haat,

hem vangen in zijn hand als in een broze schaal,
één glinsterende traan, die, als een scherf opaal,
hij, voor het licht beschut, diep in zijn hart bewaart.


Je bent te blij

Baudelaire, À celle qui est trop gaie

Je uiterlijk en je gedrag
zijn lieflijk als de morgenstond;
een glimlach speelt je om de mond
als zeewind op een zomerdag.

Wanneer er iets verdrietigs in
je bovenkomt, wordt dat verschoond
door de robuustheid die je toont:
je armen, schouders, fiere kin,

de tintelende kleuren waar
je je in kleedt, voor een poëet
een schouwspel dat hij nooit vergeet:
een bloemendans in een boudoir,

en als symbool in hoger zin
staan ze voor je verknipt genie,
gekkin op wie ik gek ben, die
ik haat zoals ik je bemin!

Ooit, in een tuin vol bonte kleur
waar ik mijn lusteloosheid sleet,
voelde ik, hoe ik, door zon zo heet
als ironie, werd stukgescheurd.

Het groen, het zoete lente-uur
maakten mij zo ontzettend boos
dat ik botvierde op een roos
het gore lef van de natuur.

En net zo wil ik, op een nacht,
vervuld van wellust tot de krop,
laf en geluidloos kruipen op
de weligheid van je geslacht,

wil ik me storten op je vlees,
je schuldeloze borst vermalen,
je ontstelde buik openhalen
met een gapende wond van vrees.

En dan zal, zalig, met een kus
op deze nieuwe lippen, ik
je, duizelend van geile schrik,
mijn gif ingieten, lieve zus. 

Mater dolorosa

Charles Baudelaire, À une Madone

 


Wijgeschenk in Spaanse stijl

Madonna, meesteres, zie, in mijn hoogste nood
bouw ik u een altaar en leg ik voor u bloot,
ver van de wereld, in de krochten van mijn hart,
niet door de koude blik van de kritiek getart,
geëmailleerd met goud en met azuur, een nis
waar ondoorgrondelijk in staat uw Beeltenis.

Met mijn gelikte Vers, als een metalen mal,
kunstvaardig opgebouwd rond rijmen van kristal,
zet ik u op het hoofd een monsterlijke Kroon
en uit mijn Jaloezie, naar een barbaars patroon,
met Tranen afgezet in plaats van Parels, snijd
ik, aardse Lieve Vrouw, voor u een Mantel uit,
zo ruig, zo zwaar, zozeer met achterdocht gevoerd
dat uw bevalligheid geheel is ingesnoerd.

Van schuimbekkende Lust is uw Japon gemaakt,
mijn Lust, die rijst en daalt waar ze uw huid aanraakt,
die op de tenen staat of in de plooien rust
en overal uw blanke en roze lichaam kust.

Uit mijn Verering vorm ik Schoenen van satijn
die weliswaar geen weerga voor uw voeten zijn,
maar die hun tere huid met zachte omhulling sparen
en hun volmaakte vorm altijd getrouw bewaren.

En als ik al, ondanks mijn vlijt als handwerksman,
u niet een zilv’ren Maan tot Voetsteun maken kan,
dan smijt ik u de Slang die in mijn boezem woelt,
dat slijmerig gedrocht dat niets dan afgunst voelt,
onder de voet, waar u, om oude vijandschappen,
als zegevierende vorstin hem zult vertrappen.

Zie mijn Gedachten die, voor uw versierd altaar,
o Maagd en Koningin, zijn als een kaarsenschaar
en zie hun weerschijn in de blauwe koepel staan:
met ogen als van vuur, zo staren ze u aan.
En alles in mij smacht naar u en sleept me mee,
alles wordt Wierookhars en Mirre en Benzoë,
en onophoudelijk mijn stormachtige brein
stijgt op naar u, stijgt naar uw top, sneeuwwit en rein.

Tenslotte, om u als Maria te volmaken
en naast de liefde ook de barbarij te smaken,
zal ik, beul vol berouw, door duist’re lust verslonden,
de zeven Messen smeden van de zeven Zonden,
vlijmscherpe messen, en zonder emotie zal
ik, doelwit kiezend in het diepste van uw al,
ze planten, een voor een, in uw gekweld gemoed:
uw lillend Hart, uw Hart dat snikt, uw Hart dat bloedt.

Het feest van Maria Moeder van Smarten wordt in de katholieke kerk gevierd op 15 september

De albatros

Niet zelden, voor de grap, jagen de schepelingen
op albatrossen, op de reuzen van de zee,
die hoog boven het schip vliegen in luie kringen.
Ze reizen op ons pad over de diepten mee.

Maar niet zodra er een ligt op het dek gevangen,
zo’n vorst van het azuur maar jammerlijk gefnuikt,
of hij laat hulpeloos zijn witte vleugels hangen,
als roeispanen wanneer ze niet worden gebruikt.

Wat ziet die hemeling er onbeholpen uit!
Die ooit zo mooi was, is nu lelijk, ridicuul. :
Tegen zijn snavel klopt een man zijn pijpje uit,
een ander waggelt om hem heen als een debiel.

De dichter heeft iets weg van deze godenzoon,
die op de stormen rijdt, boven belagers zweeft,
een balling is hij hier, ten prooi aan spot en hoon:
lopen is moeilijk voor wie reuzenvleugels heeft.

Op reis

Charles Baudelaire, Le voyage 

1.

We zijn als kinderen, verslingerd aan
kaarten en poststempels van verre landen.
Het universum is een afdruk van
ons brooddronken verlangen, ‘s avonds
bol en enorm in het licht van de lampen,
erbarmelijk verschrompeld in het daglicht.

 

En vroeger of later, tabee, we gaan,
heethoofdig, rancuneus, vol onbestemde
gevoelens, snakkend naar het onbegrensde,
varen we uit op een in werkelijkheid
maar al te zeer begrensde oceaan.
 

De een schudt opgelucht de kluisters af
van laffe liefde voor het vaderland,
de ander wil ontsnappen aan het juk
van huis en haard, een derde is misschien
een van de droevige astrologen die
verdwaald zijn in de ogen van een vrouw
en die zich, in hun hart nog snakkend naar
het wildedierenparfum van hun Circe,
overgeven aan vorst en zonnebrand
om er de littekens te laten helen
van haar gulzige kussen…
 

Maar echte reizigers zijn zij alleen
die reizen om het reizen, die zich met
een hart, licht als een luchtballon, verlaten
op de willekeur van de wind, en die,
als lotelingen lustend naar ‘t kanon,
lusten naar een genot, zo nieuw, zo groots,
zo anders, als geen god zich denken kon.
 

2.

Hoepel en tol zijn ons symbool. O gruwel!
Zelfs op ons kussen draaien we om en om,
onder de zweep van deze niet te blussen
nieuwsgierigheid, die met ons speelt zoals
een engel met een zon.
 

                                   O, ongehoord

fortuin, steeds op een vluchtig doel gespitst
dat nergens is en overal kan zijn,

en waar de mens, door hoop gekweld, als een
krankzinnige achter aan jaagt! Onze ziel
is als een driemastschoener die op on-
bevaren zeeën rondvaart; van de brug
dondert een stem: "Kijk! Daar! Kijk! Daar!";
vanaf de marssteng krijst een tweede stem,
verzengd van waanzin: "Liefde! Erkenning! Rust!"
"Vervloekt, het is een klip! We komen om!"
 

Elk onbeduidend eiland, aangeroepen
vanuit het kraaiennest, is El Dorado -
voor ons bestemd, bewaard tot deze stonde.
Maar de verbeelding, die haar feestdis al
zag aangericht, ziet in het ochtendlicht
slechts een ellendig, afgetakeld rif.
 

O slaaf, o arme slaaf van hersenschimmen.
men zou hem in de ketens moeten slaan!
In zee met hem, dronken matroos, bedenker
van een luchtspiegelig Amerika,
dat de barre leegte enkel leger maakt!
 

Een schooier is hij, door de modder wadend,

de neus omhoog, en droomt van paradijzen.
Zijn kaarsvlammetje roept een visioen
van blauwe grotten op. Caesar! Capri!
 

3.

O reizigers, aan wie we ons vergapen,
welke nobele, tragische relazen
kan men in uw peilloze ogen ontwaren!
welke kosmische schatten liggen er
opgetast in de schrijn van uw memoires!
 

O, laat ons reizen, reizen zonder zeil,
zonder het doffe stampen van machines,
bevrijd ons van de ketens die wij dragen
van onze ledigheid,
en tover op het scherm van onze dwaze
geest het gewemel van uw reisverslagen.
 

Zeg, wat heb je gezien? 

4.

"De sterren zagen

we.” Sterren. Goed. “En golven. Zandwoestijnen.
En ondanks rampspoed onvoorzien, gevaren,
hebben we ons zeer verveeld. Net zo als u.
 

Een gouden zon, een zee van ziedend purper.
Steden, omfloerst door zeldzaam avondrood.
Maar alles was slechts voedsel voor ons kniezen,
voor onze hunkering ons te verliezen
in een fata morgana.
 

Rijke steden

zagen we, uitgelezen panorama’s –
niets dat het haalt bij de verlokking van
veeg zonlicht in een verre wolkenbank.
En altijd zijn we van verlangen krank!
 

- Iedere uitspatting verscherpt de prikkel
van het Verlangen, van die oude boom,
die, door genot bemest, steeds hoger wordt
maar ook steeds dikker, ruwer in de schors!

Groeit hij dan immer, levenskrachtiger
dan een cipres! –
 

Maar goed, hier zijn nog meer

bladen, zorgvuldig uitgelezen voor
het album van uw wellust, lieve broeders,
die alles mooi vindt, wat van ver komt.
Luister:
 

Idolen hebben we gezien met slurven,
tronen met pronkjuwelen ingelegd,
paleizen met de feeërieke weelde -
nachtmerrie van bankroet voor een bankier!
 

We zagen oogverblindende gewaden.
Vrouwen met rode nagels, rode tanden.
Fakirs, geliefkoosd door geleerde slangen..."
 

5.

Ja, ja, en verder? Wat nog meer? 

6.

"O, dwazen!

Verder hebben we ook nog, niet te vergeten,
overal waar we kwamen, ongezocht
en ongewild, van hoog tot laag, bekeken
het drama van de onsterfelijke zonde.
 

De vrouw, slaafs, ijdel en stompzinnig,
die vreugdeloos zich volhangt met juwelen,
zonder walging zich liefkoost; en de man,
een gulzige tiran, laf, bruut, hebzuchtig,
slaaf van een slaaf, een beek in een riool.
 

De beul belust, zijn slachtoffer bezoedeld.
Walgelijk feestgedruis, despoten die
zich aan hun macht benevelen, gepeupel
Wentelt zich gek van wellust in het stof.
 

Alle religies vechten zich, elkaar
vertrappend, op de ladder naar de hemel.
Heiligheid: op een bed van spijkers kronkelt
een wellusteling in een haren kleed.
 

Het mensdom, lallend, zo zelfingenomen
en dwaas als immer, krijst tegen zijn god,
in de gruwzame spasmen van zijn doodstrijd:
“O mijn heer, mijn gelijke, wees verdomd!”

 

En de minst dwazen nog, galante aanbidders
van de onthersening, mijden de horde
die in zijn sleur ten onder gaat, en zoeken
hun toevlucht in de roes. Dat zijn de feiten.
Dat is wereldwijd de orde van de dag."
 

7.

Wel bitter is de lering uit ons reizen:
de wereld is maar klein en afgezaagd;
vandaag, gisteren, morgen, altijd staan we
voor het beeld van ons zelf, een barre plaats
van walging, walging in een woestenij
van eeuwige verveling.
 

Gaan of blijven?

Doe maar zoals u goeddunkt. Want de Tijd,
die wrede gladiator, spreidt zijn netten
net zo goed voor de wandelende jood,
voor de apostel die de wereld afloopt,
als voor wie zich beperkt tot huis en haard.
 

Maar altijd is er hoop. Zelfs als de dood
ons bij de strot heeft, schreeuwen we nog: "Voorwaarts!"
zijn we nog steeds de kinderen die eens
naar China voeren, haren in de wind,
glanzende ogen – met een kloppend hart
schepen we ons in voor de Mare Tenebrum.
 

En hoor, is dat de zoete zingzang niet
van stemmen die ons zeggen: "Kom, hier zijn
de lotusbloemen waar je van wilt eten,
hier oogst men het betoverende fruit
waar je naar smacht. Hier kun je je verliezen

in het namiddaglicht van de eeuwigheid”? 

Het is het oude liedje, het oude drogbeeld.
Je Pylades reikt je de dorre hand,
en zij wier knieën je nog onlangs kuste,
lispelt je toe: "Kom, zwem naar je Elektra…"
 

8.

Kom, Dood, mijn oude kapitein, we gaan!
Kom, licht het anker, deze plek hangt ons
al weer de keel uit. Verder, Dood. Al zijn
ook zee en lucht inktzwart, ons hart is steeds

vervuld van hoop. Schenk me uw roes, en ik
zal onvermoeibaar, er naar snakkend om 
het vuur te koelen dat mijn brein verschroeit, 

vooruit stormen, blindelings in het niets -
hemel of hel, wat maakt het uit, zolang
het onbekend is - snakkend naar Iets Nieuws!

 

 

Zwanen van Nederland 4

  Over gevoelens   Van Eeden voelt 1.. De jonge Frederik van Eeden peutert nadenkend met een pennenmes onder zijn nagels. Kent hij deze...