Ezra Pound
Hommage aan Sextus Propertius
Vertaald en van commentaar voorzien door Jos HoutsmaOrfeo
'Quia pauper amavi'
I
Callimachische schaduwen, geestenvan Philetas van Cos,
In uw hof wou ik wandelen,
Ik die als eerste mij laafde
Aan de heldere bron, en de Helleense vervoering
in Italië aan land bracht, en de dans in Italië.
Wie heeft die versmaat u bijgebracht, aan welke haard
hebt ge die kunst afgeluisterd?
Welke voet tikte uw ritme mee,
welk water verzachtte uw schrille pijpen?
Rijmelaars, onvermoeibaar, bezorgen, ja oké,
Phoebus grijze haren
Met hun heroïsch gewauwel,
Wij, wij houden het vlakgom in de aanslag.
Een nieuw type kar achter de bekranste paarden!
Een jonge muze, omstuwd door putti
stijgt met me ten hemel...
Maar een snelweg naar de muzen? Uitgesloten!
Chroniqueurs onvermoeibaar blijven Romeinse
achtenswaardigheid boekstaven;
Coryfeeën van over de Kaukasus blijven
Romeinse coryfeeën ophemelen,
Zich vergapen aan Romes grootheid.
Maar iets wat gewoon prettig leest,
Een paar regels, gaaf van de gevorkte heuvel gebracht?
Een krans hoeft mijn hoofd niet te kraken,
En ik zit er niet om te springen;
Mijn uur komt nog wel, dubbel en dwars, na mijn begrafenis.
Nietwaar, immers antiek is altijd mooier,
ook los van de waarde.
Wie zou er nog talen naar de torens, geslecht
door een klepper van vurenhout,
Naar Achilles, vechtend met water bij de Simois,
Naar Hector die velgen bespettert,
Naar Polydmantus aan de Scamander, naar Helenus
en Deiphoibus?
Hun eigen erf zou hen - én Paris - nauwelijks kennen!
O Ilium, o Troad, twee maal door
de Oetaeïsche goden genomen -
Niet meer dan kletspraat was er van u over
Als Homerus uw zaak niet verwoord had!
En precies zo zal ik onder de naneven
mijn hondsdagen hebben.
En niet eens een steen op mijn onnozel graf!
Mijn aanspraken zijn gebaseerd op de uitspraak
van de tempel van Phoebus, in Lycië, Patara.
En tot die tijd is mijn lied op reis,
En jongedames - mits ontmaagd - zullen het waarderen
als ze aan de vreemdheid gewend zijn.
Want Orpheus temde roofdieren
en deed Thracische stromen stilstaan,
En Citharaon schudde de rotsen bij Thebe
en danste ze tot een bolwerk zoals hij dat wilde;
En jij Polyphemus, kwam jouw stroeve Galathea
niet bijna
Tot bij je druipende paarden, door een liedje,
onder Etna?
We moeten er eens ernstig over denken.
Als Apollo en Bacchus meewerken
Zal een massa jonge vrouwen mijn mooie
praatjes in ere houden
Ook al staat mijn huis niet vol Taenarische zuilen
(uit Laconië, een verband met
Neptunus en Cerberus),
Ook al rust het niet op gouden balken;
Mijn bongerds liggen niet wijd en zijd en effen
als de Phaeacische wouden,
de weelderige, Ionische,
En mijn kelders liggen niet vol met Markische wijnen,
Niet stampvol kruiken, sommige
Nog uit de tijd van Numa Pompilius,
En ook geen viersterren koelkast;
Maar toch, de fans van de muzen
zullen allemaal met hun neus in mijn boeken zitten,
En alle historische rimram beu, komen ze vanzelf uit
bij mijn danswijsjes.
Wat een geluk als je in mijn pamfletten vermeld wordt,
wat een prachtige grafsteen voor je schoonheid!
Maar aan de andere kant...
Ach, ook dure piramides, die de sterren beroeren,
En huizen, gebouwd naar het voorbeeld van het huis
van Jupiter, in Oost-Elis,
Of Mausolus' gigantische beelden, kunnen het raadsel
van de dood niet afdoende verklaren
Vlam schroeit, regen zinkt in de voegen;
Alles gaat in puin door de beuk van de jaren;
Enkel genie houdt stand, onvergankelijk sieraad,
een naam die de tijd niet verslijt.
AantekeningenCallimachus en Philetas: Alexandrijnse dichters, 4e eeuw voor Chr. Philetas genoot faam als dichter van erotische elegieën, waarvan alleen fragmenten zijn overgeleverd. Van Callimachus zijn o.a. zes hymnen bewaard. Zijn roem in de Hellenistisch-Romeinse periode was groot. Propertius claimt dat hij zich als eerste in Rome door de verzen van Callimachus en Philetas heeft laten inspireren.Water: Het water van de dichtersbron.Phoebus: Apollo, de god van de dichtkunst.Een jonge muze: Propertius' geliefde, Cynthia.Romes grootheid: 'Pochen over de omvang van het Rijk.'De gevorkte heuvel: De Parnassus heeft een dubbele top.Torens geslecht door een klepper van vurenhout: Troje, ingenomen door de list met het houten paard.Achilles: De Griekse held. In de Ilias XXI, 307 roept de rivier de Scamander zijn broer Simoeis te hulp om de woede van Achilles tegen te houden.Hector: De Trojaanse held, gedood door Achilles en achter zijn strijdwagen drie keer over het slagveld gesleurd.Polydmantus: de Trojaanse held Polydamas; Deiphoibos: voor de Trojaan Deiphobus.Paris: de zoon van koning Priamus die door Helena te schaken de Trojaanse oorlog ontketende.Ilium: Troje.Troad: Het gebied rond Troje.Twee keer genomen: Het meervoud is een gril van Pound: Hercules (de god van Oetia) zou Troje twee keer veroverd hebben: één keer bij de stichting, toen Apollo en Poseidon, die bij de bouw hadden geholpen door de Trojanen werden bedrogen; één keer toen de stad de Argonauten proviand weigerde.Patara: Beroemd orakel in Kleinazië, ooit een concurrent van het orakel van Delphi.Mits ontmaagd: Een grapje met Propertius' solito tacta puella sono, 'een meisje geraakt door het vertrouwde geluid.'Citharaon: Hier gaat Pounds fantasie op de loop. Bedoeld is de Cithaeron, het grensgebergte tussen Attica en Boeotië.Thracië: Zeg het zuiden van het huidige Bulgarije, het Europese deel van Turkije. Bij Propertius is sprake van een Thracische lier.Polyphemus: De cycloop, verliefd op de nimf Galathea.Apollo en Bacchus: Bedoeld zijn (de god van) de poëzie en (die van) de drank.Taenarum is een stad en een kaap in het zuiden van Laconië, bij Sparta (kaap Matapan), waar een ingang tot de onderwereld zou zijn. Pound schijnt zijn weetje te hebben ontleend aan Harper's Latin Lexicon, s.v. Taenarus'.Phaeacische wouden: Propertius vermeldt de boomgaarden in het land van de Phaeaken (Korfoe).Markische wijnen: bij Propertius gaat het over water van het aquaduct van Marcius. Een van de weinige plaatsen waarvan Pound heeft toegegeven dat hij zich heeft vergist.Numa Pompilia: De legendarische tweede koning van Rome (7e eeuw voor Chr.).Het huis van Jupiter in Oost-Elis: Het heiligdom van Zeus in Olympia.Mausolus: De naamgever van het mausoleum, een van de zeven wereldwonderen.
II
Men zag mij in de schaduw, leunend opde kussens van de Helicon,
En het water droop van het Bellerofontische paard.
O Alba, uw vorsten en het rijk dat uw mensen
hebben geschapen met zulk een ijver
Gaap ik uit mijn lier, met net zulk een ijver.
Mijn muizenmondje zal slobberen uit de bronnen
'Waaruit ook vader Ennius, voor ons teneerzittend, dronk.'
Ik had de Curii bestudeerd, en notities gemaakt
over de speren van de Horatii
(Vlakbij het stalletje van Q.H. Flaccus);
'Van' Aemilia, vorstelijk op haar vlot getrokken,
'Van' het zegevierend talmen van Fabius en de
linkshandige slag bij Cannae,
De Romeinse Lares, hun woonplaats ontvluchtend:
Ik had dit alles bezongen,
En van Hannibal,
en Jupiter, door zijn ganzen behoed.
En Phoebus keek op mij neer, vanuit zijn Castalische boom
En hij zei: 'Lul! Wat doe je nou met dat water?
Wie heeft jou gevraagd om een boek over helden?
Geen denken aan, vriendje,
Dat soort roem is voor jou niet weggelegd.
Op een zacht gazon rijd je met lichte wieltjes.
Jouw werk zal dikwijls, dikwijls op een stoel worden gesmeten
Waar een eenzaam meisje wacht op haar minnaar.
En waarom zou je het anders doen?
Jouw genie zal geen schepen doen zinken,
Laat andere riemen het water maar karnen,
Andere wielen de arena; in het gedrang,
Dat is net zo beroerd als midden op zee.'
Hij had gesproken en wees me mijn plaats met zijn plectrum:
Drinkgelagen en aardewerkbeeldjes
Van Silenus, versterkt met wilgentenen, Pan,
De kleine vogeltjes van moeder Venus,
hun Punische kopjes geverfd in de vijver van Gorgon,
Negen meisjes uit evenzovele streken,
met geschenken voor haar in zachte handjes:
Dat is mijn milieu, mijn geleide. En ze bond klimop
aan zijn staf;
Vond een lied bij de snaren;
Rozen in haar handen gevlochten;
En een van hen keek me aan met gefronste wenkbrauwen,
Calliope:
'Altijd hetzelfde liedje, hè, witte zwanen
En watjes! Geen gebries van paarden roept jou ooit ten strijde,
Nooit wordt jouw naam gehoord,
Mars roept je niet uit het Aonische woud,
Niet naar waar Rome
Germaanse welstand verplettert,
Noch waar de Rijn rood is van het bloed van barbaren
en de stroom gewonde Suebi meesleurt.
Jouw repertoire bestaat blijkbaar uitsluitend
Uit minnaars die rondhangen bij vreemde deuren,
Nachtbrakers en de echo's van dronken gehol.
Jij maakt je vak van het beheksen
van jonge dames in hun boudoir,
Van het chicaneren met eerbare mannen.'
Zo sprak mevr. Calliope,
En ze depte haar hand in de bron, en zo
Stijfde ze me in de navolging van Philetas van Cos.
En ze depte haar hand in de bron, en zo
Stijfde ze me in de navolging van Philetas van Cos.
AantekeningenHelicon: de berg van de muzen.Het Bellerofontische paard: Pegasus, het paard van de held Bellerophon, ook bekend als het dichterspaard.Alba: Alba Longa, de oudste stad in Latium.Vader Ennius: Quintus Ennius, de vader van de Latijnse poëzie (239 - 169 v. Chr.).Curii en Horatii: De Curii, drie broers uit Alba Longa, die vochten met de Horatii, drie broers uit Rome. Twee Horatii sneuvelden voor de derde de Curii doodde, en hun speren wijdde in de basilica in Rome.Het stalletje van Q.H. Flaccus: De dichter Quintus Horatius Flaccus, Propertius' oudere tijdgenoot (65 - 8 v. Chr.).Aemilia: Propertius: 'de vorstelijke trofeeën in Aemilius' boot.' Bedoeld heeft Propertius waarschijnlijk Aemilius Paullus, Romeinse consul, verslagen door de Carthaagse krijgsheer Hannibal.Fabius: Quintus Fabius Cunctator, 'de talmer', die Hannibal versloeg door consequent een veldslag te mijden.De linkshandige slag bij Cannae: Een fraaie wending. Propertius: pugnamque sinistram Cannensem, 'de fatale strijd bij Cannae': de veldslag waar Hannibal de Romeinen versloeg.Lares: De Romeinse goden van huis en familie.Castalische boom: De bron Castalia op de Parnassus was gewijd aan Apollo en werd beschouwd als de dichtersbron. Propertius' beeld is dat van Apollo die zich ophoudt in het bos bij deze bron.Plectrum: Plaatje waarmee een snaarinstrument wordt betokkeld.Silenus: Een satyr, toonbeeld van dronkenschap en wellust, vaak afgebeeld op een ezel en / of ondersteund door andere satyrs.Pan: De vruchtbaarheidsgod uit Arcadië (Tegea is een stad op de Pelopponesus).De kleine vogeltjes: Duiven waren de vogels van de liefdesgodin Venus.Punische kopjes: Propertius spreekt van purperen (punica) snavels. De snavels zijn rood omdat ze nipten uit fontein van Gorgon: Medusa, gedood door Perseus.Negen meisjes: De muzen.De staf: De thyrsus, de staf van Dionysus.Calliope: De muze van de epiek.Het Aonische woud: Aonië, in Boëtië, de plaats van Helicon en Cithaeron.De Suebi werden verslagen in 29 voor Chr. door de Romeinse generaal Gaius Carinas.
III
Middernacht en een briefje van mijn maîtresseDat me zegt: naar Tivoli komen!
On-mid-del-lijk!
'Fonklende spitsen verrijzen op tweelingtorens,
De Anio klettert neer in een stille vijver.'
En wat moet ik nu doen?
Zal ik me in de dichte schaduwen wagen,
Waar brutale handen zich misschien aan me vergrijpen?
Als ik het echter af laat weten
om dit soort serieuze bedenkingen,
Dan wachten me erger zorgen dan een aanrander in de nacht:
En ik zit verkeerd
én het duurt minstens twaalf maanden,
Want ze is niet zachtzinnig!
En, laten we wel wezen, minnaars zijn heilig
Te middernacht
In de Halssnijderssteeg.
Een man die liefheeft, kan door Scythië wandelen
En geen barbaar zo barbaars dat hij hem maar één haar krenkt!
De maan draagt zijn kandelaar,
de sterren wijzen hem de obstakels,
Cupido vliegt met een toorts voor hem uit
en jaagt valse honden van zijn pad.
En zo zijn alle wegen volkomen veilig
en op elk tijdstip,
Want wie wil het pure bloed van een vrijer vergieten!
Cypris zijn cicerone!
Maar als de kraaien me toch op het spoor zijn...
Ach zo'n dood is de moeite!
Ze zou zich naar mijn tombe haasten met wierook en kransen!
En ze zou als een toonbeeld van rouw
op mijn brandstapel zitten.
Maar laat in godsnaam mijn botten niet
In een openbare ruimte terechtkomen
Waar massa's mensen er op rondstampen -
Want zo gaat het wel vaker met tomben van minnaars.
Laat een beschutte, beboste plek me met lover bedekken,
Of laat me rusten onder een zandribbel
op een nog niet in kaart gebracht strand.
AantekeningenTivoli: Tibur is de antieke naam, de stad was al in de oudheid geliefd om het koele klimaat het overvloedige water en de pittoreske ligging. De beroemde Villa Adriana stamt oorspronkelijk uit de republikeinse tijd.Fonklende spitsen: Pound suggereert met de aanhalingstekens dat de beschrijving van de omgeving van Tivoli is ontleend aan het briefje van de geliefde. Het beeld wijkt af van dat in de Latijnse tekst.Anio: De Aniene, een zijrivier van de Tiber. De watervallen zijn beroemd.Halssnijdersteeg: De Via Sciro is letterlijk 'de weg van Sciro', de mythologische rover die de weg tussen Athena en Megara terroriseerde.Cypris: De Cyprische, d.w.z. Venus. Een cicerone is een gids.Scythië: Het land ten noorden van de Zwarte Zee: de huidige Oekraïne en Zuid RuslandAan de grote weg: Rijke Romeinse families bezaten tombes aan de wegen die de stad verlaten (beroemd zijn de grafmonumenten aan de Via Appia).
IV
MENINGSVERSCHIL MET LYGDAMUSZeg me welke parels je optekende uit de mond van
onze trouwe geliefde,
Lygdamus,
Laat het goedbetaalde juk van een maîtresse
net zo zwaar op je rusten als je verdient.
Want ik heb mijn buik vol van praatjes voor de vaak,
en ik ben woedend, omdat
Je me steeds vertelt wat je dénkt dat ik horen wil.
Boodschappers kunnen toch niet met totaal lege handen
aankomen? Een slaaf moet uitkijken met dooddoeners.
Veel ouwehoeren, nietwaar, een feilloos recept
voor een dak boven je hoofd.
Dus kom op, vertel me maar, alles,
vanaf het begin.
Ik ben een en al gulzig oor.
Nou? Ze weende in haar haren, ongekamde haren,
Jij zag het.
Een stortvloed van tranen.
En jij zag haar, Lygdamus, met eigen ogen,
uitgestrekt op haar bed -
En het was géén glimp in de spiegel.
Geen frutsels aan haar sneeuwwitte vingers,
geen orfevrerie,
Maar droeve gewaden over haar tengere armen;
En de secretaire was dicht, aan de voet van haar bed.
Een sfeer van droefheid, en de ontroostbare
dames van haar huishouding
Waren ontroostbaar daar ze hun haar dromen verteld had.
En zij in het midden, gesluierd, vochtige wollen zakdoeken
in haar onstuitbaar
wenende ogen gepropt,
Een boos gesnik ten antwoord op onze ijverige
tegenwerpingen.
En hiervoor moet ik je belonen,
Lygdamus?
Kletsen en kletsen, toch wel een feilloos recept!
Dus die andere vrouw, ik ben niet voor haar charme gevallen,
Nee, ze heeft me met giftige brouwsels gevangen,
Ze fiedelt met het bespijkerde wiel van een rombus,
Ze maakt stoofpotten van
Opgeblazen kikkers, slangenbotten,
En van de veren van een kerkuil in de rui.
Ze heeft me behekst met raffels van lijkwaden.
Zwarte spinnen in haar bed!
Ruggen van snurkende minnaars in de ochtend!
Laat de jicht haar voeten misvormen!
'Vindt hij het leuk dat ik hier alleen moet slapen,
Lygdamus!?
Zal hij lelijke dingen zeggen op mijn begrafenis?'
En dat moet ik dan geloven
Na twaalf maanden ongemak!?
Aantekeningen
Rombus: Een ritueel instrument bestaand uit een stuk hout, dat is bevestigd aan een touwtje. Het hout is zo bewerkt dat het, als het wordt rondgedraaid, een brommend geluid geeft. Waarschijnlijk hetzelfde instrument dat o. a. bekend is van de aboriginals in Australië; in het Engels: bull-roarer.
V
1.
Tijd om de Helicon uit te mesten, nu of nooit,
De Emathische paarden moeten naar buiten,
En de koppen moeten geteld van mijn aanvoerders in
het Romeinse kamp.
Ook al lukt het me niet, 'zelfs de poging is al lofwaardig.'
'Bij ondernemingen op dusdanige schaal
is het initiatief al voldoende.'
In het grijze verleden bezong men Venus,
tegenwoordig beroeringen,
En goed, ook ik zal mijn krijgslied aanheffen,
maar ná deze meisjesaffaire.
Als ik eenmaal aan land ben gesleept, word ik wel serieuzer.
Mijn muze wil best instrueren: nieuwe toonaarden, nieuwe tonelen.
Wel op, mijn ziel, geen bescheiden geneurie,
maar met passende bravoure!
O verheven Pieriden, nu een werkstuk van lange adem.
Aldus:
'De Eufraat ontzegt de Parth haar beschutting
en maakt excuses voor Crassus.'
En: 'India - India was het toch? - aan uw triomfkar!'
Etc., Augustus. 'Maagd'lijk Arabië kruipt bevend weg.'
Laat naties terugdeinzen naar verste kusten,
het zal slechts uitstel blijken van executie.
En ik trek mee in de legertros, en ik oogst lof
voor mijn verslag van uw cavalerieoperaties.
Moge het lot over me waken!
2.
En toch, Maecenas, u vraagt, waarom schrijf
ik steeds liefdesgedichten,
Hoe komt dat lichte genre me steeds in de pen?
Calliope noch Apollo hebben het me ingeblazen.
Mijn genius? Gewoon, een meisje.
Als haar ivorige vingers een wijsje aan de snaren ontlokken,
Kijken we ademloos toe:
Hoe soepel spelen de vingers! Is het haar bezweet op haar voorhoofd,
Wandelt ze in zijdeglans uit Cos, in een warreling van
purperen stoffen:
Daar komt een dichtbundel van. En vallen haar oogleden toe:
Werk aan de winkel mijn dichter!
En wil ze zich met me vermeien, zonder b.h.'tje,
Dan draaien we voor een Ilias
Onze hand niet om.
En wat ze ook doet of zegt,
We spinnen goed garen uit niets.
Dàt is wat er voor mij in het vat zit, Maecenas,
En al kon ik zingen van helden en wapens, 'k vertikte 't.
Geen gekweel over titanen, Ossa
op Olympus genageld,
Niets over snelwegen over Pelion,
Of over het hoogst respectabele Thebe, of over
de reputatie van Homerus in Pergamum.
Niets over Xerxes' tweeloopsimperium, over
Remus en zijn koninklijke familie,
Of over bewonderenswaardige Punische typen,
Mijnen in Wales waar Marus zich de zakken mee vulde.
Ik zou Caesars campagnes gedenken...
Ja, als decor,
Al kon Callimachus wel zonder
én zonder Theseus,
Zonder hel, zonder Achilles met een gevolg van goden,
Zonder Ixion, zonder de zoons van Menoetius,
en Argo, en zonder het graf van Jupiter of de titanen.
Mijn hart zwelt niet op bij het Caesarische ore rotundo,
De Phrygische vaderen laten me koud.
Zeelui over de wind, de boer over ossen,
De soldaat het gepoch over zijn wonden, de herder zijn ooien;
Wij in ons smalle bed, bespaar ons het wapengekletter.
Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is.
3.
O nobele liefdesdood! Maar als ze maar één zomer trouw was!
En dan praat ze verachtelijk over 'lichte vrouwen',
en van Homerus moet ze niets hebben
Omdat Helena zich 'niet netjes gedraagt.'
Aldus:
'De Eufraat ontzegt de Parth haar beschutting
en maakt excuses voor Crassus.'
En: 'India - India was het toch? - aan uw triomfkar!'
Etc., Augustus. 'Maagd'lijk Arabië kruipt bevend weg.'
Laat naties terugdeinzen naar verste kusten,
het zal slechts uitstel blijken van executie.
En ik trek mee in de legertros, en ik oogst lof
voor mijn verslag van uw cavalerieoperaties.
Moge het lot over me waken!
2.
En toch, Maecenas, u vraagt, waarom schrijf
ik steeds liefdesgedichten,
Hoe komt dat lichte genre me steeds in de pen?
Calliope noch Apollo hebben het me ingeblazen.
Mijn genius? Gewoon, een meisje.
Als haar ivorige vingers een wijsje aan de snaren ontlokken,
Kijken we ademloos toe:
Hoe soepel spelen de vingers! Is het haar bezweet op haar voorhoofd,
Wandelt ze in zijdeglans uit Cos, in een warreling van
purperen stoffen:
Daar komt een dichtbundel van. En vallen haar oogleden toe:
Werk aan de winkel mijn dichter!
En wil ze zich met me vermeien, zonder b.h.'tje,
Dan draaien we voor een Ilias
Onze hand niet om.
En wat ze ook doet of zegt,
We spinnen goed garen uit niets.
Dàt is wat er voor mij in het vat zit, Maecenas,
En al kon ik zingen van helden en wapens, 'k vertikte 't.
Geen gekweel over titanen, Ossa
op Olympus genageld,
Niets over snelwegen over Pelion,
Of over het hoogst respectabele Thebe, of over
de reputatie van Homerus in Pergamum.
Niets over Xerxes' tweeloopsimperium, over
Remus en zijn koninklijke familie,
Of over bewonderenswaardige Punische typen,
Mijnen in Wales waar Marus zich de zakken mee vulde.
Ik zou Caesars campagnes gedenken...
Ja, als decor,
Al kon Callimachus wel zonder
én zonder Theseus,
Zonder hel, zonder Achilles met een gevolg van goden,
Zonder Ixion, zonder de zoons van Menoetius,
en Argo, en zonder het graf van Jupiter of de titanen.
Mijn hart zwelt niet op bij het Caesarische ore rotundo,
De Phrygische vaderen laten me koud.
Zeelui over de wind, de boer over ossen,
De soldaat het gepoch over zijn wonden, de herder zijn ooien;
Wij in ons smalle bed, bespaar ons het wapengekletter.
Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is.
3.
O nobele liefdesdood! Maar als ze maar één zomer trouw was!
En dan praat ze verachtelijk over 'lichte vrouwen',
en van Homerus moet ze niets hebben
Omdat Helena zich 'niet netjes gedraagt.'
AantekeningenHelicon: De dichtersberg.Ematische paarden: Macedonische paarden (in tegenstelling tot Propertius: 'het Haemonische paard': het Thessalische, d.w.z. Pegasus).Pieriden: De muzen.De Eufraat: Crassus stak de Eufraat over voor een invasie in het land van de Parthen. Hij werd daar in 53 voor Chr. verslagen en hij en zijn zoon werden gedood.Augustus: Eretitel van Octavianus, de eerste Romeinse keizer.Maagd'lijk Arabië: Augustus heeft plannen voor een invasie in Arabië nooit uitgevoerd.Maecenas: Vriend en adviseur van Augustus, maar ook de spreekwoordelijke begunstiger van dichters als Vergilius, Horatius en Propertius.Genius: Mijn inspiratiebron.Zijdeglans uit Cos: Het eiland Cos produceerde de fraaiste en duurste zijde.Titanen, Ossa op Olympus, Pelion: De reuze Ota en Ephiates stapelden deze bergen op elkaar in een poging de hemel te bestormen.Thebe: De belangrijkste stad in Boeiotië, decor van het Oedipus-verhaal.Pergamum: Stad in Klein-Azië, in de tweede eeuw voor Chr., rivaal van Alexandrië. Het Pergama dat Propertius noemt is de burcht van Troje: Pergama nomen Homeri: 'De op Pergama berustende roem van Homerus.'Xerxes' tweeloopsimperium: Xerxes was koning van Meden en Perzen. Propertius zinspeelt op het kanaal dat Xerxes groef door het Athos schiereiland bij zijn campagne tegen de Grieken.Remus: De tweelingbroer van Romulus, de stichter van Rome.Carthaagse typen: De Carthagers onder Hannibal vormden in de tweede eeuw voor Chr. een grote bedreiging voor Rome.Mijnen in Wales etc.: Cf. Propertius, 24. Een Marus is niet uit de oudheid bekend: Marius (misschien een onopgemerkte drukfout).Caesar: Augustus.Ixion: De koning van Thessalië die dacht Hera te omhelzen, maar in plaats van haar de liefde bedreef met een wolk, waaruit de centauren werden geboren.Menoetius was de vader van de Griekse held Patroclus. Bij Propertius worden Theseus, bevriend met de centauren, en Achilles, bevriend met Patroclus, al vergeleken met het vriendenpaar Augustus en Maecenas.Argo: het schip waarmee de argonauten het gouden vlies haalden.Het graf van Jupiter: Bij Propertius is sprake van de strijd van Jupiter en Enceladus bij Phlegra (een strijd die werd beslist doordat Pallas Athene een rotsblok wierp dat Encaladus verpletterde).Ore rotundo: Letterlijk: 'met vloeiende taal'. Geïmpliceerd wordt: 'bombastische taal'.Phyrgische vaderen: De veronderstelde Trojaanse voorouders van de Romeinen.Helena: Geschaakt door Paris, oorzaak van de Trojaanse oorlog.
VI
dood onze ogen sluit -
Naakt trekken we over de Acheron,
Op één vlot, overwinnaar en overwonnene samen,
Marius en Iugurtha tezamen,
één warboel van schimmen.
Caesar belaagt India en
Van nu af vloeien Eufraat en Tigris
zoals hij dat wenst,
Tibet vol Romeinse ordebewaarders,
De Parthen wennen geleidelijk aan het Romeinse panopticum
en nemen onze religie aan;
Eén vlot op de mistige Acheron,
Marius en Iugurtha tezamen.
En op mijn begrafenis ook geen lange optocht
met laren en penaten en vrome plaatjes;
Geen bazuinen vol van mijn leegheid,
Geen kostbare Attalische spreien
Geen geparfumeerde lijkwaden;
Een simpele burgerlijke begrafenis,
Genoeg, echt meer dan genoeg.
Drie boeken breng ik mee voor mijn uitvaart,
Een gift, niet zonder enige waarde, voor Persephone.
En jij, jij volgt mijn naakte, doorkerfde borst,
En je zult onvermoeibaar mijn naam zeggen en
Niet te moe zijn
Om voor het laatst mijn lippen te kussen
Als de Syrische onyx gebroken is.
'Hij die nu zielloze stof is,
Was vroeger de slaaf van één hartstocht'
Dat zij het opschrift.
'Dood waarom kwaamt ge zo talmend?'
En soms zul je een verloren vriendschap betreuren,
Want dat wil de conventie nu eenmaal,
Deze rouw om wie heen ging.
Daar de ever Adonis het leven benam, en Venus
Ronddwaalde met losse haren,
Vruchteloos, roep jij ook vruchteloos om je geliefde;
Vruchteloos Cynthia, vruchteloos roep je om een
Zwijgzame schaduw.
Tja, lichte botten, dus weinig gesprekstof.
AantekeningenAcheron: Een van de vijf rivieren van de Hades, de grens, waar Charon de doden overvaart.Marius en Iugurtha: Marius (157 - 86 voor Chr.) was zeven keer consul. In 104 voor Chr. versloeg hij Iugurtha, de koning van het Noordafrikaanse Numidië.Caesar belaagt India: Bij zijn dood werd gezegd dat Julius Caesar een expeditie naar India voorbereidde.Euphraat en Tigris: De beroemde rivieren in het huidige Irak.Parthen: Na Crassus' dood sloot Augustus vrede met de Parthen.Laren en penaten: Romeinse huisgoden.Atalische spreien: Met gouddraad doorwerkte spreien, naar wordt gezegd uitgevonden door of voor koning Attalus van Pergamum.Persephone: De koningin van de onderwereld.Syrische onyx: Bij Propertius is sprake van een onyx (een zalfdoos van geel marmer) met Syrische reukwaar.Adonis en Venus: Adonis bemind door Venus, werd, op jacht op de hellingen van Idalium (op Cyprus), gedood door een everzwijn.
VII
Ik zielsgelukkig, en de nacht zo helder!Sponde, o sponde, verzaligd door zoveel genieting!
Wat een stortvloed van woorden bij kaarslicht;
En gestoei als de kaarsen zijn weggebracht.
Nog half in haar tunica, haar borsten treiterend ontbloot,
Worstelde ze met me;
En dan weer met haar lippen mijn oogleden openend
Als ik was weggedommeld, en haar mond lispelde:
'Luilak!'
Goed dan, zolang ons lot dan vertwijnd is,
storten we ons in de liefde, met open ogen;
Want een lange nacht wacht je,
een dag dat de dagen voltooid zijn.
Laat de goden ons ketenen zo
dat geen daglicht ons losmaakt.
Wie durft er paal en perk te stellen aan liefde?
Want de zon zal rijden met zwarte paarden,
en haver zal als tarwe ontkiemen,
De beek stroomt terug naar de bron
Voor liefde haar maat weet,
De vis zwemt in droge bedding.
Geniet nu het kan het vruchtgebruik van het leven.
En steeds weer andere omhelzingen, o onze armen,
spartelend, zoekend,
En op mijn lippen dralend, haar kussen, haar kussen.
'Weet je dan niet dat Venus méér is dan blindelings wroeten?
Je ogen wijzen de liefde de weg.
Hoe nam Paris Helena? Naakt uit het bed geglipt van Menelaus.
En Endymions blanke leden waren Diana's lokaas.'
- tenminste zo gaat het verhaal.
Verdorde kransen verliezen hun blad;
Van de stelen worden mandjes gevlochten;
Vandaag de brede adem van de liefde,
morgen sluit het noodlot ons in.
Ook al schenk je me al je kussen,
het zijn er maar weinig.
En ook de vlucht naar een ander is uitgesloten,
Totterdood de hare,
Als ze zulke nachten van liefde schenkt,
is mijn leven lang, lang van jaren.
Als ze er vele schenkt,
God ben ik, god, zolang het duurt.
AantekeningenVenus: Hier voor 'het liefdesspel'.Endymion: Herder, bemind door Diana, de maangodin.
VIII
Meelij Jupiter met die onfortuinlijke vrouwOf ge hebt een hoogst bevallig sterfgeval
op uw geweten!
Ingegaan is het seizoen, schroeiend heet is de hemel,
De aarde reutelt onder de hitte der hondsdagen.
Maar die hitte, dat is niet de kern van de zaak:
Ze hield niet alle goden in ere,
En dat soort laksheid heeft al eerder
andere jongedames berouwd.
En hun eden in de bedstee?
Verstrooid door wind en water.
Was Venus aangebrand door het bestaan van
haar weerga?
Stikt de aanvallige godin van jaloersheid?
Of heb je Juno's Pelasgische tempels belasterd?
Of de scherpe ogen van Pallas?
Of ben ík soms de schuld,
Mijn tong die voortdurend je lof zingt?
Weet je, je raakt, hoe dan ook, uiteindelijk
- via gevaren, vele gevaren en van een hard leven -
In het rustiger vaarwater van een laatste dag.
De eerste jaren loeide Io met afgewend hoofd,
Nu drinkt ze Nijl als een Nijlgodin.
Ino vluchtte in haar jeugd halsoverkop uit Thebe,
Andromeda werd aan een zeeslang geofferd
En uitgehuwelijkt, keurig, aan Perseus.
Callisto, in de huid van een beer,
Sjokte door Arcadië
Zolang haar geluksster bedekt was.
Dus wat maak je je druk als je lot
in een stroomversnelling komt,
je eeuwige rust in zicht komt:
Misschien zal het je best aanstaan onder de zoden.
Want, nietwaar, jouw geval lijkt echt
als twee druppels water
op dat van Semele.
En dat geloof je, en zij gelooft het ook,
als ervaringsdeskundige.
En je zult een ereplaats innemen tussen
alle gesierde en gevierde beauté’s van Maeonië
En je prestige is er immens.
Dus moed gevat, je noodlot mag er echt wezen,
Of Jupiter zal, bot als hij is, het tij nog keren.
Oude bok, laat Juno het niet merken!
Of gaat Juno zelf voor de bijl
Als de jonge dame ten hemel vaart?
Hoe dan ook, gedonder op de Olympus.
AantekeningenWhat they swore in the cupboard: bedoeld wordt eigenlijk 'de liefdeseden die ze zwoeren in de hoop daar beter van te worden'.Juno's Pelasgische tempels: Volgens de mythe werd Juno grootgebracht door Temenus, de zoon van Pelasgus, in Arcadië.Pallas Athene, Glaukopis genoemd, 'met groenflikkerende ogen,' 'met de ogen van een uil.'Semper, formosae, non nostis parcere verbis: 'nooit wisten jullie, mooie meisjes je tong in bedwang te houden'. Niet door Pound opgepikt; jammer want het is een opmerkelijk bewijs van Propertius' mensenkennis.Io: Door Zeus in een vaars veranderd, en achtervolgd door de jaloerse Hera tot ze in Egypte een kind kreeg, Epaphos, en door de Egyptenaren als Isis werd vereerd.Ino: De tweede vrouw van koning Athamos van Thebe, de opvoedster van Dionysus. Door Hera tot waanzin gedreven sprong ze in zee en werd veranderd in de zeegodin Leucothea.Andromeda werd geofferd aan een zeeslang, maar gered door Perseus die met haar trouwde.Callisto kreeg een zoon van Zeus: Arcas, de voorvader van de Arcadiërs. Ook zij was een slachtoffer van de jaloezie van Hera, en werd veranderd in een beer. Zeus maakte haar tot het sterrenbeeld van de grote beer.Semele: De moeder van Dionysus, bij de conceptie gedood door de bliksem van Zeus.Beauté's van Maeonië: D.w.z. de mooie vrouwen die bij Homerus voorkomen: Van Homerus werd wel verondersteld dat hij werd geboren in Maeonië, een oude naam voor Lydië, in Kleinazië.Olympus: De berg van de goden.
IX
1.
Het geratel van de rombi viel stil,
De geschroeide laurier lag in de as.
De maan wilde nog de trans niet verlaten.
Maar de onheilspellende roep van de uil was hoorbaar.
Eén vlot draagt ons beiden,
over het mistige meer naar Avernus,
En, onder zeil op het zeegroene water,
zou ik wenen voor twee.
Ik leef als zij leeft,
Als zij sterft, sterf ik met haar.
Grote Zeus, red haar, red haar,
Of ze zit in haar sluier gehuld aan uw voeten,
En telt op haar vingers de hele eindeloze
Lijst af van haar kwalen.
2.
Persefone en Dis, Dis heb genade,
Er zijn al genoeg vrouwen daar beneden,
meer dan genoeg mooie vrouwen,
Iope en Tyro en Pasiphae en de nette meisjes
Van Achaia,
En uit het Trojaanse, en uit Campania,
Dood heeft ze allemaal te grazen,
Avernus lust naar ze.
Schoonheid is oneeuwig, niemand heeft altijd geluk;
Traag of lichtvoetig, dood draalt maar een enkel seizoen.
3.
Appel, mijn oogappel,
je bent maar net heelhuids ontsnapt.
terug naar de dans van Diana,
en breng je geschenken,
Voldoe je gelofte van nachtwakes
voor de maagdelijke godin;
En stel mij ook schadeloos:
De tien nachten samen die je me beloofd hebt.
AantekeningenRombi: zie IVDe maan: De gedachte is dat heksen de maan tegenhouden.De roep van de uil: Een voorteken van de dood.Avernus: De onderwereld.Persephone en Dis: De koningin en de koning van de onderwereld.Iope: Misschien voor Antiope, Theseus' vrouw, of de dochter van Aelus.Tyro: Neptunus' geliefde.Pasiphae: De vrouw van koning Minos van Kreta, de moeder van de Minotaurus.Achaia: Voor 'Griekenland.'Campania: Eigenlijk de streek ten zuiden van Latium.Diana: De maangodin, Apollo's maagdelijke zuster. Propertius: 'Breng Diana het offer van de dans, en houd een wake voor Io.'
X
Appel, mijn oogappel, ik zwierf rondbij nacht en bij ontij,
En aangeschoten,
en zonder een knecht ten geleide,
En een troep jochies, kleintjes, kwam me tegemoet.
Wat voor jochies? Ik weet niet,
Ik durf niet een aantal te noemen
En een paar van hen zwaaiden met toortsjes,
en anderen met pijlen,
En de rest van hen sloeg me in ketens
en ze waren piemelnaakt, het hele stel,
En één had het stevig te pakken.
'Die woedende juf,' zei hij,
'heeft hem ons in handen gegeven.'
En de strik gleed om mijn nek.
En een ander zei: 'Pleur hem maar in het midden.
Hierheen met hem, hierheen.'
En weer een ander riep er doorheen:
'Hij wil ons niet aanzien voor goden!
En ze heeft op hem zitten wachten,
de klootzak, in haar nieuwste negligé,
import uit Sidon,
En gedrenkt in parfums, niet mooi meer!
God weet waar hij uit heeft gehangen!
En ze hield haar ogen niet meer open.
Zet dat op zijn kerfstok.
En nu, vooruit!'
En zo kwamen we bij het huis.
en ze gaven weer een ruk aan mijn mantel,
En het daagde, en ik wilde zien
of ze alleen was en rustte;
En ze lag alleen in haar bed, Cynthia.
Ik was perplex,
Ik had haar nog nooit zo mooi gezien,
Zelfs niet in haar fraaiste creaties.
Zo keek ik er tegenaan, ja, net
uit mijn visioenen ontwaakt,
En je moet constateren dat de zuivere vorm
haar pluspunten heeft.
'Je bent er vroeg bij met je inspectie van je maîtresse,
Denk je soms dat ik jouw levenswandel aan heb genomen?'
Op het bed geen spoor van een
liefdesduel,
Geen spoor van een andere bijslaap.
En ze vervolgde:
'Nee dus, geen incubus heeft me beslapen
Ook al is de spirituele wereld berucht om zijn geilheid,
En nu ga ik naar de tempel van Vesta...'
Etc.
En sinds die ochtend heb ik geen nacht van genot
meer gekend.
AantekeningenEen troep jochies: Amores.Sidon: De stad in Phoenicië, beroemd om zijn purperen verfstoffen.Incubus: Een boze geest die geslachtelijke gemeenschap heeft met een vrouw.Vesta: De Romeinse godin van het haardvuur, van de huiselijke haard en (vandaar afgeleid) ook van de eendracht en de veiligheid in de staat.
XI
1.Steeds weer door je lichtzinnigheid
Gekwetst,
Hier hang ik, minnaars vogelschrik.
2
Een uitweg! Jij gek, een uitweg bestaat niet.
Vlucht als je wilt naar Siberië,
verlangen zal je er vervolgen.
Al verhef je je in de lucht, op het vergulde
zadel van Pegasus,
Al zouden je Perseus' veren sandalen
Optillen door de splijtende lucht,
Voor jou is er in Hermes' hoger sferen geen schuilplaats.
Want Amor staat op je. Amor ment minnaars,
Een zwaar gewicht op een vrije nek.
Wat ontvlucht je? De stad? Nee, onze ogen.
Je doet niets. Ja, ijdele plannen tegen me smeden.
En... o, o, genoeg!
Bij bedauwde grotten,
De muzen klampen zich vast aan de wanden,
aan bemoste rotsrichels:
Zeus' seksuele escapades in vroeger dagen,
De verbrande Semele, en Io, hopeloos verdoold...
O, de vogel die opvloog van Iliums daken!
Ida sliep met een herder, bedreef de liefde
tussen de schapen.
Zelfs daar geen uitweg,
Noch het strand van Hyrcanië, noch op zoek naar
de kusten van Eos.
Maar alles vergeten voor één nacht als jouw speeltje…
Ook al tippel je op de Via Sacra
met een pauwenstaart als waaier.
AantekeningenSiberië: Propertius noemt de Tanais, de Latijnse naam voor de rivier de Don. Ranaus is misschien veroorzaakt door een onopgemerkte, of genegeerde drukfout.Pegasus: Het dichterspaard.Perseus: Hermes leende Perseus vleugels bij diens poging de Gorgon te doden.Hermes: De Romeinse god Mercurius, die de lucht doorkliefde als de boodschapper van de godenAmor: De god van de liefde.'Laat de mensen toch praten': Cynthia is aan het woord.Sparta: Het koninkrijk van Menelaus, de echtgenoot van Helena.Venus: Een toespeling op het verhaal hoe Venus door haar echtgenoot Hephaestus werd betrapt op overspel met Mars, gevangen in een net, en tentoongesteld aan de verzamelde goden.De vogel: Jupiter werd verliefd op Ganymedes, de zoon van Tros, en roofde hem in de gedaante van een adelaar.Ida: Op de berg Ida verleidde Paris Oenone.Hyrcanië: De streek ten zuiden van de Kaspische zee.De kusten van Eos: Waar de zon opkomt: Eos was de godin van de dageraad.Via Sacra: de hoofdstraat van Rome, die langs de tempel van Vesta liep: een plek waar zich prostituees ophielden.
XII
Wie o wie zal zijn meisje nog aan eenvriend toevertrouwen!
Liefde strookt niet met fijngevoeligheden:
De goden hebben hun verwanten beschaamd;
Iedereen wil de granaatappel voor zichzelf.
Kalme, beminnelijke mensen storten zich
halsoverkop in duels;
Een Trojaan, een echtbreker, kwam tot Menelaus
onder de verplichtingen van gastvriendschap;
En dan die kwestie in Colchis,
Jason en die vrouw in Colchis.
En trouwens Lynceus,
je was dronken.
Kon je zo'n bandeloosheid verdragen?
Ze stond niet bekend om haar trouw;
Maar een mes in mijn rug, een fikse beker vergif -
Liever dat, beste jongen, mijn beste Lynceus,
Broer, broer van mijn leven, van mijn beurs, van mijn zelf...
In één bed maar, enkel en alleen in één bed, amigo,
ontzeg ik je recht op verblijf.
Ik zou van Zeus niet minder verlangen.
En jij maar schrijven hoe Acheloüs met Hercules worstelt,
Over Adrastus' paarden, grafriten voor Achenor,
En maar aankomen met navolgingen van Aeschylus!
En al maak je een puinhoop van Antimachus,
Nu heb je Homerus ook al op je lijstje.
En dat terwijl meisjes maling hebben aan goden!
Van al die jonge vrouwen niet één
die stilstaat bij de oorsprong der wereld,
Bij de oorzaak van maansverduisteringen,
Bij de vraag of er maar dát van ons rest
Als we over de Acheron zijn,
of een blikseminslag is voorbeschikt,
Of bij welke grote levensvraag ook...
In de modder bij Actium is Vergilius Phoebus' gezagsdrager.
Hij houdt de lijst bij van Caesars schepen;
Hij dondert over Ilium,
Hij rammelt met Aeneas' Trojaanse wapens
En stapelt voorraden op Lavinische stranden.
Uit de weg gij Romeinen,
Ontruimt de straten, o Grieken,
Want een grotere Ilias staat in de steigers
(En op bevel van de keizer!);
Uit de weg, gij Grieken!
En jij, je volgt hem ook 'in de Phrygische lommer:
Thyrsis en Daphnis snijden rietfluiten;
En de tien zonden die jonge maagdjes bedreigen;
Gunsten in ruil voor een bokje, zwellende uiers;
Lekker liefdesaffairetjes kopend met appels.
Tityrus had dezelfde meid kunnen bezingen;
Corydon flirt met Alexis
Net als de boer zelf, en lui uitgestrekt in het koren
Laat hij de loftuitingen van
Verdraagzame hamadryaden over zich heen gaan.'
En zo maar door en maar door, de oude Poot is er niets bij:
'Biezen begroeien de vlakte en druiven de helling.'
En dan ik, aan mijn vingers bleef niet veel hangen;
Ik had geen generaal als grootvader.
Ik triomfeer tussen dametjes van twijfelachtige zeden,
Mijn talent toegejuicht aan hun feestdis.
Ik word geëerd met de kransen van gisteren.
En de god snijdt tot het been.
Als een goedgedresseerde schildpad zou ik
Verzen maken in jouw stijl, Maro, als zij dat wenste
En bij haar man verzachting van 't vonnis bepleitte,
En zelfs zo'n schoftenstreek zou me
Niet veel applaus opleveren
Als ik geleerd was, of hartstochtelijk,
Want het nobele gepeupel verdraagt niets onder
het eigen niveau.
Sonoor moet je zijn, sonoor en weerklinkend
…als een gans.
Varro zong van Jasons tocht,
Varro van zijn grote liefde, Leucadia,
Er zit muziek in die verzen; en de ongegeneerde Catullus
Van Lesbia, Helena's weerga;
En ook op Calvus' purperen pagina's,
Calvus die rouwt om Quintilia,
En die nu, onlangs, zong over Lycoris, Gallus,
Schone, overschone Lycoris -
De Styx met zijn wateren depte de wonde;
En nu Propertius over Cynthia, tussen hen staat hij zijn man.
AantekeningenEen Trojaan: Paris, die Helena verleidde.Colchis: Toespeling op de tocht van Jason en de argonauten om het gulden vlies te halen. Colchis is een landstreek ten oosten van de zwarte zee. De vrouw uit Colchis is Medea.Lynceus: Een fictief karakter, een rivaal van Propertius.Acheloüs: Een riviergod die twee maal vocht met Hercules om de hand van Deianira.Adrastus' paarden: Adrastus was een koning van Argos, leider van de 'Zeven tegen Thebe.' Na de nederlaag ontsnapte hij op zijn paard Arion, dat zou hebben gesproken aan het graf van Archemorus (hier onder de naam Achenor).Aeschylus: De oudste Griekse tragediedichter (ca. 525 - ca. 456 v. Chr.).Antimachus: Griekse schrijver (ca. 400 v. Chr.), auteur van de Thebaïs.Actium: De plaats waar Augustus Marcus Antonius versloeg in 31 v. Chr.Aeneas: Trojaanse held, hoofdpersoon van Vergilius' Aeneis.Lavinische stranden: De stranden van Latium, de landstreek rond Rome.Een grotere Ilias: Namelijk de Aeneis.Bevel van de keizer: Vergilius voldeed aan de vraag van Maecenas en Augustus naar vaderlandslievende poëzie. In tegenstelling tot Propertius.De Phrygische lommer etc.: Toespelingen op Vergilius Eclogae. In boek VII zegeviert Thyrsis in een zangwedstrijd over Daphnis.Tien zonden: Propertius: 'Tien appels kunnen een meisje verleiden.'Tityrus, Corydon, Alexis: Figuren uit Vergilius' Eclogae. Tityrus is wel opgevat als een zelfportret van Vergilius. Corydon is bij Vergilius een jonge herder die verliefd is op Alexis.Hamadryaden: Boomnimfen.Poot: Propertius noemt de Ascraeïsche dichter, Hesiodus. Het is duidelijk dat Pound geen bewonderaar was van Wordsworth.Schildpad: Een woordgrapje van Pound: het Latijnse testudo betekent 'schildpad' en 'lier.'Maro: Een sneer naar Vergilius: Publius Vergilius Maro.Varro: Latijns dichter, geboren in 82 v. Chr. Hij bewerkte de Argonautica van Apollonius Rhodius. Zijn liefdesgedichten voor Leucadia zijn niet bewaard.Catullus (84 - 54 v. Chr.) is beroemd om zijn liefdesgedichten voor Lesbia.Calvus (82 - 47 v. Chr.): Van zijn gedichten is niets bewaard.Purperen pagina's: Het betreft namelijk rouwpoëzie.Gallus: Cornelius Gallus (69 - 26 v. Chr.) schreef (niet bewaarde) liefdespoëzie voor Cytheris.
CANTUS PLANUS
De zwarte panter onder zijn rozenboomEn jonge herten snuffelen aan zijn flank.
Evoe, Evoe, Evoe Baccho, O
ZAGREUS, Zagreus, Zagreus
De zwarte panter onder zijn rozenboom.
|| Hesper adest. Hesper || adest
Hesper || adest. ||
AantekeningenCantus planus: Een term om de kerkmuziek aan te duiden van voor de komst van de polyfonie, éénstemmige gregoriaanse muziek.Zwarte panter: De panter verwijst naar Dionysus. Misschien op te vatten als symbool van dood en wedergeboorte. In de Aberdeen Bestiary van ca. 1200 (Aberdeen University Library MS 24) is de panter een beeld van Christus: 'Er is een dier, panter genaamd, veelkleurig, uiterst mooi en heel zachtaardig. De Physiologus zegt erover dat de draak zijn enige vijand is. Als de panter heeft gegeten en verzadigd is, verbergt hij zich in zijn hol en slaapt. Na drie dagen ontwaakt hij en brult, en er komt een overzoete geur uit zijn bek, als het ware een mengeling van alle geuren. Als de andere dieren zijn stem horen, volgen ze hem waar hij gaat, alleen de draak wordt gegrepen door angst als hij zijn stem hoort […] Op dezelfde manier redde onze heer Jezus Christus, de ware panter, ons door af te dalen van de hemel en ons te redden van de dood […] .'Fawns: Een fawn is in het Engels een jong hert. Wat meeklinkt is fauns, de veld- en bosgoden van de Romeinen.Evoe Baccho: De jubelkreet van de Bacchanten.Zagreus: Drie keer herhaald, met afnemende nadruk: een van de namen van Bacchus / Dionysus.Hesper adest: Herinnert aan vesper adest (Catullus 62), met dezelfde betekenis: 'de avond valt'.
POUNDS HOMMAGE AAN SEXTUS PROPERTIUS
I.
Er is met Ezra Pounds Homage to Sextus Propertius iets bijzonders aan de hand. De titel presenteert het gedicht als een eerbetoon aan Sextus Propertius, de Romeinse dichter uit de tijd van Augustus (ca. 47 tot ca. 15 voor Chr.). Maar toen het gepubliceerd werd (in de eerste helft van 1919 in een tijdschrift; later dat jaar in de bundel Quia pauper amavi) viel het al snel op dat deze hommage veel weg heeft van een vertaling. Het eerste gedicht van de Homage is gebaseerd op het eerste gedicht van het derde boek van Propertius' Libri Elegiarum maar er worden her en der regels en groepen regels weggelaten die blijkbaar niet in Pounds kraam te pas kwamen, en er wordt ook wel het een en ander bijgedicht. Het tweede gedicht is op dezelfde manier gebaseerd op Propertius III, 3; het derde op III, 16; het vierde op III, 6; en in het vijfde gedicht zijn delen gebruikt van Propertius II, 10 en II, 1. Sommige gedichten zijn ware collages van tekstfragmenten. In het zesde gedicht van de Homage zijn stukken gebruikt uit Propertius II, 13b, III, 5, III, 4, III, 5 en weer II, 13b. Gedicht IX spant de kroon. Het is samengesteld met behulp van I, 15:1-3; II, 30a:l-8; II, 32:18-28 en 31-34; II, 30b:26-30; II, 32:35-26; II, 30b:20; II, 32:29-30 en II, 24b:11 en 14.
Bij nadere bestudering blijkt dat Pound zich ten opzichte van zijn Latijnse voorbeeld vergaande vrijheden permitteert. Callimachi manes et Coi sacra Philetae (Propertius III, 1:1) wordt in Homage 1:1 nog tamelijk getrouw gevolgd met Shades of Callimachus, Coan ghosts of Philetas. III, 1:5,6, 'In welke grot hebt ge de fijne draad van uw lied gesponnen, hoe tradt ge binnen, welk heilig water hebt ge gedronken', wordt krachtig geparafraseerd: Who hath taught you so subtle a measure, in what hall have you heard it; / What foot beat out your time-bar, what water has mellowed your whistles! Maar Pound heeft nog wel sterker in huis. Een aantal regels verderop krijgt Propertius III, 1:15-16, 'Velen zullen, Rome, loftuitingen aan uw annalen toevoegen, door te zingen dat Bactra de grens van uw rijk zal vormen' een fraaie wending met: Annalists will continue to record roman reputations, / Celebrities from the Trans-Caucasus will belaud roman celebrities / And expound the distensions of empire. En wat hiervan gedacht: in het tweede gedicht duikt plotseling, onmiddellijk achter de speer der Horatii, een boekenstalletje op van Q.H. Flaccus; en in Propertius' wijnkelder, zo maakt Pound duidelijk, bevindt zich géén frigidaire patent.
Maar het is niet alleen vrijpostigheid jegens zijn Latijnse voorbeeld waaraan Pound zich schuldig maakt. Er zijn ook plaatsen, waar de verdenking rijst dat Pound de Latijnse tekst niet helemaal begrepen heeft. Een meer dan eens aangehaalde passage is die in het eerste gedicht, waar hij Propertius laat zeggen dat zijn kelders niet vol liggen met a Marcian vintage - terwijl in Propertius II, 1:14 in feite gezegd wordt dat bij hem het water van het Marciaanse aquaduct niet door fraai aangelegde grotten stroomt. Pound heeft morrend toegegeven dat hij inderdaad even niet aan de waterleiding had gedacht. Maar er is veel meer. Alleen al in het eerste gedicht. Het Cythaeron-gebergte verandert onder Pounds pen in een niet-bestaande figuur Citharaon; de wouden van de Phaeaken worden ten onrechte in lonië gesitueerd; Polyphemus, de cycloop, werd verliefd op de nimf Galathea, oké, maar de 'druipende paarden' waren in Propertius' tekst niet van hem, maar van haar.
Pound heeft zich met zijn werkwijze in de Homage to Sextus Propertius een berg kritiek op de hals gehaald. Vanaf de oorspronkelijke tijdschriftpublicatie heeft hij de wind van voren gekregen, in de eerste plaats natuurlijk om werkelijke en vermeende vertaalfouten. Maar ook de vrijheden die hij zich permitteert, zijn interpolaties, zijn modernismen, werden hem door velen niet in dank afgenomen. T.S.Eliot weet er in 1928, bijna 10 jaar later, blijkbaar niet goed raad mee. Ondanks een aantal lovende opmerkingen, liet hij de Homage weg uit de selectie die hij maakte uit Pounds gedichten. 'Omdat het niet genoeg een vertaling is, en omdat het aan de andere kant te zeer een vertaling is om begrijpelijk te zijn voor any but the accomplished student of Pounds poetry. ' Alleen voor ingewijden. Het lijkt me een typisch Eliot-oordeel. Opmerkelijk is overigens dat Eliot in een Postscript bij de Selected Poems uit 1948 opmerkt dat hij nu met less cautious admiration over de Homage zou schrijven. Long standing increases all things, zal Pound gegromd hebben.
Is de kritiek die men heeft gehad op de Homage op zijn plaats? Het hangt er van af hoe je het bekijkt. Als je de Homage als een vertaling beschouwt, inderdaad, dan is het een vertaling waarop nogal wat is af te dingen. Maar is het een vertaling? Het lijkt me eigenlijk niet. De Homage to Sextus Propertius is zelfs geen navolging, of een vrije bewerking. Het is een authentiek gedicht van Ezra Pound. Een eerbetoon aan een Romeinse dichter, in wie hij een geestverwant, en ook een 'modem' personage meende te herkennen. My job, zo schreef hij later, was to bring a dead man to life. To present a living figure. Pound heeft in een dramatische monoloog een personage Propertius geschapen, en hij heeft daarbij als bouwstof gebruik gemaakt van de gedichten. Dat hij die interpreteert, er aan toevoegt, er uit weglaat, en dat hij fragmenten op een volstrekt eigen, eigenzinnige manier met elkaar verbindt, het zijn legitieme procédés. Zelfs Pounds vertaalfouten hoeven hem, vanuit dit gezichtspunt, niet te worden aangerekend. We zijn even niet geïnteresseerd in een filologisch betrouwbare weergave van Propertius’ poëzie; we willen van Pound zelfs geen historisch verantwoord beeld van de Romeinse dichter. Pound grijpt, met soevereine minachting voor de details van de betekenis, uit Propertius' gedichten de elementen waarin hij zijn hoofdpersoon tot leven ziet komen: hij is een dichter en als dichter schept hij voor ons zijn eigen onvervalste, en onfalsifieerbare Propertius.
En die Propertius is interessant genoeg. Pound heeft van hem, precies zoals hij wilde, een springlevende figuur gemaakt. Iemand met inleefbare gevoelens, gedachten en ervaringen. Een ironicus, een sarcast, een man met een flinke dosis zelfspot. Het is een beeld dat een interessant licht werpt op Propertius' elegieën. Maar het is natuurlijk in de eerste plaats een fascinerende creatie van Pound. Een personage waarin je zonder moeite iets van Pound zelf herkent. Van zijn eigen onconventionaliteit; zijn energie; zijn typerende melancholie. Van zijn spontane, eigengereide, enigszins halfgare, maar wat mij betreft – ondanks zijn merkwaardige politieke opvattingen – hoogst sympathieke persoonlijkheid.
2.
Pound is, denk ik, vooral een meester van het korte gedicht, in kort bestek komt zijn kracht het beste naar voren. In het epigram, met feilloze, haarscherpe observaties, bijna korzelig van trefzekerheid: Suddenly discovering in the eyes of the very beautiful Normande cocotte / The eyes of the very learned British museum assistant. In het fascinerende, kristalhelder geformuleerde beeld: The apparition of these faces in the crowd; / Petals on a black wet bough. Pound op zijn best is vaak zo helder dat hij bijna prozaïsch is, met een toon van sarcasme waaronder permanent een heel eigen melancholie - ik zou bijna zeggen weemoedigheid - voelbaar is. Zoals in een gedicht waarin een zigeuner ten tonele wordt gevoerd, op weg naar Clermont, die de dichter vraagt: Have you seen any others, any of our lot/ 'With apes or bears'(...) The-wind came and the rain, / And mist clotted about the trees in the valley,/ And I'd seen a lot of his lot.../ ever since Rhodez / Coming down from the fair of St. John, / With caravans, but never an ape or a bear.
Gedichten van Pound hebben vaak een collageachtig karakter. Beelden, gedachten, flarden dialoog, citaten worden naast elkaar gezet, associatief verbonden, maar zonder dat de verbinding duidelijk wordt aangegeven. Sprongen in tijd of in ruimte worden niet geëxpliciteerd. Vaak ontstaat daardoor een indruk of er verschillende stemmen spreken, elkaar aanvullend of tegensprekend, ironiserend; op elkaars opmerkingen voortbordurend of ze een andere kant op drijvend. Het effect kan hallucinerend zijn: The salmon-trout drifts in the stream,/ The soul of the salmon-trout floats over the stream / Like a little wafer of light.// The salmon moves in the sun-shot, bright shallow sea...//As light as the shadow of the fish that falls through the water,/ She came into the large room by the stair,/ Yawning a little she came, with the sleep still upon her.// 'I am just from bed, the sleep is still in my eyes./ Come. I have had a long dream. '/ And l: 'That wood? / And two springs have passed us.' / 'Not so far, no, not so far now,/ There is a place - but no one else knows it - / A field in the valley.../ Qu'ieu sui avinen / leu lo sai.' // She must speak of the time/ Of Amaut de Mareuil, I thought, 'Qu'ieu sui avinen ' // Light as the shadow of the fish / That falls through the pale green water.
In The Cantos, zijn magnum opus, gaat Pound net zo te werk. Ook hier warrelende collages van beelden, dialoog, citaten. Op veel plaatsen levert dat verbijsterende, en onvergetelijk mooie poëzie op. Maar in het grote werk komen, vrees ik, ook Pounds zwakke kanten genadeloos aan het licht. Zijn grilligheid. Zijn onwil, en zijn onmacht, om te componeren, om een eenheid te scheppen. Pound is de man van het moment. Van de onweerstaanbare inval. Van de betoverende beelden. Een totaalconcept waaraan al dat moois ondergeschikt is, past hem niet. En je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat hij ook niet in staat is het te ontwerpen. Aan het eind van zijn leven schijnt Pound een vernietigend oordeel te hebben uitgesproken over de Cantos: I botched it. I picked out this and that thing that interested me, and then jumbled them into a bag. But that's not the way to make - a work of art. Het is een hard oordeel. En het doet geen recht aan de fraaie poëzie die in de Cantos te vinden is. Maar Pound legt hier, naar het mij voorkomt, wel de vinger op de zere plek.
3.
Ook de Homage to Sextus Propertius is typisch een collagegedicht. Dat blijkt natuurlijk vooral uit de manier waarop de tekst is opgetrokken uit Propertius' elegieën. Maar ook op een ander niveau, in de bewerking van de fragmenten, vind je voortdurend wat karakteristiek is voor Pounds manier van werken: de bruuske wendingen en het zonder verbinding naast elkaar zetten van tekstelementen. Pound is niet alleen verantwoordelijk voor deze kenmerken. Voor een belangrijk deel zijn ze al in zijn Latijnse voorbeeld te vinden. Het is Propertius' eigen karakteristieke 'springerige stijl' - ongetwijfeld een van de redenen waarom Pound zich tot de Romeinse dichter voelde aangetrokken. Maar Pound accentueert de springerigheid van zijn voorbeeld in niet geringe mate. Het is soms of zijn Propertius 'met stemmen spreekt' - een soortgelijk door elkaar praten en elkaar in de rede vallen van stemmen als ik hierboven signaleerde.
In de Homage is de functie van deze glossolalie vooral ironiserend. Al dadelijk in het begin van gedicht I is dat zichtbaar. Na de vijf eerste, hooggestemde regels, valt de 'ik' zichzelf in de rede met een reeks retorische vragen. In de tweede strofe komt de wending naar ironie. De stem die de 'melodie' inzet, wordt al na twee regels onderbroken door een koor van plagerige stemmen ('wij houden...', 'een nieuw type kar...', 'een jonge muze...', 'maar een snelweg...') - om in strofe 3 de draad van het sarcasme onverstoorbaar weer op te pakken. En zo maar door. Op een vergelijkbare manier, maar ook op allerlei andere manieren. In IV bijvoorbeeld in de stem die door Propertius' berisping van Lygdamus heen praat ('veel conversatie is het bezit van een huis waard'); en in V, waar een serie platte sententies benadrukt hoe clichématig de verontschuldigingen zijn die Propertius aanvoert voor het mislukken van zijn epische aspiraties ('zelfs de poging is al lofwaardig' enz.). Soms is maar moeilijk uit te maken wie waar precies aan het woord is. Zoals opnieuw in IV, waar de weergave van Lygdamus' woorden, Lygdamus' weergave van de woorden van de geliefde, en Propertius' eigen sarcastische commentaar in elkaar over gaan. Of in het begin van het tweede deel van XI, waar het lijkt of Propertius achtereenvolgens zichzelf toespreekt, zijn geliefde toespreekt, en zichzelf en zijn geliefde in dialoog opvoert.
Doordat bij deze extreme springerigheid de eenheid van stof bewaard blijft, leidt Pounds werkwijze in de afzonderlijke gedichten van de Homage nergens tot onsamenhangendheid. Al komt de compositie soms flink onder druk te staan, op zijn eigenzinnige manier weet Pound tot en met het dronken gestamel van de Cantus Planus waarmee het gedicht wordt afgesloten de spanningsboog in stand te houden. Het resultaat is een reeks gedichten, die voor mij tot het mooiste horen wat de Amerikaanse dichter geschreven heeft.
Jos Houtsma
Geen opmerkingen:
Een reactie posten