vrijdag 9 oktober 2026

Het bestiaire

 

Orfeus’ hofstoet

Het Bestiaire van Guillaume Apollinaire met de houtsneden van Raoul Dufy,

Vertaald door Jos Houtsma


Orfeus

Apollinaire: Orphée


Bewonder, lezer, zijn magie,
de vorstelijke melodie:
dit is de toon waarop het licht vibreert,
zoals ons Hermes Trismegistus leert.

Schildpad

Apollinaire: La Tortue


Mijn vingers grijpen als bevlogen
in mijn Thracische lier, en zie
hoe door dit schildpadhuis, dit lied,
elk dier tot dansen wordt bewogen.

Paard

Apollinaire: Le Cheval



Ik zal je berijden met mijn strenge dromen,
je in het trekzeel spannen van mijn lot,
het leidsel waar ik je mee in zal tomen
is het volmaakte vers dat je me ontlokt.


Kasjmiergeit

Apollinaire: La Chèvre de Tibet


 

De vacht van deze geit, en zelfs de vacht
die Jason eertijds tot in Colchis bracht,
zijn van nul en generlei waarde bij
de gouden lokken waar mijn hart naar smacht.

Slang

Apollinaire: Le Serpent



Je hunkert, vriend, naar vrouwenschoon,
hoe menig edel vrouwspersoon
hielp je niet naar de ratsmodee!
Cleopatra, Eurydice,
en ik weet er nog wel een of twee.

Kat

Apollinaire: Le Chat


Ik wens me een huis, een vrouwtje dat
haar plaats kent, boeken en een kat.
En vrienden om mijn lot te delen
zodat ik me niet hoef vervelen.

(Vertaler heeft van deze zegen,
slechts huis en boeken meegekregen,
in vriendschap ziet hij weinig brood,
zijn vrouw is mondig, de kat is dood,
niettemin is hij tot op heden
met zijn bestaan niet ontevreden.)

Leeuw

Apollinaire: Le Lion



O leeuw, o toonbeeld van onwaardig lijden,
gevallen vorst, moet je in deze tijden
voor het vertier van de Germaanse horden,
in een Hamburgse Zoo geboren worden?


Haas

Apollinaire: Le Lièvre


Wees niet, als minnaar of als haas,
steeds bang, en toch steeds op de taas.
Veel beter: laat uw vruchtbaar brein
als een hazin steeds drachtig zijn.

Konijn

Apollinaire: Le Lapin




Ik weet een knijntje heel geheim,
ik wou dat het van mij mocht zijn.
om mee te spelen in de tijm
in het land van heerlijk samenzijn.

Connin, ‘konijn’, is ook een woord voor het vrouwelijk geslachtsdeel.

Kameel

Apollinaire: Le Dromadaire



Don Pedro met zijn vier kamelen,
Don Pedro van Alfaroubeira,
trok door de wereld, tralalaleira,
en niets wat hem een cent kon schelen.

O, had ik ook maar vier kamelen!

De 15e-eeuwse infante van Portugal, don Pedro d’Alfaroubeira maakte een wereldreis met 12 metgezellen en vier kamelen

Muis

Apollinaire: Le Souris


O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt:
al achtentwintig en nog steeds
elke inspanning te veel gevraagd.

Of:

O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt,
al achtentwintig en geen schijt
tot stand gebracht, echt godgeklaagd!

Of beschaamd toegepast op de vertaler:

O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt:
al zoveel jaren met pensioen
en nog geen wereldreis gemaakt!

De olifant

Apollinaire: L’Eléphant


Ik ben een olifant, behoed-
zaam draag ik in mijn mond mijn goed.
Purper is niets! Ik koop mijn glorie voor de
pasmunt van zoetgevooisde woorden.

Orfeus 

Apollinaire: Orphée

Ziehier, het ongedierte geeft
acte de présence: al wat leeft
en wat krioelt: insecten, teken,
microben, wonderen waarbij
de wereldwonderen verbleken
en Pia Beck de moord kan steken.

Rups

Apollinaire: La Chénille


Door noeste vlijt, mijn dichtersbent,
verwerft men glorie ongekend.
Laat ons dus, om ons ooit te ontpoppen
als vlinders, nu als rupsen kroppen.


Muggen

Apollinaire: La Mouche



Ons muggendom kent melodieën
die ze in het hoge noorden leren
van neven, knutjes, de geheime
goden van de beijsde meren.

De vlo

Apollinaire: La Puce



Vlooien! Mijn vrienden! Mijn vriendinnen!
Wat wreed zijn zij die ons beminnen!
Voor hen vergieten we ons bloed.
Bemind te zijn is bitterzoet.

Sprinkhaan

Apollinaire: La Sauterelle


 

Dit is de sprinkhaan onvolprezen
die ‘t voedsel van Sint Jan mocht wezen.
Ach mocht mijn vers op eender wijze
het puikje van de mensheid spijzen.

Orfeus

Apollinaire: Orphée




Uw herte zij het aas, uw visvijver de hemel,
o zondaar! Want geen vis in ‘t visrijke gewemel
zo fraai van vinnen of van smaak zo uitgelezen
als deze zoete vis, mijn toeverlaat, mijn Jezus.

De dolfijn

Apóllinaire: Le Dauphin

Voor J.A.






Al ben ik soms ook blij van zin,
het leven valt niet mee.
‘k Ben een dolfijn, ik buitel in
een hachelijke zee.

Medusa

Apollinaire: La Méduse






Medusa’s, jammerlijke koppen,
die met uw violette lokken
u rond laat rollen op de storm
uw rollen inspireert enorm!


De inktvis

Apollinaire: Le Poulpe






Die zich verbergt in wolken inkt
en ‘t bloed van wie hij liefheeft drinkt,
wellustig tot de laatste snik:
dit walgelijk gedrocht ben ik.

De kreeft

Apollinaire: L’Écrevisse






De crisis heeft zich uitgebreid:
mijn liefdesloon de hele tijd
beweegt zich in een kreeftengang,
stapje voor stapje achteruit.


Karpers

Apollinaire: La Carpe






Onder uw pompebladen lijkt
u te ontsnappen aan de tijd.
Is u de dood misschien vergeten,
vissen van mijn neerslachtigheid!

Orfeus

Apollinaire: Orphée







De wijfjes van de halkyonen
en Amor zelf en de sirenen
zingen onmenselijke canzonen
en dodelijke cantilenen -

Veel fijner is het te aanhoren
de onsterfelijke engelkoren!

De sirenen

Apollinaire: Les Sirènes






Sirenen, wist ik maar waar gij naar smacht
als ge uw leed klaagt in de ontleegde nacht!
Ik ben een zee, door stemgedruis bevaren,
en de zingende schepen zijn mijn jaren.


De duif

Apollinaire: La Colombe






O geestelijke duif, die onbevlekt
ons onze lieve Jezus hebt verwekt:
Maria heet mijn lief, gelijk het uwe.
Moge het mij vergund zijn haar te huwen!

De pauw

Apollinaire: Le paon






Zie hoe de pauw zijn verenkleed,
dat doorgaans op de aarde sleept,
tot een rad slaat, en ongewild
zijn lelijk achterwerk onthult.

De uil

Apollinaire: Le Hibou







Mijn arme hart, gelijk een uil
die aan een schuurdeur is gepind,
is leeggebloed, vertrapt en vuil.
En ik aanbid wie mij bemint.


Ibis

Apollinaire: Ibis






Ik zal de onderaardse poort
doorgaan, de dood, het is beschikt.
O wreed Latijn, o vrees’lijk woord:
Ibis die in het Nijlslib pikt.

Het rund

Apollinaire: Le Boeuf






Het rund: een cherubijn. Hij zingt
van paradijs, van engelkoren
waar wij, als god ons goed gezind
is, vrienden, ook to
e zullen horen.

donderdag 8 oktober 2026

Zwarte wijn


Tegen de wind in


Het is weer helemaal mis.
Insecten dansen
tegen de wind in. De mezen
vechten om aandacht. Er fladdert
een haastige vlinder voorbij,

op weg van niets
naar helemaal niets.


Ballet


Aan de droogmolen van de ochtendzon:
er hangt een zomerjurkje tegenover
een vest van mij. Verdienstelijke klonen
van wie we zijn? Misschien een beetje sloom?
Een beetje lusteloos? Wat is het warm!

Maar dan waait er een briesje door de tuin,
een windje uit het oosten, en er zwermt
een wolkje witte muggen uit een arm

en kringelt op, als rook, of nee, als stoom,
en vindt een toevlucht in de kersenboom.


Er zitten duiven in de hazelaar


Niet tien, niet vijftig, maar wel honderd takjes
hebben ze rondgestrooid tijdens het bouwen
van deze fokking nestje, maar van eitjes,

geen sprake van, alleen dat nu en dan
met veel gefladder, he, met veel gezwatel
tussen de bladeren verdwijnen en

dan weer tevoorschijn komen met een takje
of misschien wel twee takjes in hun snavel.


Heimelijkheid


Toch weer bedrogen, toch weer achter tak en blad
verborgen een slordig nest, waar later in april
jonge duiven uitvliegen, goed gevoed,
met fraai glanzende, bijna paarse veren.

Weer de hele zomer dat zelfingenomen stappen,
de hele godganse zomer dat pronken met
de triomf van hun lompe heimelijkheid.


Zomer


Zomer, de schaduw
van een kauwtje scheert over
de deur van de koelkast.


Hoe de kauwtjes heten


De kauwtjes voor het huis die op het gras
de stront oppikken van de honden als
de eigenaars dat even zijn vergeten -

de honden hebben allemaal hun naam
maar wie o wie weet hoe de kauwtjes heten.


Honden


Honden, net slim genoeg om te beseffen
dat ze wat minder slim zijn dan hun baas,
maar slimmer dan de kauwtjes in het gras

De kauwtjes, in het gras, tellen hun knopen
en laten hond en baasje rustig lopen.


Zaterdag


Je staart
de zaterdag onvervaard in de ogen.
Niemand wijst, niemand
vraagt, niemand wacht. Je laat

de ochtend als een vis
door je vingers glippen.
De middag rinkelt
ongebruikt voor­bij.

De avond, de avond versla je als
een tot in detail ongelezen krant.


In de kersenboom


In de kersenboom, in de zon,
bekvechten pimpelmees en hommel: on-
gelijke strijd en niemand weet
waarom, of wie begon, alleen
maar wáár: de kersenboom, de zon.


Augustus


Een rood met gouden vlinder in de tuin
fladdert radeloos rond. Wat moet ze doen?
Ze is maar net ontpopt, de poeder op
haar vleugels is nog nat, en ze wil paren.

Maar waarom? En met wie? Ze is maar klein,
weet ze, haar hartje is wel rein,
maar kijk, de wereld groot.

Te groot. Het zonlicht in
het struikgewas is een duister geheim.

Zij volbrengen hun taak


‘Vlinders zijn zenuwenlijders’, zei
de ijsverkoper, maar ik wist wel beter.

Zij drinken nectar, vlinders, en ze houden
van pastelkleuren en van de ijzige geuren van

de ijssalon. Ze willen
in de zon vliegen, maar waar is de zon?

Vlinders zijn zenuwenlijders? Ze laten
zich omhelzen door de wind, de regen.

Ze laten hun eieren rijpen. Ze zetten ze af.
Er vormen zich rupsen…


Recueillement

Zomeravond aan de Hazeweide

Overdag heeft de wereld geen geheimen,
de dingen zijn gewoon zoals ze zijn.

De muren zijn de muren, tegels tegels,
de boom de boom, de kersen opgegeten,

en wat er in haar ogen is te lezen
wordt tot de kleinste kleinigheid berekend.

Maar ‘s avonds, als het licht begint te slijten,
de muren trekken zich behoedzaam samen,

schoenzolen schuren op het tegelpad
en in de kersenboom ritselt het duister -

je bent niet geschikt om iets te begrijpen,
elk spoor van werkelijkheid sluit je buiten.


De tijd verstrijkt


De tijd verstrijkt, de merels in de tuin
tikken het ijzer van de avond
aan met hun kleine hamers en de buren

sluiten hun deuren. In de kamer maakt
de realiteit weer plaats voor de schijn.

Bloemen pronken in geglazuurde vazen,
het televisiescherm lekt leuterpraat.

We drinken zwarte wijn uit grote glazen.


Op het raam


Nu is het herfst geworden en
de regen en de wind striemen het raam en
waar moet de vlinder heen die gister is ontpopt?
Blind botst ze op de ruit en op
de ruit en op de ruit.
Waar moet ze heen?
Wanneer?
Waarom?


There must be some way out of here

November

Kamer vol kwakende trombones, Bach
gespeeld op de gitaar, en Richard Strauss

struikelt over de dansvloer. Futloos sleept
de dag zich voort, totdat al vóór vier uur

het eerste akkoord van de avond gloort.
Morgen weer vroeg op pad! Het weerbericht,

net nog gezien, is een lust voor het oog:
de hele dag wisselen zon en wolken

elkaar af, maar waarschijnlijk dreigt het droog.


Waar is de pastavork

Pasta met kappertjes.

Tien over zes.
De rode pastavork,
blozend verstopt hij zich
achter de lepels.

Kwart over zes.
Bijna half zeven.
Lieverd, o lieverd,

geen spoor van beweging.

Bestiaire extra

 

Procyon lotor


Een wasbeer in de Duitse stad Erfurt werd op een Kerstmarkt slapend aangetroffen onder een prullenmand, waarna hij slingerend wegliep, kennelijk ‘in beschonken staat’ . Vermoedelijk had hij zich tegoed gedaan aan restjes glühwein uit weggegooide bekertjes - NRC december 2020.

Toen Salomé danste en Johannes sprak
totdat men hem ruw onderbrak
en zijn hoofd deponeerde op een schaal,
waar was de wasbeer toen helemaal?
Waarschijnlijk lag hij laveloos
te slapen in een lege doos.

Vervolg

Een wasbeer die zich heeft bezat
aan glühwein of ander geestrijk nat
blijft, zoals zulke dingen gaan, 
op de lijst van beschermde dieren staan.


Publiek 2021



Geen reden tot paniek?
Het afgestompt publiek,
aan gruwelen verslaafd,
kijkt op zijn Netflix-scherm
terwijl de wrede wolf
over het fietspad draaft.


Roodkapje 2022




Diep, heel diep in het bos ligt oma met
grote corona-oren in haar bed.
De boze wolf is terug, Roodkapje! Loop
niet met je seksualiteit te koop!


Stand van zaken augustus 2024


De wolven zijn de Heuvelrug ontgroeid.
Hun welpen spelen in het weiland, morgen
in onze straten, onze tuinen. Wie
durft dan nog iets te zeggen van hun stank
of van het boos gekef op onze bank!

Schapen



De schapen dringen in hun kooi
bang bij elkaar, ze voelen zich,
ondanks schaaplievend tijdsgewricht,
en ondanks overvloed aan hooi,
misschien wel schaap, maar meer nog prooi.

Panthera













De panter ademt uit een zoet
dat alle dieren smachten doet,
naar Jezus, door hem uitgebeeld,
die ons het eeuwig zoet uitdeelt.

Wildebeest



Wie weet, o wildebeest, waar hij naar dorst,
die zandkleurige leeuw daar aan uw borst!

Denkt u dat leeuwen als ze zich vervelen
het liefst met wildebeesten willen spelen?

Eenhoorn

De eenhoorn in een meisjesschoot
tuimelt in slaap en vindt de dood.
De les voor minnaars? Wees beducht
voor ieder spoor van sluimerzucht.



 

De kraanvogel










Mijn vogel kraan, mijn stoere gast,
houdt heel de nacht een steentje vast
als andere kranen slapen.

Hij is de herder, houdt de wacht
over zijn kudde in de nacht,
zijn schuldeloze schapen.


Krokodil
















De krokodil eet graag een mens,
maar daarna snottert hij intens
en blijft het zelfverwijt hem plagen
tot het einde van zijn levensdagen.

O liefste lief, had je maar tijd
voor een heel klein beetje zelfverwijt!

Hydra


De Hydra laat zich als ze dat wil
opeten door een krokodil
en scheurt hem als ze weer weg wil lopen
(zegt Bestiaire) van binnen open.


(Voor elke afgehakte kop
springen twee nieuwe koppen op
wat haar zowel verkeerd geraakt
als aartssymbool van roddel maakt.)


Ruisvoorn








In hun domein
van roerloos schemerlicht
zijn zij het wisselgeld
van onze lust.


Kikker

















De kikker leeft en teelt
zich voort in angst en vrees
voor de fatale witheid van
zijn vlees.

Paling











Palingen in hun palingpoel
bewegen zeer op hun gevoel:
de lokroep van de oceaan
zegt hun wanneer ze moeten gaan.


Gedaan uit liefde


Deze giganten



À MARAT in statige
Romeinse kapitalen op
het bijzettafeltje geverfd. DAVID.
L’An II. Het Classicisme gaat hier
hand in hand met de Romantiek.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde.
De revolutionair – of houden we
het op “de journalist” of “de pamflettist”? –
hangt in zijn bad alsof hij onverhoeds
door een orgasme is geveld, de pen
niet aan de krachteloze hand ontglipt,
het laatst geschreven document nog in
een dode klauw. L’Ami du Peuple,
vereeuwigd door De Schilder. Fascinerend.

Maar is er kans dat door de inzet van
deze giganten de geschiedenis
alsnog een draai zal maken…?

De tijd der Jakobijnen


Zal – nee – de tijd der Jakobijnen is
voorbij, een ander slag bepaalt
nu onbetwist het uitzicht
op de Place de la Concorde.

Bedrog in het belang van de zaak
is norm geworden, als straatvechters
beloeren de grote mannen elkaar –
en de grote vrouwen – vanachter
de façades van hun vriendelijkste gezicht.

Daar schiet een arm uit, daar een voet,
en als er eentje moord en brand schreeuwt als
een ander hem een keer te vlug af is,
dan leidt dat enkel tot hilariteit.

Gedaan uit liefde


Charlotte Corday - handen plakkerig
van bloed dat al begint te stollen, dat
naar roest ruikt in deze vochtige ruimte -
Charlotte Corday rent weg in paniek.

Bij de deur kijkt ze handenwringend om:
ze rukt aan haar verpleegsterschort die ook
al helemaal onder de vlekken zit.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde,
denkt ze met dichtgeknepen keel, en: is
wat is gedaan nog ongedaan te maken?

Protestbijeenkomst in het stadsplantsoen


Protestbijeenkomst in het stadsplantsoen.
Terwijl een vakbondsfunctionaris spreekt
wijzen de borden treurig naar beneden
en alle spandoeken hier zijn verbleekt.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde.
Onder de stoffige sandalen wordt
het laatste beetje groen vertrapt. Verslapt
daardoor de waardigheid van ons protest?

Nee! Elke spriet die we met voeten treden
zal later, als ons recht gedaan is, nieuw
elan krijgen en opstaan als na regen.


Picknicken in het Hengstdal

Over sterfelijkheid

De camera staat midden in het gras
op een statief. We laten een voor een
het eten in de steek en wandelen

er quasi-onverschillig even heen
en kijken door de zoeker. Licht en lucht
sluipen haarscherp door een doolhof van lenzen,

een wirwar van landschap is er te zien,
met overal plukjes kinderen, die
bij de frambozen aan het werk zijn of

met grote stokken zwaaien en kaarsrecht,
met opgeheven kin, paadjes aflopen.

En in de verte achter de bomen, wijst
een kleine, slanke kerktoren streng
naar een imaginair punt in het zwerk.

Strawinsky (in Finland)


De geur van zeep is bijna tastbaar en
van vers hout in de dageraad

en op gymschoenen lopen de kinderen over
een dik tapijt van dennennaalden.

‘s Avonds, de schemer sluit de dingen in,
de vossen stappen op de planken, zachtjes,
zachtjes, en krabbelen aan de deur.

O zoete lente! O zoete lente!

Aan de conferentietafel


Maar jij, je wrijft je in je handen,
Lenny V., als je praat, je bent
een hogepriester met de hogepriesters,
tussen boterhametende acolieten en
de varkenscyclus heeft voor jou geen geheimen.

Je bent een boer, je keurt de aarde van
je woorden zodat je kunt raden of
wat je zegt wel rijkelijk vrucht zal dragen.

Gedaan uit liefde? Ja, natuurlijk. Ja, je bent
Edith Cresson niet! “Als de vijand ons
bestrijdt,” zei Mao, “is dat goed, niet slecht;

wanneer hij ons doortastend tegemoet
treedt, ons beschimpt, ons tot de grond
toe afbreekt, dan is dat nog beter:
want het betekent niet alleen

dat we er in geslaagd zijn ons terrein
tegen hem af te bakenen, het leert
ons bovendien dat onze arbeid is
bekroond met schitterend succes.”

Pride


De dagen staan in het teken
van de mislukking en de nachten zijn wit
van bittere afgunst. Je jong zijn bleek
after all tijdelijk van aard, de daden

die de goegemeente verstomd doen staan
zijn uitgebleven. Ook de dood zal op
de lange duur – daarvoor kun je je hand
wel in het vuur steken – niet zijn te ontlopen.

Vrolijkheid, er zit niet veel anders op,
onnozel enthousiasme, een tutu
waar je u tegen zegt, maillots waarin
een lam geslacht te grabbel hangt, de straat
een week lang jouw domein voor je je weer
in het gareel schaart van de duitendieven.

Vrolijkheid, vrolijkheid, het kan niet op.
Maar niet heus. De onsterfelijkheid was
je speelveld, elke gooi een gooi naar roem,
elke mislukking een mislukking. Is
wat is gedaan, vraag je bij elke daad,

achter je gekerfde wang, je dunne mond,
onder je onbarmhartig gekortwiekte haar,
je grimmig af, gedaan uit liefde? Is
wat is gedaan nog ongedaan te maken?

L’ami du peuple


“Gedaan uit liefde”, denk je en je drukt
voor de zoveelste keer een sigaret uit op
het schoteltje van de geranium
terwijl je, met een kromme rug op je
keukenstoel zittend, door het raam staart waar
de straat nog net zo pijnlijk wit en leeg
in het zonlicht ligt als steeds.

L’ami du Peuple ?
Ja, jazeker, reken maar. En Le Libérateur!
El Salvadór! De man met het pistool
vervaarlijk op de slaap gericht:
zo zagen ze hem het liefst, en als hij zei:
“uw dienaar of de dood!”, wat denk je dat
ze riepen, het schoelje!

Gedaan uit liefde. Wat er is gedaan
is niet meer ongedaan te maken. Maar
wie zegt dat hij niet lang voordat de dag
ten einde is op zijn knieën ligt om met
de tranen in de ogen, reuzendoder,
vergiffenis te vragen aan de koning!

Niet ongedaan


Charlotte Corday - handen plakkerig
van bloed dat al begint te stollen, dat
naar roest ruikt in deze vochtige ruimte -
Charlotte Corday wandelt rustig weg.

De trap af, door de gang. Ze legt het mes
op de stoel naast de deur, ze strijkt haar schort
recht, en ze wacht op wat er komt.

Gedaan uit liefde wat er is gedaan
en wat gedaan niet ongedaan te maken.
En na de avond komt de nacht en na
de nacht de kille ochtend. En wanneer

ze onder de guillotine wordt gebracht,
geeft ze geen krimp. Haar mooie hoofd zal met
stijf op elkaar geknepen lippen en
met droge ogen vallen in de mand.


Bespiegelingen bij Davids ‘Dood van Marat’ in het Brusselse Musée des Beaux Arts. Charlotte Corday: de vrouw die Marat doodde. Edith Cresson werd in 2006 schuldig bevonden aan ‘favoritisme’ tijdens haar ambtsperiode als lid van de Europese Commissie; El Salvadór: zo werd Johan Cruyff naar het schijnt genoemd in Barcel
ona

maandag 5 oktober 2026

Nog wat Heine


Und bist du erst mein ehelich Weib

Wanneer je met me bent getrouwd,
dan ben je te benijden.
Je krijgt al wat je hartje begeert,
mag elke dag uit rijden.

En als je me ten diepste grieft,
zal ik in stilte lijden.
Maar als je wat ik schrijf niet blieft,
laat ik me van je scheiden.

Sie saßen und tranken am Teetisch

Er werd vanmiddag getheed en
over de liefde gepraat,
de heren waren estheten,
de dames zeer delicaat.

“Voor mij is liefde platonisch”,
sprak de gortdroge ambtenaar.
Zijn vrouwtje glimlacht ironisch,
maar zucht gehoorzaam: “Echt waar?”

Kanunnik zegt vastberaden:
“Goed, liefde, maar wel op niveau,
men moet zijn gezondheid niet schaden.”
De freule lispelt: “Hoe zo?”

Mevrouw de gravin zucht weemoedig:
“De liefde, die sleept ons ja mee”,
en overhandigt deemoedig
meneer de baron een kop thee.

Wat jammer toch dat er, mijn schatje,
voor jou geen plek was gedekt:
wat smakelijk, lieveling, had je
niet over je liefdes gekwekt!

Die Loreley

Ik weet niet waaraan ik moet wijten
dat ik zo treurig ben;
een sprookje uit oude tijden
dat komt mij steeds in de pen.

De lucht is koel en het schemert,
en rustig stroomt de Rijn;
de top van de berg die fonkelt
in avondzonneschijn.

Het mooiste juffertje zit er
daar boven, wonderbaar,
haar gouden sieraden glimmen,
ze kamt het goud van haar haar.

Ze kamt met een borstel van goud en
ze zingt er een liedeken bij;
dat heeft er een wonderlijke,
een machtige melodij.

Het schippertje in zijn scheepje,
gegrepen door wild verdriet,
hij kijkt heel de tijd in de hoogte,
de klippen die ziet hij niet.

Ik meen, aan het eind van het liedje,
dat schipper en scheepje vergaan;
en ja, dat heeft met haar zingen
de Loreley gedaan.


Zoete broodjes

“Zodra iemand je aankijkt, doet het wonder
van zijn persoonlijkheid zich aan je voor,”
zegt de kanunnik deftig. De gravin
kijkt eerst de kat uitvoerig uit de boom.

Heel anders is het meisje van de bakker.
Als je bestelling klaar is, kijkt ze hoe
je met de munten haspelt, en ze schuift je

zo maar een van haar zoete broodjes toe.

Dichterliebe

1. In mei die wonderschone maand 

In mei, die wonderschone maand,
als alle knoppen springen
begon zich in mijn hartje
de liefde op te dringen.

In mei die wonderschone maand
als alle vogels zingen
toen moest ik wel proberen
om haar voor me te winnen.


2. Ach uit mijn tranen komen 

Ach, uit mijn tranen komen
de mooiste bloempjes voort,
en soms wordt in mijn dromen
de nachtegaal gehoord.

En als je me liefhebt, dan krijg je
die bloempjes allemaal
en voor je venster zal klinken
het lied van de nachtegaal.


3. De roos en de lelie, de duif en de zonne 

De roos en de lelie, de duif en de zonne,
daarmee is mij ooit alle liefde begonnen.
Ik min ze niet meer, ik min enkel de mijne,
die ene, die kleine, die fijne, die reine,
zij zelf van alle liefde bronne,
ze is roos en is lelie, is duif en is zonne.


4. Als ik je in de ogen kijk 

Als ik je in de ogen kijk,
dan nemen lief en leed de wijk,
maar met mijn lippen op je mond,
dan voel ik me pas echt gezond.

Als ik mij koester aan je borst
voel ik me als een hemelvorst,
maar als je zegt: ik heb je lief,
dan moet ik huilen als een dief.


5. Ik wil mijn zieltje dopen 

Ik wil mijn zieltje dopen
in de kelk van de leliebloem,
en dan zingt de lelie het liedje
van wie ik de liefste noem.

En dat liedje, dat liedje zal beven
als het kusje van haar mond
dat ze mij ooit heeft gegeven
in een zoete avondstond.


6. Daar spiegelt zich in de golven 

Daar spiegelt zich in de golven
van de Rijn, die statige stroom,
het grote, heilige Keulen,
met zijn grote Keulse Dom.

En in die Dom daar zie je
een beeld, geschilderd op leer,
en op mijn verwoeste leven
daar kijkt het vriendelijk neer.

En bloemen en engeltjes zweven
om Onze Lieve Vrouw
en de ogen, de lippen zijn even
precies zoals die van jou.


7. Al breekt mijn hart, ik voel geen wrok, mijn lief 

Al breekt mijn hart, ik voel geen wrok, mijn lief,
Geen wrok mijn lief, omdat je me verliet,
Al sta je ook in praal van diamant,
geen straal die in je duister hart belandt.

Ik droomde van je, ik heb mijn les geleerd:
ik zag de nacht waarin je hart verkeert,
en in dat hart een slang die aan je vreet,
ik zag, mijn liefste, dat je bitter leed.


8. En zouden de bloempjes weten

En zouden de bloempjes weten
hoe bitter doorwond is mijn hart
ze zouden tranen vergieten
tot heling van mijn smart.

En zou er de nachtegaal weten
hoe treurig ik ben en hoe bang,
hij zou voor mij doen klinken
zijn opgewekte gezang.

En kenden ze mijn lijden,
de sterretjes, waar ze staan,
dan kwamen ze naar beneden
en zouden me troosten gaan.

Maar nee, zij kunnen niet weten,
maar eentje die kent er mijn smart,
die zelf uiteen heeft gereten,
uiteen heeft gereten mijn hart.


9. Met spel van violen en fluiten 

Met spel van violen en fluiten
en onder trompetgeschal
daar danst er mijn allerliefste
als bruidje het bruiloftsbal.

Daar schetteren en daar dreunen
de pauken en de schalmei
en intussen snikken en steunen
mijn engeltjes voor mij.


10. Hoor ik het liedje klinken 

Hoor ik het liedje klinken
dat de liefste dikwijls zingt
dan lijkt het mij of mijn hartje
van verdriet in stukken springt.

Dan drijft mij een donker verlangen
diep in het woeste woud
waar ik in overgroot lijden
mijn tranen niet meer houd.


11. Een jongen houdt van een meisje 

Een jongen houdt van een meisje
dat van een ander houdt;
die ander wilde een ander
en is met haar getrouwd.

Het meisje, van pure woede,
trouwt de eerste de beste kloot
waar ze tegen aan komt gelopen;
de jongen wil wel dood.

Het is er het oude liedje,
maar het is nooit passé,
en mocht het je overkomen:
je hartje dat breekt je in twee.


12. Een lichte zomermorgen 

Een lichte zomermorgen,
ik wandel een straatje om,
en de bloempjes fluisteren zachtjes,
ik echter, ik houd me maar stom.

De bloempjes fluisteren zachtjes
en hebben er medelij van:
“Niet boos zijn, hoor, op ons zusje,
jij, treurige, bleke man!”


13. Ik heb in mijn slaap liggen schreien 

Ik heb in mijn slaap liggen schreien,
ik droomde je lag in je graf
en toen werd ik wakker, de tranen
die maakten mijn wangen nog nat.

Ik heb in mijn slaap liggen schreien,
ik droomde je liet me alleen,
en toen werd ik wakker, ik schreide
nog heel lang stil voor me heen.

Ik heb in mijn slaap liggen schreien
en ik droomde je maakte het goed
en toen werd ik wakker en schreide
nog altijd in overvloed!


14. Ik zie je in mijn dromen de hele nacht 

Ik zie je in mijn dromen de hele nacht,
ik zie je mij vriendelijk groeten,
en hardop snikkend werp ik mij
neer aan je lieve voeten.

Je schudt je blonde hoofdje en
je kijk je me weemoedig aan en
uit je lieve oogjes druppelen
de pareltjes van je tranen.

Je geeft me de tak van een cipres
en je laat me zachtjes iets weten.
En dan word ik wakker, de tak is weg,
en je woorden ben ik vergeten.


15. Uit oude sprookjes wenkt je 

Uit oude sprookjes wenkt je
een leliewitte hand.
Daar zingt het en daar klinkt het
over een toverland

Daar komen grote bloemen
in de gouden avond uit
die naar elkander lachen
met het lachje van de bruid.


En groene bomen zingen
hun zoete liedjes in koor
en de fonteinen klinken
en vogeltjes zingen erdoor.

En nevelflarden rijzen
omhoog uit de vochtige grond
en dansen in luchtige reien
zoals nog nooit vertoond.

Met mooie blauwe lichtjes
zijn takjes en twijgjes versierd
en rode lichtjes worden
in cirkels rondgezwierd;

en de heldere bronnen breken
uit marmerstenen zwaar
en in de wilde beken
straalt alles wonderbaar.

Ach kon ik daar maar komen,
verheugen dat harte mijn,
al mijn verdriet ontnomen
en vrij en zalig zijn!

Dat land, ach, van extase,
waar ik in mijn dromen dwaal!
Maar bij het ochtendgloren
verwaait dat allemaal


16. Die bange oude liedjes 

Die bange oude liedjes
die boze dromenmist,
we zullen ze begraven,
begraven in een kist

Wat ik er in wil stoppen
daaruit kan ik nog niet wijs,
maar de kist moet groot genoeg zijn
voor Holle Bolle Gijs.

En dan een lijkbaar halen
van planken dik en klam
die moet nog langer wezen
dan de Grevelingendam

En haal me dan vier reuzen,
die moeten sterker zijn
sterker dan sint Christoffel
in Keulen aan de Rijn.

De kist gaat naar de zee toe,
daar zinken ze hem af
want bij zo’n grote lijkkist
daarbij hoort een groot graf.

En wil soms iemand weten
waarom is die kist zo groot:
ik leg er al mijn liefde in
en al wat mij verdroot.

zondag 4 oktober 2026

Zwanen van Nederland 10

 

Semper idem


Sinterklaas 2015


Winderig is het en boven de stad
schieten de sterren hun koude licht af.
De vrouwen, die hun boodschappen gedaan
hebben, lopen, met klikkende hakken,
- er hangen drie, vier tassen aan hun armen –
door de donkere straten terug naar huis.


Rotsbodem is hier niet


Rotsbodem is hier niet - of beter: rots
vind je pas op een kilometer diepte.
Overdag zijn we onvervaard in touw,
proberen, net als iedereen, de boel

naar onze hand te zetten, vaste grond
onder de voet te houden zonder te
veel averij. Dan wordt het avond en
kijken we in de krant, verongelijkt,
gekweld door onbestemde schuldgevoelens.

“Elektronicaketens onder druk.”
“Voor je dertigste op de top van je
carrière, maar wat dan?” “Kan Groot-Brittannië
niet zonder de EU, of andersom?”
De vos verliest zijn haren, niet zijn streken.
Voor de ingang van de kast dansen de bijen.

En ‘s nachts, in onze dromen, komen we
in weidse beursgebouwen onszelf tegen,
en maken we, met dichtgeknepen kelen
wegkijkend, ondoorgrondelijke deals.


Semper idem


Semper idem, dat moest ons motto zijn,
niet Via eensgezindheid groeien
geringe zaken, want geringe zaken blijven
altijd gering. Verbaasd bekijken we

het dringen en drijven van wat uit het ei
gekomen is, bedenken dat zich dit
in het oneindige herhaalt, net als het gras
dat afsterft en weer opkomt, fluitenkruid

dat worstelt voor zijn plek, en weer verdwijnt
zonder een spoor van spijt. Alles wat leeft
herleeft voortdurend, vecht voor licht en blijft
alleen doordat het dringt in evenwicht.

Semper idem.
En zo ook met ons zelf.
Zoals we zijn, zijn we gedoemd te blijven.
Onze veranderzucht zelf draagt het teken
van onvermurwbare onveranderlijkheid.

Het bestiaire

  Orfeus’ hofstoet Het  Bestiaire  van Guillaume Apollinaire met de houtsneden van Raoul Dufy, Vertaald  door Jos Houtsma Orfeus Apollinai...