zaterdag 17 oktober 2026

Portretten 5

 

Zelfportret met pluimen

Admiraal van de wereldzeeën mag ik mij
noemen en vice-roy van alle landen
die ik ontdek. Zo ga ik scheep. Mijn handen
tasten onrustig langs de reling. Ach,

mijn koninkrijk! Niet zonder trots betreed
ik het kasteel en ik kijk uit
over mijn kudde zeilen. Ik tik op
het glas van het kompas. De meeuwen krijsen.
Onder mijn laarzen kraakt het verse eikenhout.

In Pálos slapen de vrouwen
onder de olmen,
de kinderen sterven of groeien op
en verliezen hun tanden. Ik vaar langs

de koperen band van de evenaar
en schreeuw mijn orders naar mijn ongelikte
scheepsvolk. Ik ben onwrikbaar. Ik

brandschat Bantam, en ik terroriseer
maandenlang de ongelukkige Molukken.

 

Met naakte billen

Toen Columbus in 1492 vertrok om India te ontdekken, had hij een brief bij zich voor de grote Khan, met een vrome verklaring voor zijn komst.

 

“Als we Jerusalem niet mogen winnen,

laat het dan Indië zijn, waar we ons

 

als zwijnen wentelen in rijkdom. Laat

ons, als het Heilig Graf ons moet ontgaan,

 

met harde hand, heer, tot uw mammon bidden.

Als god niet met ons is, willen we althans

 

met naakte billen in het zilver zitten.”

 

Vasco da Gama

1.

Vasco da Gama kwam in Calicut

en zette er zijn lading op de kade:

honing en olie, mutsen, Hollands laken,

 

maar de Calicutanen waren niet

onder de indruk, zeiden ze, want zie,

de armste scharrelaars uit Mekka kwamen

 

met mooiere cadeaus. De Portugezen

lachten bescheiden in hun baard. Ze strelen

het weerbarstige brons van hun kanons.

 

Geen reden om zich nader te verklaren,

dit is gewoon de eerste stap. Er varen

 

hierna meer schepen uit, veel meer. We zullen

hun rijkdom oogsten. En ons zaad niet sparen.

 

2.

Overal onderweg, weet je, dat zelfde

neerbuigende gedrag! ‘De handelswaar

voldoet niet aan de normen.’ ‘Is goedkoop.’

‘Is onaantrekkelijk.’ Ja. Goed. Misschien.

 

Maar deze expeditie laat iets zien

waar ongelovigen geen weet van hebben:

echte meedogenloosheid. Zeuren mag,

maar wie hun tegenwerkt, maken ze af.

 

3

De terugreis is een ramp. De meesten dood en

de rest zozeer onder de indruk van

dat grote sterven dat ze nauwelijks

nog praten. En hun kleren zijn versleten

door zon en zee. Maar ze zijn niet vervaard.

 

Ze dromen van een liefdeseiland waar

heidense nimfen hen ontvangen en

dat ze de weg erheen geopend hebben

voor Portugese schepen. En ja, ooit

zullen ze in Calicut terugkomen, maar

dan in fluweel gehuld en goudbrokaat,

 

en onverschillig langs de kramen lopen

om aan te wijzen wat ze willen kopen.

 

 

Anno 1445

1.

Waar goud als kool, als peen, groeit in het zand

en wordt geoogst door naakte negerinnen,

 

zingend en dansend in de dageraad,

daar zullen wij ook heen gaan, zullen wij,

 

onze zweep achter onze rug verborgen,

ons zaad niet sparend, bij de dageraad

 

op onze eigen wijs dansen en zingen.

2.

Zingend en dansend in de dageraad,

het vuige goud weegt zwaar in onze zakken,
de oogst waarvoor we woonplaatsen verbranden -

 

denken we dat we nog te leven hebben?

of denken we dat we nooit zullen sterven?
 
Als achter onze rug de trommels stampen
en voor ons vormen er zich flarden rook,
 
draaien we aan onze dikke gouden ringen,

en dansen we onze dagelijkse dood.

3.

De mensenhandel is in deze tijd

iets heel anders dan nu: wie taalt er nu

 

nog naar het zielenheil van wie er op

de zwarte markt komt, maar toen schonk een prins

 

aan ieder schip banieren: kijk, het kruis

van de Orde van Jezus wappert fier

 

boven de hoofden, kroes en sluik, die hier

samen zijn in gebed.

Maar geen kwartier!

 

Het stamhoofd dat hen komt begroeten doden

ze in een handomdraai, met droge ogen.

4,

Exacte catalogisering wat

er wordt gekocht en tegen welke prijs

 

is wél van eminent belang, omdat

er altijd ingekocht wordt voor de kroon,

 

en omdat een vast aandeel in de winst,

als boetedoening voor wat uit de hand

 

gelopen is, aan priesters wordt verspild.

 

Toelichting

1.

Door tucht en transcendentie kregen we

voet aan de grond in Afrika en door

het schrikbarende knarsen van ons ijzer.

 

Grimmige kleine engelen waren we,

zoals we over de bospaden krioelden,

met helm en borstkuras en de musket

 

over de schouder. Bij het lopen maakten

we dwarse grappen over onze heiland,

 

de goede heren heiligen en de

allerbeminnelijkste maagd Maria.

2.

We telden niet de blaren op de hielen

van onze hoeren, noch de lijken die

we oogstten, wetend: wat we moeten lijden

 

is te verwaarlozen bij vergelijking

met de ontzaggelijke winsten. Zingend

en grappen makend trokken we van dorp

 

naar dorp, overal dopend, dodend,

en onbarmhartig onze prijs afdwingend.

3.

“Haha, we zullen uit de schedel drinken

van onze vijanden, een ketting van

 

hun tanden zullen we ons rijgen, van

hun ellepijp maken we ons een fluit

 

om onze marsmuziek te blazen, dansen

zullen we bij het tromgeroffel van

 

trommels die zijn bespannen met hun huid!”

 

Anders

Zoals de schepen op de rede rijden,

reden wij op de raadselachtigheid

van deze zwarte vrouwen, zo verschillend

van onze eigen vrouwen, zo hetzelfde.

 

Alleen dat ze ons lachend in de vinger

beten wanneer we klaarkwamen, was niet

of nauwelijks begrijpelijk voor mannen

die van de schandelijkheid van hun daden

zo diep doordrongen zijn als wij toen waren:

 

het leek soms wel of ze oprecht verlangen

om onze Portugese vrucht te ontvangen.

 

Portretten 4


Enter the Dragon

Hongkong 1970

De smiecht

in zijn sampan. Hij kauwt
zijn kauwgom. Alle schepen
hebben gezichten.
Hij negeert ze.

Luie kinderen 1970

Luie kinderen
met bolle wangen
hangen over de reling.

Nieuwgierige ogen
volgen
alles wat beweegt.

Enter the Dragon

Bruce Lee danst, huppelt, Bruce
Lee borrelt, bruist, Bruce Lee
trippelt door de tuin. Bruce Lee

knikt naar de meisjes,
welopgevoed beweegt de draak
zich achter het hek-
werk, ritselt, schraapt. Bruce Lee

schudt de waterval van
zijn blauwzwarte haar.

Enter the Dragon, de laatste film vóór de dood van Bruce Lee in 1973.


Vier Maigrets


Vier Maigrets
voor het Centre Pompidou
en de opgewekte ochtend
strooit duiven
over het plein.

Vier Maigrets en
alle vier wijzen
ze vastbesloten vooruit:

daar ligt de sleutel,
daar is de deur,

daar
de binnenplaats met
de blauwe regen.


Vier Maigrets


Vier Maigrets, vier,
met zijn vieren aan
een tafel op het terras
tegenover het Centre Pompidou.

Ze drinken een bier,
ze tekenen met
een natte vinger
een pad op de tafel,

een feilloze weg
naar de plot van je hart.


Hun naam


December 1833, op
ongeveer tien mijl van de monding van
de Rio de la Plata, werd de hemel
verduisterd door enorme wolken vlinders.

“Het sneeuwt hier vlinders,” schreeuwde de bemanning
en ze sprongen als gekken rond en graaiden
handenvol vlindervleugels uit de lucht.

“Het was die hele dag mooi weer geweest,”
schreef Darwin in zijn dagboek, “zonnig, wind
uit wisselende richtingen, dus was

het niet aannemelijk dat de insecten
weggewaaid waren van het vasteland,
Ze kwamen hier uit vrije wil.” Hun naam

was legio. Maar bij zonsondergang
stak er een bries op uit het noorden en
zo vonden ze de dood, vond de dood hen.

"Legio" is een toespeling op het Bijbelverhaal over de Gadareense zwijnen. Ik las Darwins observatie en zag plotseling hoe je met een kleine verandering iets zichtbaar kon maken dat verborgen zat onder zijn feitelijkheid.


Prestidigitateur

Eric Satie, Parade


Hij maait het gras
weg voor de voeten van
de lichtgelovige massa.

Glimlachend loodst hij
de waarheid

als een koe op stal,
als
een donker schip
door de nacht.

Jachthoorns

Guillaume Apollinaire, Cors de chasse


Voornaam maar wreed is ons verhaal
als het masker van een tiran.
Geen grootse daden, geen kabaal,
en niets van wat ons overkwam
maakt wat er is gebeurd banaal.

En Thomas de Quincey drinkt van
zijn zoete opium en vindt
als in een droom zijn weg naar An.

Voorbij, voorbij. Maar zeer bemind,
ik keer er terug zo vaak ik kan.

Herinneringen: jachthoorns van
heel ver, verwaaiend in de wind.

Thomas de Quincey, auteur van de Confessions of an English Opium Eater, Ann was de prostitué die zich over hem ontfermde toen het water hem aan de lippen stond.

vrijdag 16 oktober 2026

Portretten 3

Patrologie


Voltaire staat
tussen zijn boekenplanken
en lacht zijn kakelend lachje.

Zelfingenomen,
deze Arouet. Hij heeft
alle kerkvaders gelezen,

beweert hij, maar
is alles weer vergeten.

De wereld is,
denkt hij tevreden,
in wezen doodeenvoudig.


L’homme machine

Julien Offray de Lamettrie


Lachend zet je de menselijke machine
in beweging. Deze hendel, deze knop
bedienen het heelal. De sterren vallen

elkaar in de armen. De leegte schrompelt
ineen, verdroogd als een galappel
op een dood eikenblad.

Je blijft bescheiden. Je bent de
menselijke machine, zeg je.
Je eet uit je rechterhand, je linker krabt
aan je geslacht. Je praat, je lacht, je bent

de lachende machine, Lamettrie.
De marktmeester van de filosofie.
De hoveling, de vleier, de komiek.


Alles betrekkelijk

Weimar 1823


Hofraad Rehbein voelt
Goethes pols en vindt hem “monter,
ja zelfs lichtvaardig”. Het hart

van de dichter, zijn logge
runderhart, bonkt verzoenend.
De omstanders knikken,

knipogen en
raadplegen zakhorloges.

In de ruime, de lichte,
de typisch 18e-eeuwse kamer,
heeft de een het 18.24 u.,
de ander houdt het op 18.30 u.

Goethe leefde nog tot 1832


Ancien regime

In het kasteel van de duc de Luynes, in Dampierre, zijn de vrouw des huizes en twee vriendinnen, ergens rond 1895, ten tijde van de affaire Dreyfus, ten prooi aan angst voor de revolutie.

Redouter sans cesse une révolution,
Stendhal, Le rouge et le noir, ii,18


De duchesses De Luynes & De Brissac
en de comtesse De Vogüé
alle drie in verwachting, staan

in de salon als een
school licht verbaasde, licht
verbaasde vissen bij elkaar.

Vlaggen, trommels, de vertoornde ogen
van furies op de barricades!
Half verstikte kreetjes

rijzen als bellen uit
hun mond. Moet dit ons

nu treffen? Ze deinzen
terug achter sofa. Mompelen 'vive la France'.

De overgordijnen roeren
zich statig. Statig roert zich

in
hun schoten hun vrucht.

dinsdag 13 oktober 2026

Portretten 1

Teólogos

Wat koning Filips dacht over de Junta de teólogos die hij
in 1564 instelde na een verzoek van de graaf van Egmont
om de Plakkaten te verzachten


Zachtheid zit in concrete dingen,
in de pels van de haas, in fluweel,
op de huid van een jonge vrouw is zachtheid
een kostbaar, koel geschenk.

Maar in het hart, in besluiten
van staat: geen zachtheid. Hier geldt
enkel juist en onjuist. Wat juist is
is juist, en wat onjuist, onjuist. Hier geldt
slechts gerechtigheid en de goddelijke wet.

Dus benoem ik een junta de teólogos die
de plakkaten niet zal verzachten.

Noch verharden. Mijn teólogos zullen
recht doen. Wat mogelijk krom is
recht maken, wat recht is, rechter.

Hun papier mag het fijnste velijn
zijn, hun pennen zo zacht en soepel
als zij verkiezen, zolang wat zij voorschrijven
recht is, zuiver, ónverbiddelijk recht.

De pels van de haas aan wie
de pels toekomt, en fluweel wie recht
heeft op fluweel. En jonge vrouwen

kibbelend in de kamer, in het licht
van de middagzon, lachend, bordurend...
en kinderen, spelend...
Gerechtigheid en de goddelijke wet.


Young Keats

In het donkere amfitheater
op de eerste rij te zitten en te zien
hoe Billy Lucas zijn onzalig mes
zet in een arme donder, volgegoten
met slechte rum -

Wanneer de eerste onvoorziene plens
zwart bloed op het zink gutst, het eerste hijgen
van schrik, en het eerste gestommel van
onwel geworden nieuwelingen die
naar buiten vluchten, en je eigen hand
tast al onzeker naar je leren
loodgieterstas - waar zijn je klemmen -

en het verband - Lucas wroet onvervaard
verder en legt aan de ontzette zaal
haarfijn ieder onsmakelijk detail
van zijn barbaarse handwerk uit, en de
patiënt duizelt in een delirium
van pijn, of is al dood - is dat de weg

naar dichterschap? Kan wie nu hier zit, ooit
als poet laureate opstaan van tafel
en de lof zingen van laburnum die
bezwijkt onder zijn last van gouden trossen?
of tiptoe on a little hill?

Je slikt
en ademt diep om je onpasselijkheid
te overwinnen, voor je opstaat om
te assisteren. Niets aan je verraadt
je afschuw. Je hebt mooie ogen, en
je haar is ook niet slecht, golvend, roodbruin.
Maar je weet zeker dat je te onthecht
bent voor je taak, te zwakkelijk, te klein.


Sleep & poetry

Na twee of drie uur slapen schrok hij wakker.
Hij wist meteen de plaats: het huis van Hunt,
de sofa in de kamer. IJskoud maanlicht
viel door het venster op de lambrisering,
en op de aalgladde schilderijen die

laatdunkend op hem neerkeken. Om hem heen
de witte gipsen busten van de doden,
Homerus, Ariosto, Tasso, Spenser,
de grote doden die hij nooit kon hopen
te evenaren. Maar opeens - zijn hart sloeg over,
de adem stokte in zijn keel - begonnen
kristalheldere beelden in hem op

te lichten, levensechte beelden: zwanen
zeilden als schepen door het riet; een vlinder
spreidde in het laveloze zonlicht
zijn gouden vleugelpaar over een roos.
En massa’s bloemen. Ongemerkt begon

de taal te zingen, rijmen gloeiden op
en doofden uit, en uit de chaos vormden
zich versregels. Totdat de ochtend kwam
en de eerste vogelstemmen klonken. Toen

de meiden binnenkwamen, om zes uur,
vonden ze hem bij het raam, zijn haar bezweet,
zijn zwarte dichterogen koortsig gloeiend.
Voor hem op tafel het weerbarstig vers
dat zich niet naar zijn handen wenst te voegen.


Jan Willem Pieneman, De slag bij Waterloo

1824, de hertog van Wellington bezichtigt het
schilderij van Pieneman


Voor Arthur Wellesley, de eerste hertog
van Wellington, is er geen aanleiding
voor misprijzen: een beetje heroïek,
is aan een telg van een zo onheroïsch
vorstenhuis wel besteed.

Hij heeft de oude heer wel eens de hand
geschud, de Willem V, de twijfelaar,
en plagend in de dikke buik gepord.
Het enige waar die voor deugde was
meisjes bezwangeren op Hampton Court.

En ook de vader zelf, de Willem I:
wel een soldaat misschien, maar niet bepaald
een vechtjas; eigenlijk een parvenu.
De jonge kwant was in ieder geval
geen twijfelaar. Al vraag je je wel af

of het niet wat al te doortastend was
een bataljon Hannoveranen zonder
herkenbaar plan het kruisvuur in te sturen,
om daarna met zijn dolle kop ook zelf
nog eens tegen een kogel op te lopen.

Maar soit. Eerlijke kruitdamp heeft wel meer,
en ook wel betere mannen het hoofd
op hol gebracht. In elk geval ontbreekt
het de knaap niet aan kin. Zijn lauwe volk
mag in de wolken zijn met deze prins.

 

Portretten 2

 


Heel precies

Suk-trio op vliegtuigtrap


Het Suk-trio bekijkt met exact
het door de Socialistische
Eenheidspartij vereiste mengsel
van milde verbazing en onlust

het kapitalistische dringen en drijven,
de ontucht van de markt die voor
hun ogen wordt bedreven. Deze ochtend
is ondanks zon en wind en het

geruststellende ronken van motoren,
vrij angstaanjagend. Morgen echter, morgen,
in de stille concertzaal, met het strijk-
licht op de instrumenten, zal

de hars hun van de snaren stuiven
wanneer ze Beethoven kastijden.

Een fenomenaal Tsjechisch pianotrio rond Josef Suk, de kleinzoon van de componist. Ze hebben bestaan tot 1990, dus hebben de Wende nog wel meegemaakt.


Jasnaja Poljana

Souvenir d’un lieu cher


Over een lage dijk, langs populieren,
lopen zij in de gele, gele zomer
tot aan het lage witte huis, het lage

witte huis in de weidse steppe: Rilke
en Lou Andreas-Salomé bezoeken
graaf Leo Tolstoj. In hun kelen kittelt,

al ver voordat zij aankomen, het hooi
van onbeschaamde jeugd en wellust, dat
hun wrede hart so unergründlich maakt

voor de bejaarde graaf – die op zijn beurt
hun ook al snel, met de signalen van
zijn echtelijke onmin, het geschreeuw,

het slaan met deuren, auf die Nerven gaat.


Een executie in de vroege ochtend

Mata Hari, Vincennes, 15-10-1917


Ze loopt met kloppend hart
over een oppervlak van sintels.
Onderweg strijkt haar rok
een of twee keer langs brandnetels. Dan staat ze

geblinddoekt in het niets. Ze hoort
door de bevelen van de officier
heen hoesten van soldaten, kraken van leer.


Dan een reeks ongelijk vallende schoten.

Een fiets valt om. Een hand-
vol bange duiven fladdert op.


Vase femme


“De vrouw is een vaas” zegt Picasso
tegen de duiven, en hij maakt
haar kleine zelfingenomen

mond, haar lachende ogen, de bolle
wangen. Hij maakt het kleine
met citrusschijven versierde
Baedeker-voorhoofd. “De vrouw

is een vaas”, zegt Picasso. Dat wel.

Hij drinkt, hij rookt een sigaret. En hij werkt.
Hij werkt van de ochtend tot in de middag,

van de middag tot laat in de avond.


Vingeroefening


“Ravel, not my
piece of cake,” denkt Strawinsky.
Maar toch... Uit zijn oorhoek
luistert hij. “Hm, ja, niet gek,

ja, wel te gebruiken.” Hij trekt
de piano erbij. Terwijl
de parkiet in zijn kooi
op de tralies bijt, haalt

hij het weefsel eerst uit,
dan zet
hij het heel precies
weer verkeerd in elkaar.


Ver meer fecit


Ze niest.
Hij kijkt haar heel lang,
en doordringend aan
met zijn koolzwarte ogen.
Dan schildert hij,

met één vloeiende streek
van een zacht penseel
een helderrood lint
op haar blauwe mouw.

Verbaasd eet zij
een vijg terwijl
hij glans aanbrengt
en zich vervolgens
weer zuchtend begraaft
in haar tere vlees.


 

maandag 12 oktober 2026

In en uit de onderwijscommissie


Ontstaat ambtenaarschap

Bij benoemingen langer dan 6 mnd. ontstaat ambtenaarschap


Half tien binnen, vier uur weer weg, de pauzes
rijen zich uitzichtloos aaneen, iedere prop

wordt zuchtend in de prullenbak gesmeten.
Externen tellen alle uren op.

Zelden, o zelden wordt iets niet vergeten.


Prelude

De Neudeflat.
Aan alle einders hangen
ijskoude buien. Aan
hun bureaus de ambtenaren

schouwen het ei
van hun verlangen.

Later

Later, ze zijn
verstrooid geraakt,
in een ander gebouw
ondergebracht,

het ei
van hun verlangen
rijden ze

langs flexplekken, diep in
dossiers verborgen,

maar niet
minder urgent geworden..


Gemeentedrukkerij

Je klimt omhoog
tussen pallets papier & meisjes
& abrikozen. De helft van
de etages heet tussenetage.

Boven, on top,
in het waterhoofd van de gemeente,

zetelt de chef. Met een listige lach
kijkt hij langs
een afgeschafte sigaar.

(1982)


Platte organisatie

Voor Wim v.d.G.

Allemaal, Wim, allemaal
zijn we socialisten. Allemaal
hebben we het beste voor met de wereld
en met elkaar.

Allemaal zijn we socialisten, armen
in elkaar gehaakt, zingend,
kauwend
op snorren als pruimen.

En onze voetstappen ploegen diep,
diep in de machteloze aarde.


Dag

Sapere aude

De dag is verpletterend.
Niemand kan het zonder haar stellen,
wanneer ze iets niet zelf doet
gaat het verkeerd.

Dus valt ze van overleg
in overleg, luistert aandachtig
naar dingen die ze maar nauwelijks
vat. Ze houdt haar adviezen

zorgvuldig globaal,
probeert ongeschonden
de klok van vijf uur te halen.

‘s Avonds, de kinderen gedaan,
ze bladert nog wat
in juridische vakbladen en
ze rookt een hasjiesj-sigaretje.

Ze gaat laat naar bed.


Drie wegen naar Hockney


1.
Met een blinddoek om
door het bos lopen
tot je iets aanraakt
met je handen.

Dan mag je kijken:
misschien is het een hert,
misschien een zieke koning

van David Hockney.

2.
De bloemen maken
zuigplekken op de ruiten.

De knappe jongemannen
lachen onbewogen, en ook
de andere aanwezigen
vertrekken geen letter.

Was getekend (op eikenhout)
David Hockney.

3.
Maar de beste weg is natuurlijk
als je eerst over de tafel loopt
en dan over een bureau.
Een leeslampje valt om,
je trapt op een
open agenda.

En daar, kijk, voor je
David Hockney, 16.45 u.

Het schilderij van Hockney hing eind jaren tachtig in het stadhuis van Utrecht in de werkkamer van wethouder Cees Pot



Zwanen niet


De dichter in de onderwijscommissie



Je koude ogen
keken me vriendelijk aan, Lidt,
en je lachte je glazen lach.

Maar ik dacht: O, laat me zwemmen,
tussen de zwanen van de Potgietersingel,
laat me roeien,

langzaam roeien met zwarte poten
in het grijsgroene water.

En ik drukte de knop in en sprak
in de bevende microfoon:

“Geen zwanen, nee, zwanen niet,
zwanen komen hier niet.”

James van Lidt de Jeude was in Utrecht wethouder van onderwijs. Een onsympathieke man
De Potgietersingel is in Zwolle.



Oneindigheden

Sapere aude

James van Lidt, de PowerPoint-
koning van Utrecht, de man
die de bloemkoolwijken heeft uitgevonden,
én het buskruit! Hij lacht

zijn kille lach terwijl hij zijn
gehoor van eerbiedige mbo-docenten
op zijn gemak uit de doeken doet hoe het zit:

fractalen en fractalen van
fractalen, die zich in
een eindeloos verschiet herhalen,
als spiegels van de ziel. Applaus!

Hij lacht zijn kille lach,
de wethouder van onderwijs, terwijl
hij, voor de zaal,
en rustig leunend op zijn lessenaar,
op het eind van de oneindigheden wacht.

zondag 11 oktober 2026

Terug naar de jaren tachtig

Reizigster

Terug naar de jaren tachtig

Het leven is een spel

Je loopt de bank binnen. Onmiddellijk
duikt een piepjonge man op in
een onberispelijk kostuum.

Caissières met blond permanent
glimlachen suikerzoet en steken achter
zijn rug een vinger op. Voor je het weet
heb je er een in je armen.

Haar borsten zwaar tegen je overhemd.
“Het leven is geen spel, meneer.” Je knikt
en doet je ogen dicht. Met klamme handen
dans je langzaam met haar tussen de palmen

Rabobank, 
Rijnlaan Vreeswijk

De wetenschap een gedistingeerde heer

Sapere aude

De professoren zitten op hun kamer
achter hoge stapels studieboeken.

In alle gangen spoken
stafmedewerkers rond
en grijnzen heel vreemd naar liften en deuren.

Op weg naar buiten zie je bij toeval
de wetenschap, een gedistingeerde heer
met gele tanden.

Zeg beleefd gedag.

De locatie is het Universiteitscentrum De Uithof. De wetenschap wordt bij deze gelegenheid gespeeld door prof. dr. A Sötemann.

Reizigster

Toen ze terugkwam, was ze niet veranderd.
In de aankomsthal van Schiphol, waar
alle mensen leken te schreeuwen, zag
ze er nog net zo uit als toen ze ging.

Natuurlijk ligt ergens in haar geheugen
verborgen het onomstotelijk bewijs
van het bestaan van de hotels van Tanger,
van Casablanca, met zijn eindeloze

blokken slordige nieuwbouw,
van de roze pleinen van Marrakesh.
Het hijgende praten van menigten mensen
is vast in haar herinnering gegrift,

de hete vlakten en het rode stof,
de voelbare nabijheid van woestijn -
maar verder is ze dezelfde gebleven
die ze altijd al was, en altijd zal zijn.

Ze komt vertellen over haar reis.


Blauwe vlinders

Als we een half uur vruchteloos gepraat
hebben over haar zwangerschapsverlof
(wij zijn veranderd in
handenwringende schooljongens, en zij

in een verlegen fee), is de tijd aan-
gebroken voor de thee. Ze wikkelt met
gevoelige vingers een koekje uit,
roert in haar kopje,
kijkt ons weifelend aan...

Dan lopen we de trap af. Zij voorop,
wij achter haar. We nemen haar parfum
waar als een wolk van vlinders. Blauwe vlinders.

Het is haar eerste zwangerschap, maar onderhandelen kan ze als de beste.


Lachebekje

Stralend in de ochtend van het leven,
lachebekje, lachebekje, en
een kindje in de wieg, waar niemand naar
gevraagd heeft, maar alleen is ook zo naar.

En dan de middelbare jaren. Seks
is welkom maar niet makkelijk te krijgen.
Wel wassen, koken, kind naar school gebracht
en ‘s avonds uren strijken bij t.v.

Is dat het leven? Wel kort door de bocht
he? Voor je kindje groot is, ben je oud.
En alle mooie kleren helpen niet
tegen het verlies van je perzikhuid.

Voor N.N. n.a.v. een telefoontje van haar voormalige minnaar

Careless love 1986

Als ze de kinderen naar de klas gebracht
hebben, blijven ze onrustig in de gang
staan wachten totdat ze als boze schapen
in hun eigen lokaal naar binnen mogen.

De ongeleerde, onbegrepen moeders.
De verongelijkte, ongeduldige moeders.
De moeders met de uitdagende ogen
die van de hoed en de rand willen horen.

Een onderwijzeres, zelf net gescheiden,
of bijna, geeft ze les. Het is een soort
van voorbereidingscursus op de mavo,
zeg maar een nulde jaar. Ze slaan niets over.

Het meeste snappen ze wel want ze hebben
tenslotte in de leerschool van het leven
geleerd. Alleen de Duitse en Franse woordjes
ervoor hebben ze nooit geweten en
voor de wiskunde zijn ze niet geboren.

Maar hoor, daar gaat de bel al, kinderen,
met rode wangen, en de jassen open,
stormen het leslokaal binnen en vliegen
hun in de armen met stralende ogen.

Kinderen, lieve kinderen, wat zullen
we nu eens aan de moeders laten horen?
aan die ongedurige, leergierige moeders?
zal het een liedje zijn van Doe Maar of

Love, oh love, oh careless love...

Loflied op de blueszangeres Bessie Smith.


Zuchtend

Oktober 1983

De radio giechelt zachtjes
Hilversum drie. Op de vensterbanken
stoffige planten.

Zo uitzichtloos. Zuchtend
schuift ze de stofzuiger terug in de kast.

Wanneer, o wanneer kom je haar bevrijden,
heldhaftige soldaat van het rode leger,
met een sigaret van minachting tussen je lippen.

In de blauwe keuken

Een politiek van kleine stapjes
brengt ons bevend
tegenover elkaar.

In de blauwe keuken.
Wie perst deze sinaasappels,
wie drinkt dit sap?

Bessenplukker

Wie heeft de bessen geplukt, wie
heeft ze gegeten?

Wie heeft ze gegeten
in de keuken, bij het aanrecht,
de glanzende rode bessen?

Haar mond is rood
van bessensap,
maar ze aarzelt nog,
wie zal ze kiezen
als ze volgende jaar, in de zomer,
een kindje ter wereld wil brengen.

Zul jij het zijn, bessenplukker, of
iemand anders,
een oplichter, een leugenaar,
iemand die goede sier
maakt met de leegte?

Zwaluwen

“Tja,” zeg je weifelend, en je kijkt in
de spiegel aan de liftwand. Het fineer
heeft zichtbaar pas een schoonmaakbeurt gehad.
“Tja, lastig hoe je je moet kleden bij

dit weer.” “Hm,” zegt ze, en ze strekt haar hand
uit naar de kraag van je colbert en tikt
een stofje weg dat daar is neergedwarreld.

“Heel lastig, ja.” Over je schouder kijkt
ze in het glas. Geen glimlach. Vijf april is niet
een tijdstip dat je al zwaluwen ziet.

2018 – een herinnering aan een vergadering bij het Centrum Vakopleidingen, ergens in de jaren tachtig.


Huid is huid

Een foto van vóór de oorlog


Huid is huid
bij gratie van oneffenheid.
Poriën naast poriën
vormen heuveltjes, vormen
putten. Een puistje bij
de onderlip. Het totaal:

een uitdrukking, korzelig,
kwezelig, zelfingenomen.

Eén brood van
de bakkerskar gestolen.

Bazuingeschal

De Kop van Zuid staat groot en boos
boven de Maas. Huiverend trek je aan
de revers van je jas. De oost
is ver en duister en gewaagd,

onzekere markt, in het westen loert
de zon boven de Waterweg.
Ondanks de kou oranje, goud en blauw
staan overal te koken.
Je kijkt even wantrouwig om je heen.
Is er nog tijd om een sigaret te roken?

Van alle kanten klinkt bazuingeschal.
Engelen dalen neer. Er buigt zich een
gloednieuwe kraan over een terminal.

Sinaasappelschil

Al ben je nog zo vast van plan
je niet meer te laten vertederen
door getailleerde lijfjes
en door zijden linten e.d.,

er hoeft er maar één te bukken
om een stukje sinaasappelschil op te rapen
dat vergeten is bij een plint

of zonder dat je het wilt, komt je hart
als een stoffige amandel uit de dop.

Formulierenboek 1986

Voor Open School

Formulieren gapen me in drievoud tegen
met monden waarin de tanden ontbreken.
Geen tijd voor masturbatie. Ik schuif aan
de tafel. Vul ze weliswaar niet in,
maar ieder formulier wordt ondertekend.

Open School staat voor een in 1988 ter ziele gegane vorm van volwasseneneducatie. I.t.t. de gewone dichte school. Het gedicht gaat uiteraard over schuld.


Klein koperkwartet

Zoetgevooisd zijn misschien de meisjes
die op een rij zitten, in de les,
maar zoetgebekt, o zoetgebekt,
de trompetten, blatend naar de ochtend
in Ravels kleine koperkwartet.

Tot enkele Haarlemse dames

die bij een zeker sollicitatiegesprek met voorname nieuwsgierigheid informeerden naar zijn gedichten.

Geachte dames, uw zeer dikke, doch
uitermate beschaafde, zelfs verfijnde
nieuwsgierigheid verleende mijn arme gedichten
een distinctie waarop ik niet

had durven hopen. Onder
de lage zon van vier uur,

eet ik uw gebak, dames,

eet ik uw gebak
met een flonkerend vorkje.
 

Oktober

Hölderlin, Hälfte des Lebens

Halfweg het leven.
Rijpe peren
en wilde rozen.

Zwanen roeien
behoedzaam over
de zwarte vijver,
dompelen zwijgzaam
het hoofd
in het heilige water.

Dan komt de winter.
Muren staan sprakeloos,
koud. In de wind

kletteren vanen.


Portretten 5

  Zelfportret met pluimen Admiraal van de wereldzeeën mag ik mij noemen en vice-roy van alle landen die ik ontdek. Zo ga ik scheep. Mijn...