vrijdag 18 september 2026

Een passende kerker

 Een passende kerker

“Beaumarchais, een bizarre figuur.
Beaumarchais ja, de man
van de Figaro. Heel bizar. Intrigant,
speculant, advocaat. Bezéten
van recht, of beter gezegd van processen.

Dit is de achttiende eeuw he.
U weet dat hij stierf
net voor de eeuwwende?
De verlichting ja. Alles,
dit huis, deze kamer, zelfs

het licht van die brave zon,
danken we aan dat tijdperk,
dat beste van alle tijdperken. Maar
om op Beaumarchais terug te komen,
een uiterst bizarre figuur.

Leest u toch zijn Mémoires. U weet
dat hij eens, na een verloren proces,
op zijn weg naar buiten,
al weer een geschil had?

Over een kwestie van voorrang.
Ja, op de trap meen ik, op de trap
van het Palais de Justice. De man
was onstuitbaar.

Hij keerde dadelijk om
voor een aanklacht.
Én won zijn proces.

Hij bezocht me
dikwijls, toen ik nog jong was.
In dromen. Maar toch. Te gevaarlijk.

Het leek me verstandig,
hem op te sluiten. In mijn Clavigo.
U slaat het maar na. Twee passages.
Een passende kerker. Haha.

1808

Hij heeft Napoleon ontmoet

‘”Wij Duitsers moeten ons niet in onszelf
terugtrekken, wij moeten ons, desnoods
ten koste van onze gevoelens, zelfs
van onze rechten, op de wereld richten. Op
sociale deugden.” Zegt de Grote Man.

Zegt hij gebiedend. En zijn vinger tikt
op tafel. De aanwezigen, verschrikt,
buigen het hoofd. “Tegen de overheid
ingaan is kinderachtig. Is vulgair.”

Hij pakt een koekje van de schaal en propt
het in zijn mond. Hij voelt zich solidair.


Over vrije ontplooiing

“Welnee”, zegt Goethe monter,
zegt Goethe in 1829, “wie wil er

uit een toestand van vrije ontplooiing,
van frisse lucht, verkwikkend zonlicht,
nu terug naar de knop! He? Terug
in zo’n somber, benauwend omhulsel!”

“Denk aan het voorbeeld,” vervolgt hij,
“van de plant” (van die en die plant),
“die na bloei & vrucht gewoon, vastberaden
verder groeit. Nou, nou, wat zegt u?”

Applaus. De dichter lacht eens en veegt
met de mouw van zijn zwarte kostuum
de kruimels van tafel. Staat op. Hij
staat zwaar op, en loopt naar het venster.

Arti et amicitiae

“In Rome”, zei Meyer, “wij kenden
in Rome een schoenmaker die
op een antiek beeld, op
de kop van een keizer, zijn schoenen
bewerkte. Dát was toch komisch!

Stel u voor, de klassieke wereld
stond voor de deur
van een schoenmaker in Trastevere.

En steeds als we langskwamen, hij
aan zijn loffelijk werk.”

Zo is het nu eenmaal

“De werkelijkheid, beste vrienden,
de werkelijkheid, díe
zijn we geneigd te vergeten. En toch,

daar draait het allemaal om
in de kunst: wie de werkelijkheid
vangt, heeft zijn zaak
al ten halve gewonnen.

Wat goed is, streeft krachtig,
vanuit het innerlijk,
naar de wereld.

Zo is het nu eenmaal.” Hij veegt
zijn mond af, de dichter. De laatste tijd
heeft zijn mondhoek de neiging te lekken.
“Dat is de regel,” hervat hij behaaglijk,
“dat is
de onontkoombare wet.”

Wenn ich den Dieben gebellt

Naar de dieven heb ik geblaft,
voor de minnaars gezwegen:
beiden haalden mij aan,
zowel meneer als mevrouw.


Dichten ist ein lustig Metier

Dichten, een lustig metier,
maar niet zonder kosten: naarmate
mijn verzenverzameling groeit,
smelten de duiten me weg.

Welch ein Wahnsinn

“Ben je krankzinnig geworden,
sukkel, heb je niets beters
te doen: een boek voor zo’n meisje?”

Stil maar, de koningen en
de groten der aarde behandel
ik later wel, als ik hun handwerk
misschien wat beter doorgrond.

Ondertussen bezing ik Bettina -
want acrobaten en dichters
zijn nauwe verwanten, voelen
zich bij elkaar op hun plaats.

Alexander und Cäsar

Dante, Homerus en Vondel
en Shakespeare en J.W. von Goethe
zouden me graag de helft
van hun dichterskrans geven


als ik ze maar één nacht

mijn zachte bedje zou gunnen.
Maar de stakkers, de sukkels,
Orcus heeft ze in zijn greep.

Denk daaraan vrienden, geniet
van het warme liefdesnest, voor de
onbarmhartige Lethe
je vluchtende voeten bespoelt.

Zürnet nicht, ihr Frauen 

Dames, kijk niet zuur omdat
wij de meisjes bewonderen, denk maar
dat u ‘s nachts geniet wat zij
‘s avonds hebben gewekt.

Heilige Leute

Heiligen, zeggen ze, hebben
een zwak voor zondaars,
zondaressen - welaan:
precies zoals ik...

Gleich den Winken

Als een meisje dat in het
voorbijgaan je toelonkt, dat even
vriendelijk langs je arm
strijkt: zo gunt me mijn muze
kleine gedichten op reis.
En grotere gunsten? Hierna?

Arm und kleiderlos

Arm, zonder kleren was
mijn meisje toen ik haar gunst zocht.
In haar naaktheid beviel ze
me toen niet minder dan nu.

Sarkophagen und Urnen

De Ouden versierden urnen
en sarcofagen met leven:
faunen dansen er rond,
bacchanten zingen in koor,

vormen er bonte rijen,
de dikzak met bokkenpoten
perst een hese triomfkreet
uit zijn betoeterde hoorn.

Trommels klinken, cymbalen:
we zien en we horen het marmer;
vogeltjes, fladderend, doen
zich aan de vruchten tegoed,

herrie schrikt ze niet af en
herrie verschrikt helemaal niet
Amor, die in het gewoel
pas echt van zijn fakkel geniet.

Volheid verslaat hier de dood!
Zelfs de as in de urnen
lijkt, zo stil als hij is,
door zoveel leven bezield.

Grün ist der Boden

Groen is de vloer van mijn huis,
het zonlicht valt door de wanden.
De vogels zingen boven
het linnen plafond.

Manhaftig rijden we uit,
bestijgen Silezië’s heuvels
kijken reikhalzend vooruit
naar waar Bohemen ons wacht.

Maar geen vijand vertoont zich,
geen vijand, geen vijandin -
O help me, opdat ik, als Mars
niet mee wil werken, tenminste
voor Venus het strijdperk in kan.

Ezra Pound


Ezra Pound

Hommage aan Sextus Propertius

Vertaald en van commentaar voorzien door Jos Houtsma

Orfeo
'Quia pauper amavi'


I

Callimachische schaduwen, geesten
van Philetas van Cos,
In uw hof wou ik wandelen,
Ik die als eerste mij laafde
Aan de heldere bron, en de Helleense vervoering
in Italië aan land bracht, en de dans in Italië.
Wie heeft die versmaat u bijgebracht, aan welke haard
hebt ge die kunst afgeluisterd?
Welke voet tikte uw ritme mee,
welk water verzachtte uw schrille pijpen?

Rijmelaars, onvermoeibaar, bezorgen, ja oké,
Phoebus grijze haren
Met hun heroïsch gewauwel,
Wij, wij houden het vlakgom in de aanslag.
Een nieuw type kar achter de bekranste paarden!
Een jonge muze, omstuwd door putti
stijgt met me ten hemel...
Maar een snelweg naar de muzen? Uitgesloten!

Chroniqueurs onvermoeibaar blijven Romeinse
achtenswaardigheid boekstaven;
Coryfeeën van over de Kaukasus blijven
Romeinse coryfeeën ophemelen,
Zich vergapen aan Romes grootheid.
Maar iets wat gewoon prettig leest,
Een paar regels, gaaf van de gevorkte heuvel gebracht?
Een krans hoeft mijn hoofd niet te kraken,
En ik zit er niet om te springen;
Mijn uur komt nog wel, dubbel en dwars, na mijn be­grafenis.
Nietwaar, immers antiek is altijd mooier,
ook los van de waarde.

Wie zou er nog talen naar de torens, geslecht
door een klepper van vurenhout,
Naar Achilles, vechtend met water bij de Simois,
Naar Hector die velgen bespettert,
Naar Polydmantus aan de Scamander, naar Helenus
en Deiphoibus?
Hun eigen erf zou hen - én Paris - nauwelijks kennen!
O Ilium, o Troad, twee maal door
de Oetaeïsche goden genomen -
Niet meer dan kletspraat was er van u over
Als Homerus uw zaak niet verwoord had!

En precies zo zal ik onder de naneven
mijn hondsdagen hebben.
En niet eens een steen op mijn onnozel graf!
Mijn aanspraken zijn gebaseerd op de uitspraak
van de tempel van Phoebus, in Lycië, Pata­ra.
En tot die tijd is mijn lied op reis,
En jongedames - mits ontmaagd - zullen het waarderen
als ze aan de vreemdheid gewend zijn.
Want Orpheus temde roofdieren
en deed Thracische stromen stilstaan,
En Citharaon schudde de rotsen bij Thebe
en danste ze tot een bolwerk zoals hij dat wil­de;
En jij Polyphemus, kwam jouw stroeve Galathea
niet bijna
Tot bij je druipende paarden, door een liedje,
onder Etna?

We moeten er eens ernstig over denken.
Als Apollo en Bacchus meewerken
Zal een massa jonge vrouwen mijn mooie
praatjes in ere houden
Ook al staat mijn huis niet vol Taenarische zuilen
(uit Laconië, een verband met
Neptunus en Cerbe­rus),
Ook al rust het niet op gouden balken;
Mijn bongerds liggen niet wijd en zijd en effen
als de Phaeacische wouden,
de weelderige, Ionische,
En mijn kelders liggen niet vol met Markische wijnen,
Niet stampvol kruiken, sommige
Nog uit de tijd van Numa Pompilius,
En ook geen viersterren koelkast;
Maar toch, de fans van de muzen
zullen allemaal met hun neus in mijn boeken zit­ten,
En alle historische rimram beu, komen ze van­zelf uit
bij mijn danswijsjes.

Wat een geluk als je in mijn pamfletten vermeld wordt,
wat een prachtige grafsteen voor je schoon­heid!
Maar aan de andere kant...
Ach, ook dure piramides, die de sterren beroe­ren,
En huizen, gebouwd naar het voorbeeld van het huis
van Jupiter, in Oost-Elis,
Of Mausolus' gigantische beelden, kunnen het raadsel
van de dood niet afdoende verklaren

Vlam schroeit, regen zinkt in de voegen;
Alles gaat in puin door de beuk van de jaren;
Enkel genie houdt stand, onvergankelijk sieraad,
een naam die de tijd niet verslijt.


Aantekeningen
Callimachus en Philetas: Alexandrijnse dichters, 4e eeuw voor Chr. Philetas genoot faam als dichter van erotische elegieën, waarvan alleen fragmenten zijn overgeleverd. Van Callimachus zijn o.a. zes hymnen bewaard. Zijn roem in de Hellenistisch-Romeinse periode was groot. Propertius claimt dat hij zich als eerste in Rome door de verzen van Callimachus en Philetas heeft laten inspireren.
Water: Het water van de dichtersbron.
Phoebus: Apollo, de god van de dichtkunst.
Een jonge muze: Propertius' geliefde, Cynthia.
Romes grootheid: 'Pochen over de omvang van het Rijk.'
De gevorkte heuvel: De Parnassus heeft een dubbele top.
Torens geslecht door een klepper van vurenhout: Troje, ingenomen door de list met het houten paard.
Achilles: De Griekse held. In de Ilias XXI, 307 roept de rivier de Scamander zijn broer Simoeis te hulp om de woede van Achilles tegen te houden.
Hector: De Trojaanse held, gedood door Achilles en achter zijn strijdwagen drie keer over het slagveld gesleurd.
Polydmantus: de Trojaanse held Polydamas; Deiphoibos: voor de Trojaan Deiphobus.
Paris: de zoon van koning Priamus die door Helena te schaken de Trojaanse oorlog ontketende.
Ilium: Troje.
Troad: Het gebied rond Troje.
Twee keer genomen: Het meervoud is een gril van Pound: Hercules (de god van Oetia) zou Troje twee keer veroverd hebben: één keer bij de stichting, toen Apollo en Poseidon, die bij de bouw hadden geholpen door de Trojanen werden bedrogen; één keer toen de stad de Argonauten proviand weigerde.
Patara: Beroemd orakel in Kleinazië, ooit een concurrent van het orakel van Delphi.
Mits ontmaagd: Een grapje met Propertius' solito tacta puella sono, 'een meisje geraakt door het vertrouwde geluid.'
Citharaon: Hier gaat Pounds fantasie op de loop. Bedoeld is de Cithaeron, het grensgebergte tussen Attica en Boeotië.
Thracië: Zeg het zuiden van het huidige Bulgarije, het Europese deel van Turkije. Bij Propertius is sprake van een Thracische lier.
Polyphemus: De cycloop, verliefd op de nimf Galathea.
Apollo en Bacchus: Bedoeld zijn (de god van) de poëzie en (die van) de drank.
Taenarum is een stad en een kaap in het zuiden van Laconië, bij Sparta (kaap Matapan), waar een ingang tot de onderwereld zou zijn. Pound schijnt zijn weetje te hebben ontleend aan Harper's Latin Lexicon, s.v.  Taenarus'.
Phaeacische wouden: Propertius vermeldt de boomgaarden in het land van de Phaeaken (Korfoe).
Markische wijnen: bij Propertius gaat het over water van het aquaduct van Marcius. Een van de weinige plaatsen waarvan Pound heeft toegegeven dat hij zich heeft vergist.
Numa Pompilia: De legendarische tweede koning van Rome (7e eeuw voor Chr.).
Het huis van Jupiter in Oost-Elis: Het heiligdom van Zeus in Olympia.
Mausolus: De naamgever van het mausoleum, een van de zeven wereldwonderen.


II

Men zag mij in de schaduw, leunend op
de kussens van de Helicon,
En het water droop van het Bellerofontische paard.
O Alba, uw vorsten en het rijk dat uw mensen
hebben geschapen met zulk een ijver
Gaap ik uit mijn lier, met net zulk een ijver.
Mijn muizenmondje zal slobberen uit de bronnen
'Waaruit ook vader Ennius, voor ons teneerzit­tend, dronk.'

Ik had de Curii bestudeerd, en notities gemaakt
over de speren van de Horatii
(Vlakbij het stalletje van Q.H. Flaccus);
'Van' Aemilia, vorstelijk op haar vlot getrokken,
'Van' het zegevierend talmen van Fabius en de
linkshandige slag bij Cannae,
De Romeinse Lares, hun woonplaats ontvluch­tend:
Ik had dit alles bezongen,
En van Hannibal,
en Jupiter, door zijn ganzen behoed.
En Phoebus keek op mij neer, vanuit zijn Casta­lische boom

En hij zei: 'Lul! Wat doe je nou met dat water?
Wie heeft jou gevraagd om een boek over helden?
Geen denken aan, vriendje,
Dat soort roem is voor jou niet weggelegd.
Op een zacht gazon rijd je met lichte wiel­tjes.
Jouw werk zal dikwijls, dikwijls op een stoel worden gesmeten
Waar een eenzaam meisje wacht op haar minnaar.
En waarom zou je het anders doen?
Jouw genie zal geen schepen doen zinken,
Laat andere riemen het water maar karnen,
Andere wielen de arena; in het gedrang,
Dat is net zo beroerd als midden op zee.'
Hij had gesproken en wees me mijn plaats met zijn plectrum:

Drinkgelagen en aardewerkbeeldjes
Van Silenus, versterkt met wilgentenen, Pan,
De kleine vogeltjes van moeder Venus,
hun Punische kopjes geverfd in de vijver van Gorgon,
Negen meisjes uit evenzovele streken,
met geschenken voor haar in zachte handjes:
Dat is mijn milieu, mijn geleide. En ze bond klimop
aan zijn staf;
Vond een lied bij de snaren;
Rozen in haar handen gevlochten;
En een van hen keek me aan met gefronste wenk­brauwen,
Ca­l­li­o­pe:
'Altijd hetzelfde liedje, hè, witte zwanen
En watjes! Geen gebries van paarden roept jou ooit ten strijde,
Nooit wordt jouw naam gehoord,
Mars roept je niet uit het Aonische woud,
Niet naar waar Rome
Germaanse welstand verplet­tert,
Noch waar de Rijn rood is van het bloed van barbaren
en de stroom gewonde Suebi meesleurt.
Jouw repertoire bestaat blijkbaar uitsluitend
Uit minnaars die rondhangen bij vreemde deuren,
Nachtbrakers en de echo's van dronken gehol.
Jij maakt je vak van het beheksen
van jonge dames in hun boudoir,
Van het chicaneren met eerbare mannen.'

Zo sprak mevr. Calliope,
En ze depte haar hand in de bron, en zo
Stijfde ze me in de navolging van Philetas van Cos.

Aantekeningen
Helicon: de berg van de muzen.
Het Bellerofontische paard: Pegasus, het paard van de held Bellerophon, ook bekend als het dichterspaard.
Alba: Alba Longa, de oudste stad in Latium.
Vader Ennius: Quintus Ennius, de vader van de Latijnse poëzie (239 - 169 v. Chr.).
Curii en Horatii: De Curii, drie broers uit Alba Longa, die vochten met de Horatii, drie broers uit Rome. Twee Horatii sneuvelden voor de derde de Curii doodde, en hun speren wijdde in de basilica in Rome.
Het stalletje van Q.H. Flaccus: De dichter Quintus Horatius Flaccus, Propertius' oudere tijdgenoot (65 - 8 v. Chr.).
Aemilia: Propertius: 'de vorstelijke trofeeën in Aemilius' boot.' Bedoeld heeft Propertius waarschijnlijk Aemilius Paullus, Romeinse consul, verslagen door de Carthaagse krijgsheer Hannibal.
Fabius: Quintus Fabius Cunctator, 'de talmer', die Hannibal versloeg door consequent een veldslag te mijden.
De linkshandige slag bij Cannae: Een fraaie wending. Propertius: pugnamque sinistram Cannensem, 'de fatale strijd bij Cannae': de veldslag waar Hannibal de Romeinen versloeg.
Lares: De Romeinse goden van huis en familie.
Castalische boom: De bron Castalia op de Parnassus was gewijd aan Apollo en werd beschouwd als de dichtersbron. Propertius' beeld is dat van Apollo die zich ophoudt in het bos bij deze bron.
Plectrum: Plaatje waarmee een snaarinstrument wordt betokkeld.
Silenus: Een satyr, toonbeeld van dronkenschap en wellust, vaak afgebeeld op een ezel en / of ondersteund door andere satyrs.
Pan: De vruchtbaarheidsgod uit Arcadië (Tegea is een stad op de Pelopponesus).
De kleine vogeltjes: Duiven waren de vogels van de liefdesgodin Venus.
Punische kopjes: Propertius spreekt van purperen (punica) snavels. De snavels zijn rood omdat ze nipten uit fontein van Gorgon: Medusa, gedood door Perseus.
Negen meisjes: De muzen.
De staf: De thyrsus, de staf van Dionysus.
Calliope: De muze van de epiek.
Het Aonische woud: Aonië, in Boëtië, de plaats van Helicon en Cithaeron.
De Suebi werden verslagen in 29 voor Chr. door de Romeinse generaal Gaius Carinas.

 

III

Middernacht en een briefje van mijn maîtresse
Dat me zegt: naar Tivoli komen!
On-mid-del-lijk!
'Fonklende spitsen verrijzen op tweelingtorens,
De Anio klettert neer in een stille vijver.'

En wat moet ik nu doen?
Zal ik me in de dichte schaduwen wagen,
Waar brutale handen zich misschien aan me vergrijpen?


Als ik het echter af laat weten
om dit soort serieuze bedenkin­gen,
Dan wachten me erger zorgen dan een aanrander in de nacht:
En ik zit verkeerd
én het duurt minstens twaalf maanden,
Want ze is niet zachtzinnig!

En, laten we wel wezen, minnaars zijn heilig
Te middernacht
In de Halssnijderssteeg.

Een man die liefheeft, kan door Scythië wande­len
En geen barbaar zo barbaars dat hij hem maar één haar krenkt!
De maan draagt zijn kandelaar,
de sterren wijzen hem de obsta­kels,
Cupido vliegt met een toorts voor hem uit
en jaagt valse honden van zijn pad.
En zo zijn alle wegen volkomen veilig
en op elk tijdstip,
Want wie wil het pure bloed van een vrijer vergieten!
Cypris zijn cicerone!

Maar als de kraaien me toch op het spoor zijn...
Ach zo'n dood is de moeite!
Ze zou zich naar mijn tombe haasten met wierook en kransen!
En ze zou als een toonbeeld van rouw
op mijn brand­stapel zitten.

Maar laat in godsnaam mijn botten niet
In een openbare ruimte terechtkomen
Waar massa's mensen er op rondstampen -
Want zo gaat het wel vaker met tomben van min­naars.

Laat een beschutte, beboste plek me met lover bedek­ken,
Of laat me rusten onder een zandribbel
op een nog niet in kaart gebracht strand.

Aantekeningen
Tivoli: Tibur is de antieke naam, de stad was al in de oudheid geliefd om het koele klimaat het overvloedige water en de pittoreske ligging. De beroemde Villa Adriana stamt oorspronkelijk uit de republikeinse tijd.
Fonklende spitsen: Pound suggereert met de aanhalingstekens dat de beschrijving van de omgeving van Tivoli is ontleend aan het briefje van de geliefde. Het beeld wijkt af van dat in de Latijnse tekst.
Anio: De Aniene, een zijrivier van de Tiber. De watervallen zijn beroemd.
Halssnijdersteeg: De Via Sciro is letterlijk 'de weg van Sciro', de mythologische rover die de weg tussen Athena en Megara terroriseerde.
Cypris: De Cyprische, d.w.z. Venus. Een cicerone is een gids.
Scythië: Het land ten noorden van de Zwarte Zee: de huidige Oekraïne en Zuid Rusland
Aan de grote weg: Rijke Romeinse families bezaten tombes aan de wegen die de stad verlaten (beroemd zijn de grafmonumenten aan de Via Appia).

 

IV

MENINGSVERSCHIL MET LYGDAMUS


Zeg me welke parels je optekende uit de mond van
onze trouwe geliefde,
Lygdamus,
Laat het goedbetaalde juk van een maîtresse
net zo zwaar op je rusten als je verdient.
Want ik heb mijn buik vol van praatjes voor de vaak,
en ik ben woedend, omdat
Je me steeds vertelt wat je dénkt dat ik horen wil.

Boodschappers kunnen toch niet met totaal lege handen
aankomen? Een slaaf moet uitkijken met dooddoeners.
Veel ouwehoeren, nietwaar, een feilloos recept
voor een dak boven je hoofd.
Dus kom op, vertel me maar, alles,
vanaf het begin.
Ik ben een en al gulzig oor.
Nou? Ze weende in haar haren, ongekamde haren,
Jij zag het.
Een stortvloed van tranen.
En jij zag haar, Lygdamus, met eigen ogen,
uitgestrekt op haar bed -
En het was géén glimp in de spie­gel.
Geen frutsels aan haar sneeuwwitte vingers,
geen orfevrerie,
Maar droeve gewaden over haar tengere armen;
En de secretaire was dicht, aan de voet van haar bed.
Een sfeer van droefheid, en de ontroostbare
dames van haar huishouding
Waren ontroostbaar daar ze hun haar dromen verteld had.

En zij in het midden, gesluierd, vochtige wol­len zakdoeken
in haar onstuit­baar
wenende ogen gepropt,
Een boos gesnik ten antwoord op onze ijverige
tegenwerpingen.
En hiervoor moet ik je belonen,
Lygdamus?
Kletsen en kletsen, toch wel een feilloos re­cept!

Dus die andere vrouw, ik ben niet voor haar charme gevallen,
Nee, ze heeft me met giftige brouwsels gevan­gen,
Ze fiedelt met het bespijkerde wiel van een rombus,
Ze maakt stoofpotten van
Opgeblazen kikkers, slangenbotten,
En van de veren van een kerkuil in de rui.

Ze heeft me behekst met raffels van lijkwaden.
Zwarte spinnen in haar bed!
Ruggen van snurkende minnaars in de ochtend!
Laat de jicht haar voeten misvormen!
'Vindt hij het leuk dat ik hier alleen moet slapen,
Lygdamus!?
Zal hij lelijke dingen zeggen op mijn begrafe­nis?'

En dat moet ik dan geloven
Na twaalf maanden ongemak!?

Aantekeningen
Rombus
: Een ritueel instrument bestaand uit een stuk hout, dat is bevestigd aan een touwtje. Het hout is zo bewerkt dat het, als het wordt rondgedraaid, een brommend geluid geeft. Waarschijnlijk hetzelfde instrument dat o. a. bekend is van de aboriginals in Australië; in het Engels: bull-roarer.

V


            1.
Tijd om de Helicon uit te mesten, nu of nooit,
De Emathische paarden moeten naar buiten,
En de koppen moeten geteld van mijn aanvoerders in
het Romeinse kamp.
Ook al lukt het me niet, 'zelfs de poging is al lof­waardig.'
'Bij ondernemingen op dusdanige schaal
is het initiatief al voldoende.'

In het grijze verleden bezong men Venus,
tegenwoordig beroeringen,
En goed, ook ik zal mijn krijgslied aanheffen,
maar ná deze meisjesaffaire.
Als ik eenmaal aan land ben gesleept, word ik wel serieuzer.
Mijn muze wil best instrueren: nieuwe toonaar­den, nieuwe  tonelen.
Wel op, mijn ziel, geen bescheiden geneurie,
maar met passende bravoure!

O verheven Pieriden, nu een werkstuk van lange adem.
Aldus:
'De Eufraat ontzegt de Parth haar beschutting
en maakt excuses voor Crassus.'
En: 'India - India was het toch? - aan uw triomf­kar!'
Etc., Augustus. 'Maagd'lijk Arabië kruipt bevend weg.'
Laat naties terugdeinzen naar verste kusten,
het zal slechts uitstel blijken van execu­tie.
En ik trek mee in de legertros, en ik oogst lof
voor mijn verslag van uw cavalerieopera­ties.
Moge het lot over me waken!

    
    
    
2.
En toch, Maecenas, u vraagt, waarom schrijf
ik steeds liefdesgedichten,
Hoe komt dat lichte genre me steeds in de pen?
Calliope noch Apollo hebben het me ingeblazen.
Mijn genius? Gewoon, een meisje.
Als haar ivorige vingers een wijsje aan de snaren ontlokken,
Kijken we ademloos toe:
Hoe soepel spelen de vingers! Is het haar be­zweet op haar voorhoofd,
Wandelt ze in zijdeglans uit Cos, in een warre­ling van
purperen stoffen:
Daar komt een dichtbundel van. En vallen haar oogle­den toe:
Werk aan de winkel mijn dichter!
En wil ze zich met me vermeien, zonder b.h.'tje,
Dan draaien we voor een Ilias
Onze hand niet om.
En wat ze ook doet of zegt,
We spinnen goed garen uit niets.

Dàt is wat er voor mij in het vat zit, Maece­nas,
En al kon ik zingen van helden en wapens, 'k vertikte 't.
Geen gekweel over titanen, Ossa
op Olympus genageld,
Niets over snelwegen over Pelion,
Of over het hoogst respectabele Thebe, of over
de reputatie van Homerus in Pergamum.
Niets over Xerxes' tweeloopsimperium, over
Remus en zijn koninklijke fami­lie,
Of over bewonderenswaardige Punische typen,
Mijnen in Wales waar Marus zich de zakken mee vul­de.
Ik zou Caesars campagnes gedenken...
Ja, als decor,
Al kon Callimachus wel zonder
én zonder Theseus,
Zonder hel, zonder Achilles met een gevolg van goden,
Zonder Ixion, zonder de zoons van Menoetius,
en Argo, en zonder het graf van Jupiter of de tita­nen.

Mijn hart zwelt niet op bij het Caesarische ore ro­tundo,
De Phrygische vaderen laten me koud.

Zeelui over de wind, de boer over ossen,
De soldaat het gepoch over zijn wonden, de herder zijn ooien;
Wij in ons smalle bed, bespaar ons het wapenge­klet­ter.
Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is.


       
    
3.
O nobele liefdesdood! Maar als ze maar één zomer trouw was!
En dan praat ze verachtelijk over 'lichte vrou­wen',
en van Homerus moet ze niets heb­ben
Omdat Helena zich 'niet netjes gedraagt.'


Aantekeningen
Helicon: De dichtersberg.
Ematische paarden: Macedonische paarden (in tegenstelling tot Propertius: 'het Haemonische paard': het Thessalische, d.w.z. Pegasus).
Pieriden: De muzen.
De Eufraat: Crassus stak de Eufraat over voor een invasie in het land van de Parthen. Hij werd daar in 53 voor Chr. verslagen en hij en zijn zoon werden gedood.
Augustus: Eretitel van Octavianus, de eerste Romeinse keizer.
Maagd'lijk Arabië: Augustus heeft plannen voor een invasie in Arabië nooit uitgevoerd.
Maecenas: Vriend en adviseur van Augustus, maar ook de spreekwoordelijke begunstiger van dichters als Vergilius, Horatius en Propertius.
Genius: Mijn inspiratiebron.
Zijdeglans uit Cos: Het eiland Cos produceerde de fraaiste en duurste zijde.
Titanen, Ossa op Olympus, Pelion: De reuze Ota en Ephiates stapelden deze bergen op elkaar in een poging de hemel te bestormen.
Thebe: De belangrijkste stad in Boeiotië, decor van het Oedipus-verhaal.
Pergamum: Stad in Klein-Azië, in de tweede eeuw voor Chr., rivaal van Alexandrië. Het Pergama dat Propertius noemt is de burcht van Troje: Pergama nomen Homeri: 'De op Pergama berustende roem van Homerus.'
Xerxes' tweeloopsimperium: Xerxes was koning van Meden en Perzen. Propertius zinspeelt op het kanaal dat Xerxes groef door het Athos schiereiland bij zijn campagne tegen de Grieken.
Remus: De tweelingbroer van Romulus, de stichter van Rome.
Carthaagse typen: De Carthagers onder Hannibal vormden in de tweede eeuw voor Chr. een grote bedreiging voor Rome.
Mijnen in Wales etc.: Cf. Propertius, 24. Een Marus is niet uit de oudheid bekend: Marius (misschien een onopgemerkte drukfout).
Caesar: Augustus.
Ixion: De koning van Thessalië die dacht Hera te omhelzen, maar in plaats van haar de liefde bedreef met een wolk, waaruit de centauren werden geboren.
Menoetius was de vader van de Griekse held Patroclus. Bij Propertius worden Theseus, bevriend met de centauren, en Achilles, bevriend met Patroclus, al vergeleken met het vriendenpaar Augustus en Maecenas.
Argo: het schip waarmee de argonauten het gouden vlies haalden.
Het graf van Jupiter: Bij Propertius is sprake van de strijd van Jupiter en Enceladus bij Phlegra (een strijd die werd beslist doordat Pallas Athene een rotsblok wierp dat Encaladus verpletterde).
Ore rotundo: Letterlijk: 'met vloeiende taal'. Geïmpliceerd wordt: 'bombastische taal'.
Phyrgische vaderen: De veronderstelde Trojaanse voorouders van de Romeinen.
Helena: Geschaakt door Paris, oorzaak van de Trojaanse oorlog.


VI


O als de tijd komt, als de tijd komt dat
dood onze ogen sluit -
Naakt trekken we over de Acheron,
Op één vlot, overwinnaar en overwonnene sa­men,
Marius en Iugurtha tezamen,
één warboel van schimmen.

Caesar belaagt India en
Van nu af vloeien Eufraat en Tigris
zoals hij dat wenst,
Tibet vol Romeinse ordebewaarders,
De Parthen wennen geleidelijk aan het Romeinse panop­ticum
en nemen onze religie aan;
Eén vlot op de mistige Acheron,
Marius en Iugurtha tezamen.

En op mijn begrafenis ook geen lange optocht
met laren en penaten en vrome plaat­jes;
Geen bazuinen vol van mijn leegheid,
Geen kostbare Attalische spreien
Geen geparfumeerde lijkwaden;
Een simpele burgerlijke begrafenis,
Genoeg, echt meer dan genoeg.

Drie boeken breng ik mee voor mijn uitvaart,
Een gift, niet zonder enige waarde, voor Perse­phone.

En jij, jij volgt mijn naakte, doorkerfde borst,
En je zult onvermoeibaar mijn naam zeggen en
Niet te moe zijn
Om voor het laatst mijn lippen te kus­sen
Als de Syrische onyx gebroken is.

'Hij die nu zielloze stof is,
Was vroeger de slaaf van één harts­tocht'
Dat zij het opschrift.
'Dood waarom kwaamt ge zo talmend?'

En soms zul je een verloren vriendschap betreu­ren,
Want dat wil de conventie nu een­maal,
Deze rouw om wie heen ging.

Daar de ever Adonis het leven benam, en Venus
Ronddwaalde met losse haren,
Vruchteloos, roep jij ook vruchteloos om je ge­liefde;
Vruchteloos Cynthia, vruchteloos roep je om een
Zwijgzame schaduw.
Tja, lichte botten, dus weinig gesprekstof.

Aantekeningen
Acheron: Een van de vijf rivieren van de Hades, de grens, waar Charon de doden overvaart.
Marius en Iugurtha: Marius (157 - 86 voor Chr.) was zeven keer consul. In 104 voor Chr. versloeg hij Iugurtha, de koning van het Noordafrikaanse Numidië.
Caesar belaagt India: Bij zijn dood werd gezegd dat Julius Caesar een expeditie naar India voorbereidde.
Euphraat en Tigris: De beroemde rivieren in het huidige Irak.
Parthen: Na Crassus' dood sloot Augustus vrede met de Parthen.
Laren en penaten: Romeinse huisgoden.
Atalische spreien: Met gouddraad doorwerkte spreien, naar wordt gezegd uitgevonden door of voor koning Attalus van Pergamum.
Persephone: De koningin van de onderwereld.
Syrische onyx: Bij Propertius is sprake van een onyx (een zalfdoos van geel marmer) met Syrische reukwaar.
Adonis en Venus: Adonis bemind door Venus, werd, op jacht op de hellingen van Idalium (op Cyprus), gedood door een everzwijn.


VII

Ik zielsgelukkig, en de nacht zo helder!
Sponde, o sponde, verzaligd door zoveel genie­ting!
Wat een stortvloed van woorden bij kaarslicht;
En gestoei als de kaarsen zijn weggebracht.
Nog half in haar tunica, haar borsten treiterend ont­bloot,
Worstelde ze met me;
En dan weer met haar lippen mijn oogleden ope­nend
Als ik was weggedommeld, en haar mond lispelde:
'Luilak!'

Goed dan, zolang ons lot dan vertwijnd is,
storten we ons in de liefde, met open ogen;
Want een lange nacht wacht je,
een dag dat de dagen voltooid zijn.
Laat de goden ons ketenen zo
dat geen daglicht ons losmaakt.

Wie durft er paal en perk te stellen aan lief­de?
Want de zon zal rijden met zwarte paarden,
en haver zal als tarwe ontkiemen,
De beek stroomt terug naar de bron
Voor liefde haar maat weet,
De vis zwemt in droge bedding.
Geniet nu het kan het vruchtgebruik van het leven.

En steeds weer andere omhelzingen, o onze armen,
spartelend, zoekend,
En op mijn lippen dralend, haar kussen, haar kussen.
'Weet je dan niet dat Venus méér is dan blindelings wroeten?
Je ogen wijzen de liefde de weg.
Hoe nam Paris Helena? Naakt uit het bed geglipt van Menelaus.
En Endymions blanke leden waren Diana's lok­aas.'
- tenminste zo gaat het verhaal.

Verdorde kransen verliezen hun blad;
Van de stelen worden mandjes gevloch­ten;
Vandaag de brede adem van de liefde,
morgen sluit het noodlot ons in.

Ook al schenk je me al je kussen,
het zijn er maar weinig.
En ook de vlucht naar een ander is uitgesloten,
Totterdood de hare,
Als ze zulke nachten van liefde schenkt,
is mijn leven lang, lang van jaren.
Als ze er vele schenkt,
God ben ik, god, zolang het duurt.


Aantekeningen
Venus: Hier voor 'het liefdesspel'.
Endymion: Herder, bemind door Diana, de maangodin.


VIII

Meelij Jupiter met die onfortuinlijke vrouw
Of ge hebt een hoogst bevallig sterfgeval
op uw geweten!
Ingegaan is het seizoen, schroeiend heet is de hemel,
De aarde reutelt onder de hitte der hondsdagen.
Maar die hitte, dat is niet de kern van de zaak:
Ze hield niet alle goden in ere,
En dat soort laksheid heeft al eerder
andere jongedames berouwd.
En hun eden in de bedstee?
Verstrooid door wind en wa­ter.

Was Venus aangebrand door het bestaan van
haar weer­ga?
Stikt de aanvallige godin van ja­loersheid?
Of heb je Juno's Pelasgische tempels belasterd?
Of de scherpe ogen van Pallas?
Of ben ík soms de schuld,
Mijn tong die voortdurend je lof zingt?
Weet je, je raakt, hoe dan ook, uiteindelijk
- via gevaren, vele gevaren en van een hard leven -
In het rustiger vaarwater van een laatste dag.

De eerste jaren loeide Io met afgewend hoofd,
Nu drinkt ze Nijl als een Nijlgodin.
Ino vluchtte in haar jeugd halsoverkop uit Thebe,
Andromeda werd aan een zeeslang geofferd
En uitgehuwelijkt, keurig, aan Perseus.
Callisto, in de huid van een beer,
Sjokte door Arcadië
Zolang haar geluksster bedekt was.
Dus wat maak je je druk als je lot
in een stroomversnelling komt,
je eeuwige rust in zicht komt:
Misschien zal het je best aanstaan onder de zoden.

Want, nietwaar, jouw geval lijkt echt
als twee druppels water
op dat van Semele.
En dat geloof je, en zij gelooft het ook,
als ervaringsdeskundige.
En je zult een ereplaats innemen tussen
alle gesierde en gevierde beauté’s van Mae­onië
En je prestige is er immens.

Dus moed gevat, je noodlot mag er echt wezen,
Of Jupiter zal, bot als hij is, het tij nog keren.
Oude bok, laat Juno het niet merken!
Of gaat Juno zelf voor de bijl
Als de jonge dame ten hemel vaart?

Hoe dan ook, gedonder op de Olympus.


Aantekeningen
What they swore in the cupboard: bedoeld wordt eigenlijk 'de liefdeseden die ze zwoeren in de hoop daar beter van te worden'.
Juno's Pelasgische tempels: Volgens de mythe werd Juno grootgebracht door Temenus, de zoon van Pelasgus, in Arcadië.
Pallas Athene, Glaukopis genoemd, 'met groenflikkerende ogen,' 'met de ogen van een uil.'
Semper, formosae, non nostis parcere verbis: 'nooit wisten jullie, mooie meisjes je tong in bedwang te houden'. Niet door Pound opgepikt; jammer want het is een opmerkelijk bewijs van Propertius' mensenkennis.
Io: Door Zeus in een vaars veranderd, en achtervolgd door de jaloerse Hera tot ze in Egypte een kind kreeg, Epaphos, en door de Egyptenaren als Isis werd vereerd.
Ino: De tweede vrouw van koning Athamos van Thebe, de opvoedster van Dionysus. Door Hera tot waanzin gedreven sprong ze in zee en werd veranderd in de zeegodin Leucothea.
Andromeda werd geofferd aan een zeeslang, maar gered door Perseus die met haar trouwde.
Callisto kreeg een zoon van Zeus: Arcas, de voorvader van de Arcadiërs. Ook zij was een slachtoffer van de jaloezie van Hera, en werd veranderd in een beer. Zeus maakte haar tot het sterrenbeeld van de grote beer.
Semele: De moeder van Dionysus, bij de conceptie gedood door de bliksem van Zeus.
Beauté's van Maeonië: D.w.z. de mooie vrouwen die bij Homerus voorkomen: Van Homerus werd wel verondersteld dat hij werd geboren in Maeonië, een oude naam voor Lydië, in Kleinazië.
Olympus: De berg van de goden.

IX


            1.
Het geratel van de rombi viel stil,
De geschroeide laurier lag in de as.
De maan wilde nog de trans niet verlaten.
Maar de onheilspellende roep van de uil was hoorbaar.

Eén vlot draagt ons beiden,
over het mistige meer naar Avernus,
En, onder zeil op het zeegroene water,
zou ik wenen voor twee.
Ik leef als zij leeft,
Als zij sterft, sterf ik met haar.
Grote Zeus, red haar, red haar,
Of ze zit in haar sluier gehuld aan uw voe­ten,
En telt op haar vingers de hele einde­loze
Lijst af van haar kwalen.

            2.
Persefone en Dis, Dis heb genade,
Er zijn al genoeg vrouwen daar beneden,
meer dan genoeg mooie vrouwen,

Iope en Tyro en Pasiphae en de nette meisjes
Van Achaia,
En uit het Trojaanse, en uit Campania,
Dood heeft ze allemaal te grazen,
Avernus lust naar ze.
Schoonheid is oneeuwig, niemand heeft altijd geluk;
Traag of lichtvoetig, dood draalt maar een enkel seizoen.

            3.
Appel, mijn oogappel,
je bent maar net heelhuids ont­snapt.
terug naar de dans van Diana,
en breng je geschenken,
Voldoe je gelofte van nachtwakes
voor de maagdelijke godin;
En stel mij ook schadeloos:
De tien nachten samen die je me beloofd hebt.

Aantekeningen
Rombi: zie IV
De maan: De gedachte is dat heksen de maan tegenhouden.
De roep van de uil: Een voorteken van de dood.
Avernus: De onderwereld.
Persephone en Dis: De koningin en de koning van de onderwereld.
Iope: Misschien voor Antiope, Theseus' vrouw, of de dochter van Aelus.
Tyro: Neptunus' geliefde.
Pasiphae: De vrouw van koning Minos van Kreta, de moeder van de Minotaurus.
Achaia: Voor 'Griekenland.'
Campania: Eigenlijk de streek ten zuiden van Latium.
Diana: De maangodin, Apollo's maagdelijke zuster. Propertius: 'Breng Diana het offer van de dans, en houd een wake voor Io.'

X

Appel, mijn oogappel, ik zwierf rond
bij nacht en bij ontij,
En aangeschoten,
en zonder een knecht ten geleide,
En een troep jochies, kleintjes, kwam me tege­moet.
Wat voor jochies? Ik weet niet,
Ik durf niet een aantal te noemen
En een paar van hen zwaaiden met toortsjes,
en anderen met pijlen,
En de rest van hen sloeg me in ketens
en ze waren piemelnaakt, het hele stel,
En één had het stevig te pakken.

'Die woedende juf,' zei hij,
'heeft hem ons in handen gegeven.'
En de strik gleed om mijn nek.
En een ander zei: 'Pleur hem maar in het midden.
Hierheen met hem, hierheen.'
En weer een ander riep er doorheen:
'Hij wil ons niet aanzien voor goden!

En ze heeft op hem zitten wachten,
de klootzak, in haar nieuwste negligé,
import uit Sidon,
En gedrenkt in parfums, niet mooi meer!
God weet waar hij uit heeft gehan­gen!
En ze hield haar ogen niet meer open.
Zet dat op zijn kerfstok.
En nu, vooruit!'

En zo kwamen we bij het huis.
en ze gaven weer een ruk aan mijn man­tel,
En het daagde, en ik wilde zien
of ze alleen was en rustte;
En ze lag alleen in haar bed, Cynthia.
Ik was perplex,
Ik had haar nog nooit zo mooi gezien,
Zelfs niet in haar fraaiste creaties.

Zo keek ik er tegenaan, ja, net
uit mijn visioenen ontwaakt,
En je moet constateren dat de zuivere vorm
haar pluspunten heeft.

'Je bent er vroeg bij met je inspectie van je maîtresse,
Denk je soms dat ik jouw levenswandel aan heb geno­men?'
Op het bed geen spoor van een
liefdesduel,
Geen spoor van een andere bijslaap.

En ze vervolgde:
'Nee dus, geen incubus heeft me beslapen
Ook al is de spirituele wereld berucht om zijn geilheid,
En nu ga ik naar de tempel van Vesta...'
Etc.

En sinds die ochtend heb ik geen nacht van genot
meer gekend.

Aantekeningen
Een troep jochies: Amores.
Sidon: De stad in Phoenicië, beroemd om zijn purperen verfstoffen.
Incubus: Een boze geest die geslachtelijke gemeenschap heeft met een vrouw.
Vesta: De Romeinse godin van het haardvuur, van de huiselijke haard en (vandaar afgeleid) ook van de eendracht en de veiligheid in de staat.

XI

            1.
Steeds weer door je lichtzinnigheid
Gekwetst,
Hier hang ik, minnaars vogelschrik.


             
2
Een uitweg! Jij gek, een uitweg bestaat niet.
Vlucht als je wilt naar Siberië,
verlangen zal je er vervolgen.
Al verhef je je in de lucht, op het vergulde
zadel van Pegasus,
Al zouden je Perseus' veren sandalen
Optillen door de splijtende lucht,
Voor jou is er in Hermes' hoger sferen geen schuil­plaats.

Want Amor staat op je. Amor ment minnaars,
Een zwaar gewicht op een vrije nek.

Wat ontvlucht je? De stad? Nee, onze ogen.
Je doet niets. Ja, ijdele plannen tegen me smeden.
En... o, o, genoeg!
Bij bedauwde grotten,
De muzen klampen zich vast aan de wanden,
aan bemoste rotsrichels:
Zeus' seksuele escapades in vroeger dagen,
De verbrande Semele, en Io, hopeloos ver­doold...
O, de vogel die opvloog van Iliums daken!
Ida sliep met een herder, bedreef de liefde
tussen de schapen.

Zelfs daar geen uitweg,
Noch het strand van Hyrcanië, noch op zoek naar
de kusten van Eos.

Maar alles vergeten voor één nacht als jouw speeltje…
Ook al tippel je op de Via Sacra
met een pauwenstaart als waaier.


Aantekeningen
Siberië: Propertius noemt de Tanais, de Latijnse naam voor de rivier de Don. Ranaus is misschien veroorzaakt door een onopgemerkte, of genegeerde drukfout.
Pegasus: Het dichterspaard.
Perseus: Hermes leende Perseus vleugels bij diens poging de Gorgon te doden.
Hermes: De Romeinse god Mercurius, die de lucht doorkliefde als de boodschapper van de goden
Amor: De god van de liefde.
'Laat de mensen toch praten': Cynthia is aan het woord.
Sparta: Het koninkrijk van Menelaus, de echtgenoot van Helena.
Venus: Een toespeling op het verhaal hoe Venus door haar echtgenoot Hephaestus werd betrapt op overspel met Mars, gevangen in een net, en tentoongesteld aan de verzamelde goden.
De vogel: Jupiter werd verliefd op Ganymedes, de zoon van Tros, en roofde hem in de gedaante van een adelaar.
Ida: Op de berg Ida verleidde Paris Oenone.
Hyrcanië: De streek ten zuiden van de Kaspische zee.
De kusten van Eos: Waar de zon opkomt: Eos was de godin van de dageraad.
Via Sacra: de hoofdstraat van Rome, die langs de tempel van Vesta liep: een plek waar zich prostituees ophielden.

XII

Wie o wie zal zijn meisje nog aan een
vriend toever­trouwen!
Liefde strookt niet met fijngevoeligheden:
De goden hebben hun verwanten beschaamd;
Iedereen wil de granaatappel voor zichzelf.
Kalme, beminnelijke mensen storten zich
hals­overkop in duels;
Een Trojaan, een echtbreker, kwam tot Menelaus
onder de verplichtingen van gastvriend­schap;
En dan die kwestie in Colchis,
Jason en die vrouw in Colchis.
En trouwens Lynceus,
je was dronken.

Kon je zo'n bandeloosheid verdragen?
Ze stond niet bekend om haar trouw;
Maar een mes in mijn rug, een fikse beker ver­gif -
Liever dat, beste jongen, mijn beste Lynceus,
Broer, broer van mijn leven, van mijn beurs, van mijn zelf...
In één bed maar, enkel en alleen in één bed, amigo,
ontzeg ik je recht op verblijf.
Ik zou van Zeus niet minder verlangen.

En jij maar schrijven hoe Acheloüs met Hercules wor­stelt,
Over Adrastus' paarden, grafriten voor Achenor,
En maar aankomen met navolgingen van Aeschylus!
En al maak je een puinhoop van Antimachus,
Nu heb je Homerus ook al op je lijstje.
En dat terwijl meisjes maling hebben aan goden!
Van al die jonge vrouwen niet één
die stilstaat bij de oorsprong der wereld,
Bij de oorzaak van maansverduisteringen,
Bij de vraag of er maar dát van ons rest
Als we over de Acheron zijn,
of een blikseminslag is voorbeschikt,
Of bij welke grote levensvraag ook...

In de modder bij Actium is Vergilius Phoebus' gezags­drager.
Hij houdt de lijst bij van Caesars schepen;
Hij dondert over Ilium,
Hij rammelt met Aeneas' Trojaanse wapens
En stapelt voorraden op Lavinische stranden.

Uit de weg gij Romeinen,
Ontruimt de straten, o Grieken,
Want een grotere Ilias staat in de steigers
(En op bevel van de keizer!);
Uit de weg, gij Grieken!

En jij, je volgt hem ook 'in de Phrygische lommer:
Thyrsis en Daphnis snijden rietfluiten;
En de tien zonden die jonge maagdjes bedreigen;
Gunsten in ruil voor een bokje, zwellende uiers;
Lekker liefdesaffairetjes kopend met ap­pels.

Tityrus had dezelfde meid kunnen bezingen;
Corydon flirt met Alexis
Net als de boer zelf, en lui uitgestrekt in het koren
Laat hij de loftuitingen van
Verdraagzame hamadryaden over zich heen gaan.'
En zo maar door en maar door, de oude Poot is er niets bij:
'Biezen begroeien de vlakte en druiven de hel­ling.'

En dan ik, aan mijn vingers bleef niet veel hangen;
Ik had geen generaal als grootvader.
Ik triomfeer tussen dametjes van twijfelachtige ze­den,
Mijn talent toegejuicht aan hun feestdis.
Ik word geëerd met de kransen van gisteren.
En de god snijdt tot het been.

Als een goedgedresseerde schildpad zou ik
Verzen maken in jouw stijl, Maro, als zij dat wenste
En bij haar man verzachting van 't vonnis be­pleitte,
En zelfs zo'n schoftenstreek zou me
Niet veel applaus opleveren
Als ik geleerd was, of hartstochtelijk,
Want het nobele gepeupel verdraagt niets onder
het eigen niveau.
Sonoor moet je zijn, sonoor en weerklinkend
…als een gans.

Varro zong van Jasons tocht,
Varro van zijn grote liefde, Leucadi­a,
Er zit muziek in die verzen; en de ongegeneerde Ca­tullus
Van Lesbia, Helena's weerga;
En ook op Calvus' purperen pagina's,
Calvus die rouwt om Quintilia,
En die nu, onlangs, zong over Lycoris, Gallus,
Schone, overschone Lycoris -
De Styx met zijn wateren depte de wonde;
En nu Propertius over Cynthia, tussen hen staat hij zijn man.


Aantekeningen
Een Trojaan: Paris, die Helena verleidde.
Colchis: Toespeling op de tocht van Jason en de argonauten om het gulden vlies te halen. Colchis is een landstreek ten oosten van de zwarte zee. De vrouw uit Colchis is Medea.
Lynceus: Een fictief karakter, een rivaal van Propertius.
Acheloüs: Een riviergod die twee maal vocht met Hercules om de hand van Deianira.
Adrastus' paarden: Adrastus was een koning van Argos, leider van de 'Zeven tegen Thebe.' Na de nederlaag ontsnapte hij op zijn paard Arion, dat zou hebben gesproken aan het graf van Archemorus (hier onder de naam Achenor).
Aeschylus: De oudste Griekse tragediedichter (ca. 525 - ca. 456 v. Chr.).
Antimachus: Griekse schrijver (ca. 400 v. Chr.), auteur van de Thebaïs.
Actium: De plaats waar Augustus Marcus Antonius versloeg in 31 v. Chr.
Aeneas: Trojaanse held, hoofdpersoon van Vergilius' Aeneis.
Lavinische stranden: De stranden van Latium, de landstreek rond Rome.
Een grotere Ilias: Namelijk de Aeneis.
Bevel van de keizer: Vergilius voldeed aan de vraag van Maecenas en Augustus naar vaderlandslievende poëzie. In tegenstelling tot Propertius.
De Phrygische lommer etc.: Toespelingen op Vergilius Eclogae. In boek VII zegeviert Thyrsis in een zangwedstrijd over Daphnis.
Tien zonden: Propertius: 'Tien appels kunnen een meisje verleiden.'
Tityrus, Corydon, Alexis: Figuren uit Vergilius' Eclogae. Tityrus is wel opgevat als een zelfportret van Vergilius. Corydon is bij Vergilius een jonge herder die verliefd is op Alexis.
Hamadryaden: Boomnimfen.
Poot: Propertius noemt de Ascraeïsche dichter, Hesiodus. Het is duidelijk dat Pound geen bewonderaar was van Wordsworth.
Schildpad: Een woordgrapje van Pound: het Latijnse testudo betekent 'schildpad' en 'lier.'
Maro: Een sneer naar Vergilius: Publius Vergilius Maro.
Varro: Latijns dichter, geboren in 82 v. Chr. Hij bewerkte de Argonautica van Apollonius Rhodius. Zijn liefdesgedichten voor Leucadia zijn niet bewaard.
Catullus (84 - 54 v. Chr.) is  beroemd om zijn liefdesgedichten voor Lesbia.
Calvus (82 - 47 v. Chr.): Van zijn gedichten is niets bewaard.
Purperen pagina's: Het betreft namelijk rouwpoëzie.
Gallus: Cornelius Gallus (69 - 26 v. Chr.) schreef (niet bewaarde) liefdespoëzie voor Cytheris.

CANTUS PLANUS

De zwarte panter onder zijn rozenboom
En jonge herten snuffelen aan zijn flank.

Evoe, Evoe, Evoe Baccho, O
ZAGREUS, Zagreus, Zagreus

De zwarte panter onder zijn rozenboom.

|| Hesper adest. Hesper || adest

Hesper || adest. ||


Aantekeningen
Cantus planus: Een term om de kerkmuziek aan te duiden van voor de komst van de polyfonie, éénstemmige gregoriaanse muziek.
Zwarte panter: De panter verwijst naar Dionysus. Misschien op te vatten als symbool van dood en wedergeboorte. In de Aberdeen Bestiary van ca. 1200 (Aberdeen University Library MS 24) is de panter een beeld van Christus: 'Er is een dier, panter genaamd, veelkleurig, uiterst mooi en heel zachtaardig. De Physiologus zegt erover dat de draak zijn enige vijand is. Als de panter heeft gegeten en verzadigd is, verbergt hij zich in zijn hol en slaapt. Na drie dagen ontwaakt hij en brult, en er komt een overzoete geur uit zijn bek, als het ware een mengeling van alle geuren. Als de andere dieren zijn stem horen, volgen ze hem waar hij gaat, alleen de draak wordt gegrepen door angst als hij zijn stem hoort […] Op dezelfde manier redde onze heer Jezus Christus, de ware panter, ons door af te dalen van de hemel en ons te redden van de dood […] .'
Fawns: Een fawn is in het Engels een jong hert. Wat meeklinkt is fauns, de veld- en bosgoden van de Romeinen.
Evoe Baccho: De jubelkreet van de Bacchanten.
Zagreus: Drie keer herhaald, met afnemende nadruk: een van de namen van Bacchus / Dionysus.
Hesper adest: Herinnert aan vesper adest (Catullus 62), met dezelfde betekenis: 'de avond valt'.



POUNDS HOMMAGE AAN SEXTUS PROPERTIUS

I.
Er is met Ezra Pounds Homage to Sextus Propertius iets bijzonders aan de hand. De titel presenteert het gedicht als een eerbetoon aan Sextus Propertius, de Romeinse dichter uit de tijd van Augustus (ca. 47 tot ca. 15 voor Chr.). Maar toen het gepubliceerd werd (in de eerste helft van 1919 in een tijdschrift; later dat jaar in de bundel Quia pauper amavi) viel het al snel op dat deze hommage veel weg heeft van een vertaling. Het eerste gedicht van de Homage is gebaseerd op het eerste gedicht van het derde boek van Propertius' Libri Elegiarum maar er worden her en der regels en groepen regels weggelaten die blijkbaar niet in Pounds kraam te pas kwamen, en er wordt ook wel het een en ander bijgedicht. Het tweede gedicht is op dezelfde manier gebaseerd op Propertius III, 3; het derde op III, 16; het vierde op III, 6; en in het vijfde gedicht zijn delen gebruikt van Propertius II, 10 en II, 1. Sommige gedichten zijn ware collages van tekstfragmenten. In het zesde gedicht van de Homage zijn stukken gebruikt uit Propertius II, 13b, III, 5, III, 4, III, 5 en weer II, 13b. Gedicht IX spant de kroon. Het is samengesteld met behulp van I, 15:1-3; II, 30a:l-8; II, 32:18-28 en 31-34; II, 30b:26-30; II, 32:35-26; II, 30b:20; II, 32:29-30 en II, 24b:11 en 14.

Bij nadere bestudering blijkt dat Pound zich ten opzichte van zijn Latijnse voorbeeld vergaande vrijheden permitteert. Callimachi manes et Coi sacra Philetae (Propertius III, 1:1) wordt in Homage 1:1 nog tamelijk getrouw gevolgd met Shades of Callimachus, Coan ghosts of Philetas. III, 1:5,6, 'In welke grot hebt ge de fijne draad van uw lied gesponnen, hoe tradt ge binnen, welk heilig water hebt ge gedronken', wordt krachtig geparafraseerd: Who hath taught you so subtle a measure, in what hall have you heard it; / What foot beat out your time-bar, what water has mellowed your whistles! Maar Pound heeft nog wel sterker in huis. Een aantal regels verderop krijgt Propertius III, 1:15-16, 'Velen zullen, Rome, loftuitingen aan uw annalen toevoegen, door te zingen dat Bactra de grens van uw rijk zal vormen' een fraaie wending met: Annalists will continue to record roman reputations, / Celebrities from the Trans-Caucasus will belaud roman celebrities / And expound the distensions of empire. En wat hiervan gedacht: in het tweede gedicht duikt plotseling, onmiddellijk achter de speer der Horatii, een boekenstalletje op van Q.H. Flaccus; en in Propertius' wijnkelder, zo maakt Pound duidelijk, bevindt zich géén frigidaire patent.

Maar het is niet alleen vrijpostigheid jegens zijn Latijnse voorbeeld waaraan Pound zich schuldig maakt. Er zijn ook plaatsen, waar de verdenking rijst dat Pound de Latijnse tekst niet helemaal begrepen heeft. Een meer dan eens aangehaalde passage is die in het eerste gedicht, waar hij Propertius laat zeggen dat zijn kelders niet vol liggen met a Marcian vintage - terwijl in Propertius II, 1:14 in feite gezegd wordt dat bij hem het water van het Marciaanse aquaduct niet door fraai aangelegde grotten stroomt. Pound heeft morrend toegegeven dat hij inderdaad even niet aan de waterleiding had gedacht. Maar er is veel meer. Alleen al in het eerste gedicht. Het Cythaeron-gebergte verandert onder Pounds pen in een niet-bestaande figuur Citharaon; de wouden van de Phaeaken worden ten onrechte in lonië gesitueerd; Polyphemus, de cycloop, werd verliefd op de nimf Galathea, oké, maar de 'druipende paarden' waren in Propertius' tekst niet van hem, maar van haar.

Pound heeft zich met zijn werkwijze in de Homage to Sextus Propertius een berg kritiek op de hals gehaald. Vanaf de oorspronkelijke tijdschriftpublicatie heeft hij de wind van voren gekregen, in de eerste plaats natuurlijk om werkelijke en vermeende vertaalfouten. Maar ook de vrijheden die hij zich permitteert, zijn interpolaties, zijn modernismen, werden hem door velen niet in dank afgenomen. T.S.Eliot weet er in 1928, bijna 10 jaar later, blijkbaar niet goed raad mee. Ondanks een aantal lovende opmerkingen, liet hij de Homage weg uit de selectie die hij maakte uit Pounds gedichten. 'Omdat het niet genoeg een vertaling is, en omdat het aan de andere kant te zeer een vertaling is om begrijpelijk te zijn voor any but the accomplished student of Pounds poetry. ' Alleen voor ingewijden. Het lijkt me een typisch Eliot-oordeel. Opmerkelijk is overigens dat Eliot in een Postscript bij de Selected Poems uit 1948 opmerkt dat hij nu met less cautious admiration over de Homage zou schrijven. Long standing increases all things, zal Pound gegromd hebben.

Is de kritiek die men heeft gehad op de Homage op zijn plaats? Het hangt er van af hoe je het bekijkt. Als je de Homage als een vertaling beschouwt, inderdaad, dan is het een vertaling waarop nogal wat is af te dingen. Maar is het een vertaling? Het lijkt me eigenlijk niet. De Homage to Sextus Propertius is zelfs geen navolging, of een vrije bewerking. Het is een authentiek gedicht van Ezra Pound. Een eerbetoon aan een Romeinse dichter, in wie hij een geestverwant, en ook een 'modem' personage meende te herkennen. My job, zo schreef hij later, was to bring a dead man to life. To present a living figure. Pound heeft in een dramatische monoloog een personage Propertius geschapen, en hij heeft daarbij als bouwstof gebruik gemaakt van de gedichten. Dat hij die interpreteert, er aan toevoegt, er uit weglaat, en dat hij fragmenten op een volstrekt eigen, eigenzinnige manier met elkaar verbindt, het zijn legitieme procédés. Zelfs Pounds vertaalfouten hoeven hem, vanuit dit gezichtspunt, niet te worden aangerekend. We zijn even niet geïnteresseerd in een filologisch betrouwbare weergave van Propertius’ poëzie; we willen van Pound zelfs geen historisch verantwoord beeld van de Romeinse dichter. Pound grijpt, met soevereine minachting voor de details van de betekenis, uit Propertius' gedichten de elementen waarin hij zijn hoofdpersoon tot leven ziet komen: hij is een dichter en als dichter schept hij voor ons zijn eigen onvervalste, en onfalsifieerbare Propertius.

En die Propertius is interessant genoeg. Pound heeft van hem, precies zoals hij wilde, een springlevende figuur gemaakt. Iemand met inleefbare gevoelens, gedachten en ervaringen. Een ironicus, een sarcast, een man met een flinke dosis zelfspot. Het is een beeld dat een interessant licht werpt op Propertius' elegieën. Maar het is natuurlijk in de eerste plaats een fascinerende creatie van Pound. Een personage waarin je zonder moeite iets van Pound zelf herkent. Van zijn eigen onconventionaliteit; zijn energie; zijn typerende melancholie. Van zijn spontane, eigengereide, enigszins halfgare, maar wat mij betreft – ondanks zijn merkwaardige politieke opvattingen – hoogst sympathieke persoonlijkheid.


2.
Pound is, denk ik, vooral een meester van het korte gedicht, in kort bestek komt zijn kracht het beste naar voren. In het epigram, met feilloze, haarscherpe observaties, bijna korzelig van trefzekerheid: Suddenly discovering in the eyes of the very beautiful Normande cocotte / The eyes of the very learned British museum assistant. In het fascinerende, kristalhelder geformuleerde beeld: The apparition of these faces in the crowd; / Petals on a black wet bough. Pound op zijn best is vaak zo helder dat hij bijna prozaïsch is, met een toon van sarcasme waaronder permanent een heel eigen melancholie - ik zou bijna zeggen weemoedigheid - voelbaar is. Zoals in een gedicht waarin een zigeuner ten tonele wordt gevoerd, op weg naar Clermont, die de dichter vraagt: Have you seen any others, any of our lot/ 'With apes or bears'(...) The-wind came and the rain, / And mist clotted about the trees in the valley,/ And I'd seen a lot of his lot.../ ever since Rhodez / Coming down from the fair of St. John, / With caravans, but never an ape or a bear.

Gedichten van Pound hebben vaak een collageachtig karakter. Beelden, gedachten, flarden dialoog, citaten worden naast elkaar gezet, associatief verbonden, maar zonder dat de verbinding duidelijk wordt aangegeven. Sprongen in tijd of in ruimte worden niet geëxpliciteerd. Vaak ontstaat daardoor een indruk of er verschillende stemmen spreken, elkaar aanvullend of tegensprekend, ironiserend; op elkaars opmerkingen voortbordurend of ze een andere kant op drijvend. Het effect kan hallucinerend zijn: The salmon-trout drifts in the stream,/ The soul of the salmon-trout floats over the stream / Like a little wafer of light.// The salmon moves in the sun-shot, bright shallow sea...//As light as the shadow of the fish that falls through the water,/ She came into the large room by the stair,/ Yawning a little she came, with the sleep still upon her.// 'I am just from bed, the sleep is still in my eyes./ Come. I have had a long dream. '/ And l: 'That wood? / And two springs have passed us.' / 'Not so far, no, not so far now,/ There is a place - but no one else knows it - / A field in the valley.../ Qu'ieu sui avinen / leu lo sai.' // She must speak of the time/ Of Amaut de Mareuil, I thought, 'Qu'ieu sui avinen ' // Light as the shadow of the fish / That falls through the pale green water.

In The Cantos, zijn magnum opus, gaat Pound net zo te werk. Ook hier warrelende collages van beelden, dialoog, citaten. Op veel plaatsen levert dat verbijsterende, en onvergetelijk mooie poëzie op. Maar in het grote werk komen, vrees ik, ook Pounds zwakke kanten genadeloos aan het licht. Zijn grilligheid. Zijn onwil, en zijn onmacht, om te componeren, om een eenheid te scheppen. Pound is de man van het moment. Van de onweerstaanbare inval. Van de betoverende beelden. Een totaalconcept waaraan al dat moois ondergeschikt is, past hem niet. En je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat hij ook niet in staat is het te ontwerpen. Aan het eind van zijn leven schijnt Pound een vernietigend oordeel te hebben uitgesproken over de Cantos: I botched it. I picked out this and that thing that interested me, and then jumbled them into a bag. But that's not the way to make - a work of art. Het is een hard oordeel. En het doet geen recht aan de fraaie poëzie die in de Cantos te vinden is. Maar Pound legt hier, naar het mij voorkomt, wel de vinger op de zere plek.


3.
Ook de Homage to Sextus Propertius is typisch een collagegedicht. Dat blijkt natuurlijk vooral uit de manier waarop de tekst is opgetrokken uit Propertius' elegieën. Maar ook op een ander niveau, in de bewerking van de fragmenten, vind je voortdurend wat karakteristiek is voor Pounds manier van werken: de bruuske wendingen en het zonder verbinding naast elkaar zetten van tekstelementen. Pound is niet alleen verantwoordelijk voor deze kenmerken. Voor een belangrijk deel zijn ze al in zijn Latijnse voorbeeld te vinden. Het is Propertius' eigen karakteristieke 'springerige stijl' - ongetwijfeld een van de redenen waarom Pound zich tot de Romeinse dichter voelde aangetrokken. Maar Pound accentueert de springerigheid van zijn voorbeeld in niet geringe mate. Het is soms of zijn Propertius 'met stemmen spreekt' - een soortgelijk door elkaar praten en elkaar in de rede vallen van stemmen als ik hierboven signaleerde.

In de Homage is de functie van deze glossolalie vooral ironiserend. Al dadelijk in het begin van gedicht I is dat zichtbaar. Na de vijf eerste, hooggestemde regels, valt de 'ik' zichzelf in de rede met een reeks retorische vragen. In de tweede strofe komt de wending naar ironie. De stem die de 'melodie' inzet, wordt al na twee regels onderbroken door een koor van plagerige stemmen ('wij houden...', 'een nieuw type kar...', 'een jonge muze...', 'maar een snelweg...') - om in strofe 3 de draad van het sarcasme onverstoorbaar weer op te pakken. En zo maar door. Op een vergelijkbare manier, maar ook op allerlei andere manieren. In IV bijvoorbeeld in de stem die door Propertius' berisping van Lygdamus heen praat ('veel conversatie is het bezit van een huis waard'); en in V, waar een serie platte sententies benadrukt hoe clichématig de verontschuldigingen zijn die Propertius aanvoert voor het mislukken van zijn epische aspiraties ('zelfs de poging is al lofwaardig' enz.). Soms is maar moeilijk uit te maken wie waar precies aan het woord is. Zoals opnieuw in IV, waar de weergave van Lygdamus' woorden, Lygdamus' weergave van de woorden van de geliefde, en Propertius' eigen sarcastische commentaar in elkaar over gaan. Of in het begin van het tweede deel van XI, waar het lijkt of Propertius achtereenvolgens zichzelf toespreekt, zijn geliefde toespreekt, en zichzelf en zijn geliefde in dialoog opvoert.

Doordat bij deze extreme springerigheid de eenheid van stof bewaard blijft, leidt Pounds werkwijze in de afzonderlijke gedichten van de Homage nergens tot onsamenhangendheid. Al komt de compositie soms flink onder druk te staan, op zijn eigenzinnige manier weet Pound tot en met het dronken gestamel van de Cantus Planus waarmee het gedicht wordt afgesloten de spanningsboog in stand te houden. Het resultaat is een reeks gedichten, die voor mij tot het mooiste horen wat de Amerikaanse dichter geschreven heeft.

Jos Houtsma

Nog wat Franse klassieken

 

Verlaine


Que ton vers soit la bonne aventure
Éparse au vent crispé du matin
Qui va fleurant la menthe et le thym…
Et tout le reste est littérature.



Je vers dat moet als de natuur
in de frisse bries van de ochtend zijn,
geurend naar verse munt en tijm -
of het is maar literatuur.

(Paul Verlaine, Art Poétique)    

 

Maneschijn


Paul Verlaine, Clair de lune


Je ziel is een betoverd landschap, waar
de gasten een bizarre maskerade
opvoeren, dansend, musicerend, maar
toch bijna triest in hun vreemde gewaden.

Ze zingen in mineur over het leven
en over liefde en over liefdespijn
en lijken niet om hun geluk te geven;
hun lied vermengt zich met de maneschijn,

de kalme, trieste maneschijn: oase,
waar vogels dromen in de bladerweelde,
en waar fonteinen snikken van extase,
fonteinen, groot en slank, met marmerbeelden.


In het gras

Paul Verlaine, Sur l’herbe


De abbé leutert! - En u, markies,
uw pruik staat weer helemaal scheef.
- Deze wijn: u zegt uit Cyprus? Exquis!
Maar o Camargo, uw keel...

- Mijn engel... - Do mi sol la si.
- De abbé is weer zó vervelend!
- Bij god, lieve dames, ik pluk voor u
desnoods een ster van de hemel.

- Ik wou dat ik uw hondje was...
- Nu kussen we onze dames,
Ja, één voor één. - Hier, in het gras?
- Do mi... - Hee, hallo zeg, het maantje...


Het huilt in mijn hart

Het druilt in de stad
en het huilt in mijn hart.
Wat is dat voor smart
die daar huist in mijn hart!

O regen, uw ruis
op de straat, op het huis!
O regen, uw lied
voor een hart vol verdriet,

voor een moedeloos hart!
Geen reden voor smart,
verlies noch verraad,
het weet van geen kwaad,

de enige pijn
is onwetend te zijn.
Geen liefde, geen haat,
en toch dat chagrijn?


Beams


Paul Verlaine, Beams


Ze wilde er even uit, een stukje strand afgaan,
en daar de hemel net weer open was gewaaid
schikten we ons willig naar haar tomeloze aard,
liepen haar zilte weg langs, trouw achter haar aan

De zon straalde hoog aan een opgeklaarde lucht,
haar blonde haar was als met poedergoud verlucht;
en wij, vertederd en verrukt, wij liepen mee,
zo stil, zo rustig als het ruisen van de zee

Overal vogels waar het zonlicht op weerkaatste;
en in de verte sneeuwde een sneeuw van witte zeilen;
er lagen strengen wier, waarover we bij wijlen
wegglibberden, maar zo behendig of we schaatsten.

Soms draaide ze zich om, toch min of meer beducht
dat we niet volgden, maar zodra ze ons dan ontwaarde,
zo opgetogen, trots, haar uitverkoren schare,
liep ze tevreden door, haar kin fier in de lucht.


Rimbaud

Ook voor Rimbauds adolescentenpoëzie een plaatsje:


De wolf huilde

Arthur Rimbaud, Le loup criait


De wolf huilde onder de struiken
en kotste de veren uit van
de kip die hij op had gevreten -
en ook ik weet niet meer wat ik kan.

Het fruit en de sla
en de prei en de glanzende kooltjes
zijn rijp voor de oogst, maar de spin
in de heg eet alleen maar viooltjes.

Laat me slapen! O god, laat me koken
op Salomons altaars totdat
het kookvocht het roest overstroomt en
uitvloeit in Susanna haar bad.


Ô saisons, ô châteaux


O seizoenen, kastelen!
Wie is zonder gebreken!

O seizoenen, kastelen!

Ik studeerde magie, en ik vond
het geluk waaraan niemand ontkomt

en dat alles vermooit en verfraait
als zijn Gallische haantje maar kraait!

Wat heb ik nog te verlangen?
Geluk heeft mijn leven gevangen,

het betoverde lichaam en ziel,
zodat elke noodzaak verviel

en ieder woord dat ik dicht,
verwaait en gaat op in de lucht

O seizoenen, kastelen


[Hierna, doorgestreept in het manuscript:


En sleept mij het ongeluk mee,
dan weet ik, mijn tijd is geweest,

dan takel ik onverwijld af
en ben ik ten prooi aan het graf.

O seizoenen, kastelen!
Wie is zonder gebreken!]

Een mooie ochtendintentie

Arthur Rimbaud, Bonne pensée du matin

In zomernachten om vier uur -
alle gelieven slapen nog,
in de bosschages hangt de geur
van hun gelag.

Maar in hun werkplaatsen weids
onder de zon der Hesperiden
roeren zich in hemdsmouwen reeds
de timmerlieden.

In hun arcadisch toevluchtsoord
vervaardigen ze op hun gemak
plafonds met valse luchten voor
de stadse kak.

Ik bid u Venus, voor dit volk
van een satraap van Babylon,
laat uw gelieven op hun wolk
en kom, o kom,

o haast u hier-
naar toe, en neem jenever mee
zodat de werkers hun vertier
hebben tot aan hun middagbad in zee.


Éternité


Arthur Rimbaud, L’éternité

Ze is weer terug.
Hè? - De Éternité.
De zon komt over
de brug met de zee.

En, mijn schildwacht, mijn ziel,
wij bekennen ons nu
tot de nacht, zo futiel,
en het daglicht, zo cru.

En we blijven onthecht
van wat wordt gezegd
en wat springt in het oog,
en we floepen omhoog.

Want in u allicht,
o spervuur van sits,
gloort een hogere plicht
zonder maar, zonder mits.

Daar geen woord over hoop,
geen “wacht eerst maar af”.
Enkel weten en lijden,
zekere straf.

Ze is weer terug.
Hè? - De Éternité.
De zon komt over
de brug met de zee.


Hoog van de toren


Arthur Rimbaud, Chanson de la plus haute tour


Lamlendige jeugd
die om elke grap lacht!
Fijnzinnigheid heeft
me om het leven gebracht.
Maar ooit komt de tijd
dat we worden verblijd.

En ik meen dat ik zwi­cht
en ik schik me in mijn lot:
en als er geen zicht
is op hoger genot,
welaan dan, trotse een-
zaamheid, sluit om me heen.

Ik heb zoveel geduld
dat ik alles vergeet;
nooit meer worden ver­vuld
mijn vrees en mijn leed.
Alleen, zwaar op mijn borst,
een verterende do­rst.

Als de velden, gedoemd
tot vergeten, vol kleuren,
verweidst en verbloemd
en bedwelmd door geu­ren
en de zoemende gekte
van horden insecten.

Mijn ziel, o mijn ledige
onttakelde nest!
Notre Dame is het enige
beeld dat me rest.
Bidt men daar onver­saagd
tot de heilige ma­agd?

Lamlendige jeugd
die om elke grap lacht!
Fijnzinnigheid heeft
me om het leven gebracht.
Maar ooit komt de tijd
dat we worden verblijd.

Guillaume Apollinaire


Jachthoorns


Guillaume Apollinaire, Cors de chasse


Voornaam maar wreed is ons verhaal
als het masker van een tiran.
Geen grootse daden, geen kabaal,
en niets van wat ons overkwam
maakt wat er is gebeurd banaal.

En Thomas de Quincey drinkt van
zijn zoete opium en vindt
als in een droom zijn weg naar An.

Voorbij, voorbij. Maar zeer bemind,
ik keer er terug zo vaak ik kan.

Herinneringen: jachthoorns van
heel ver, verwaaiend in de wind.

Thomas de Quincey, auteur van de Confessions of an English Opium Eater, Ann was de prostitué die zich over hem ontfermde toen het water hem aan de lippen stond.


Pont Mirabeau


Apollinaire: Pont Mirabeau


Onder Pont Mirabeau passeert de Seine
en onze liefde,
hoe moet ik er aan wennen,
pas na verdriet leer je de vreugde kennen.

De avond valt, de klokken slaan,
de dagen verglijden en ik blijf staan.

We leunden er over de balustrade
en onder ons,
onder ons stroomt het water
en wat onze ogen zien laat zich niet raden.

De avond valt, de klokken slaan,
de dagen verglijden en ik blijf staan.

Liefde vergaat, spoelt weg zoals het water,
liefde spoelt weg,
wat is het leven traag en
wat zijn onze verwachtingen beschamend!

De avond valt, de klokken slaan,
de dagen verglijden en ik blijf staan.

De tijd verstrijkt, de dagen, weken, maanden.
Liefde en tijd
laten zich niet herhalen.
Onder Pont Mirabeau passeert het water.

De avond valt, de klokken slaan,
de dagen verglijden en ik blijf staan.

 

woensdag 16 september 2026

Baudelaire

 

Aan de lezer

Charles Baudelaire, Au lecteur

Door dwaasheid, dwaling, zonde en door gebrek aan moed
wordt onze ziel geknecht, en wordt ons lijf gelaafd,
we voeden het berouw, waaraan we zijn verslaafd,
zoals een bedelaar zijn ongedierte voedt.

Zie, onze zonde is taai, en onze wroeging laf;
een schuldbekentenis laten we duur betalen,
waarna we onbezwaard weer door de modder dwalen:
een valse tranenvloed wast onze vlekken af.

Aan onze kussens van ontaardheid vastgeklampt
laten we Satan Trismegistos ons onthalen,
terwijl het rijke erts van onze idealen
in de hoogovens van zijn toverkunst verdampt.

We dansen op het lied dat ons de duivel zingt!
Door elke smerigheid wordt ons gemoed bekoord.
We dalen dagelijks af naar de hellepoort
zonder te walgen van de duisternis die stinkt.

Zoals een lichtmis, die zich op het beurse fruit
stort van het vrouwenvlees in een vuil hoerenkot,
grijpen wij in het gaan elk clandestien genot,
en persen er verwoed de laatste druppels uit.

Zie, gruwelijk, gelijk een kluwen wormen, malen
in onze hersenpan miljoen demonen rond;
de dood: onzichtbaar maar met dof gejammer, stroomt
hij onze longen in wanneer we ademhalen.

Als op het canvas van ons deerniswekkend brein
geen beelden geborduurd zijn - wonderlijk charmant -
van aanrandingen, van vergif, van moord en brand,
dan is dat omdat wij niet zeer vermetel zijn.

Maar van het beestenspul, van jakhals, panter, gier,
teef, aap, slang, schorpioen, al wat er in ons wringt,
en wat er gluipt en sluipt, en wat er krijst en springt
in deze dierentuin van ons infaam vertier,

is één het smerigst en wanstaltigst. Niemand zal
hem horen krijsen met afzichtelijk misbaar,
maar o, hoe graag sloeg hij de wereld in elkaar,
verzwolg hij met één geeuw dit droevige heelal:

Verveling! - In het oog een ongewilde traan,
lurkt hij zijn waterpijp, en droomt van het schavot.
Hij is je welbekend, die lichtgeraakte god,
lezer, jij huichelaar! mijn broer, jij! kijk me aan!

9 april 

Verbanden

Baudelaire, Correspondances


Natuur een kerk met levende pilaren
waar flarden van geprevel zijn te horen.
We wandelen door wouden van symbolen
die als oude getrouwen naar ons staren.

Geluid en kleur en geur, ze responderen,
smelten als echo’s in de verte samen
tot een duistere eenheid, zo totaal en
zo luisterrijk als nacht, als sterrenhemel.

Sommige geuren fris als kinderlijven,
als een hobo zo zoet, als grazig land,
andere rijk en ranzig, dominant,

die alle andere geuren verdrijven -
als amber, muskus, benzoë en mirre
die het verstand vervoeren en de zinnen.


Eén glinsterende traan

Charles Baudelaire, Tristesses de la lune

Avond, de maan ligt lui in weidse wolkensloppen -
zoals een schoonheid in haar kussens, die, ontroerd,
voordat ze wegdoezelt met lichte vingertoppen
de ronding van haar borst ternauwernood beroert.

Wegzinkend in een sneeuw van zachtglanzend satijn
voelt ze hoe ze bezwijmt, terwijl haar schelende ogen
in zielsvervoeringen verdrinken die daar, rein,
als vreemde bloeiwijzen, oprijzen in den hoge.

En laat ze soms één keer, in ledigheid bezweken,
een heimelijke traan op deze globe leken,
dan zal een vroom poëet, een die de nachtrust haat,

hem vangen in zijn hand als in een broze schaal,
één glinsterende traan, die, als een scherf opaal,
hij, voor het licht beschut, diep in zijn hart bewaart.


Je bent te blij

Baudelaire, À celle qui est trop gaie

Je uiterlijk en je gedrag
zijn lieflijk als de morgenstond;
een glimlach speelt je om de mond
als zeewind op een zomerdag.

Wanneer er iets verdrietigs in
je bovenkomt, wordt dat verschoond
door de robuustheid die je toont:
je armen, schouders, fiere kin,

de tintelende kleuren waar
je je in kleedt, voor een poëet
een schouwspel dat hij nooit vergeet:
een bloemendans in een boudoir,

en als symbool in hoger zin
staan ze voor je verknipt genie,
gekkin op wie ik gek ben, die
ik haat zoals ik je bemin!

Ooit, in een tuin vol bonte kleur
waar ik mijn lusteloosheid sleet,
voelde ik, hoe ik, door zon zo heet
als ironie, werd stukgescheurd.

Het groen, het zoete lente-uur
maakten mij zo ontzettend boos
dat ik botvierde op een roos
het gore lef van de natuur.

En net zo wil ik, op een nacht,
vervuld van wellust tot de krop,
laf en geluidloos kruipen op
de weligheid van je geslacht,

wil ik me storten op je vlees,
je schuldeloze borst vermalen,
je ontstelde buik openhalen
met een gapende wond van vrees.

En dan zal, zalig, met een kus
op deze nieuwe lippen, ik
je, duizelend van geile schrik,
mijn gif ingieten, lieve zus. 

Mater dolorosa

Charles Baudelaire, À une Madone

 


Wijgeschenk in Spaanse stijl

Madonna, meesteres, zie, in mijn hoogste nood
bouw ik u een altaar en leg ik voor u bloot,
ver van de wereld, in de krochten van mijn hart,
niet door de koude blik van de kritiek getart,
geëmailleerd met goud en met azuur, een nis
waar ondoorgrondelijk in staat uw Beeltenis.

Met mijn gelikte Vers, als een metalen mal,
kunstvaardig opgebouwd rond rijmen van kristal,
zet ik u op het hoofd een monsterlijke Kroon
en uit mijn Jaloezie, naar een barbaars patroon,
met Tranen afgezet in plaats van Parels, snijd
ik, aardse Lieve Vrouw, voor u een Mantel uit,
zo ruig, zo zwaar, zozeer met achterdocht gevoerd
dat uw bevalligheid geheel is ingesnoerd.

Van schuimbekkende Lust is uw Japon gemaakt,
mijn Lust, die rijst en daalt waar ze uw huid aanraakt,
die op de tenen staat of in de plooien rust
en overal uw blanke en roze lichaam kust.

Uit mijn Verering vorm ik Schoenen van satijn
die weliswaar geen weerga voor uw voeten zijn,
maar die hun tere huid met zachte omhulling sparen
en hun volmaakte vorm altijd getrouw bewaren.

En als ik al, ondanks mijn vlijt als handwerksman,
u niet een zilv’ren Maan tot Voetsteun maken kan,
dan smijt ik u de Slang die in mijn boezem woelt,
dat slijmerig gedrocht dat niets dan afgunst voelt,
onder de voet, waar u, om oude vijandschappen,
als zegevierende vorstin hem zult vertrappen.

Zie mijn Gedachten die, voor uw versierd altaar,
o Maagd en Koningin, zijn als een kaarsenschaar
en zie hun weerschijn in de blauwe koepel staan:
met ogen als van vuur, zo staren ze u aan.
En alles in mij smacht naar u en sleept me mee,
alles wordt Wierookhars en Mirre en Benzoë,
en onophoudelijk mijn stormachtige brein
stijgt op naar u, stijgt naar uw top, sneeuwwit en rein.

Tenslotte, om u als Maria te volmaken
en naast de liefde ook de barbarij te smaken,
zal ik, beul vol berouw, door duist’re lust verslonden,
de zeven Messen smeden van de zeven Zonden,
vlijmscherpe messen, en zonder emotie zal
ik, doelwit kiezend in het diepste van uw al,
ze planten, een voor een, in uw gekweld gemoed:
uw lillend Hart, uw Hart dat snikt, uw Hart dat bloedt.

Het feest van Maria Moeder van Smarten wordt in de katholieke kerk gevierd op 15 september

De albatros

Niet zelden, voor de grap, jagen de schepelingen
op albatrossen, op de reuzen van de zee,
die hoog boven het schip vliegen in luie kringen.
Ze reizen op ons pad over de diepten mee.

Maar niet zodra er een ligt op het dek gevangen,
zo’n vorst van het azuur maar jammerlijk gefnuikt,
of hij laat hulpeloos zijn witte vleugels hangen,
als roeispanen wanneer ze niet worden gebruikt.

Wat ziet die hemeling er onbeholpen uit!
Die ooit zo mooi was, is nu lelijk, ridicuul. :
Tegen zijn snavel klopt een man zijn pijpje uit,
een ander waggelt om hem heen als een debiel.

De dichter heeft iets weg van deze godenzoon,
die op de stormen rijdt, boven belagers zweeft,
een balling is hij hier, ten prooi aan spot en hoon:
lopen is moeilijk voor wie reuzenvleugels heeft.

Op reis

Charles Baudelaire, Le voyage 

1.

We zijn als kinderen, verslingerd aan
kaarten en poststempels van verre landen.
Het universum is een afdruk van
ons brooddronken verlangen, ‘s avonds
bol en enorm in het licht van de lampen,
erbarmelijk verschrompeld in het daglicht.

 

En vroeger of later, tabee, we gaan,
heethoofdig, rancuneus, vol onbestemde
gevoelens, snakkend naar het onbegrensde,
varen we uit op een in werkelijkheid
maar al te zeer begrensde oceaan.
 

De een schudt opgelucht de kluisters af
van laffe liefde voor het vaderland,
de ander wil ontsnappen aan het juk
van huis en haard, een derde is misschien
een van de droevige astrologen die
verdwaald zijn in de ogen van een vrouw
en die zich, in hun hart nog snakkend naar
het wildedierenparfum van hun Circe,
overgeven aan vorst en zonnebrand
om er de littekens te laten helen
van haar gulzige kussen…
 

Maar echte reizigers zijn zij alleen
die reizen om het reizen, die zich met
een hart, licht als een luchtballon, verlaten
op de willekeur van de wind, en die,
als lotelingen lustend naar ‘t kanon,
lusten naar een genot, zo nieuw, zo groots,
zo anders, als geen god zich denken kon.
 

2.

Hoepel en tol zijn ons symbool. O gruwel!
Zelfs op ons kussen draaien we om en om,
onder de zweep van deze niet te blussen
nieuwsgierigheid, die met ons speelt zoals
een engel met een zon.
 

                                   O, ongehoord

fortuin, steeds op een vluchtig doel gespitst
dat nergens is en overal kan zijn,

en waar de mens, door hoop gekweld, als een
krankzinnige achter aan jaagt! Onze ziel
is als een driemastschoener die op on-
bevaren zeeën rondvaart; van de brug
dondert een stem: "Kijk! Daar! Kijk! Daar!";
vanaf de marssteng krijst een tweede stem,
verzengd van waanzin: "Liefde! Erkenning! Rust!"
"Vervloekt, het is een klip! We komen om!"
 

Elk onbeduidend eiland, aangeroepen
vanuit het kraaiennest, is El Dorado -
voor ons bestemd, bewaard tot deze stonde.
Maar de verbeelding, die haar feestdis al
zag aangericht, ziet in het ochtendlicht
slechts een ellendig, afgetakeld rif.
 

O slaaf, o arme slaaf van hersenschimmen.
men zou hem in de ketens moeten slaan!
In zee met hem, dronken matroos, bedenker
van een luchtspiegelig Amerika,
dat de barre leegte enkel leger maakt!
 

Een schooier is hij, door de modder wadend,

de neus omhoog, en droomt van paradijzen.
Zijn kaarsvlammetje roept een visioen
van blauwe grotten op. Caesar! Capri!
 

3.

O reizigers, aan wie we ons vergapen,
welke nobele, tragische relazen
kan men in uw peilloze ogen ontwaren!
welke kosmische schatten liggen er
opgetast in de schrijn van uw memoires!
 

O, laat ons reizen, reizen zonder zeil,
zonder het doffe stampen van machines,
bevrijd ons van de ketens die wij dragen
van onze ledigheid,
en tover op het scherm van onze dwaze
geest het gewemel van uw reisverslagen.
 

Zeg, wat heb je gezien? 

4.

"De sterren zagen

we.” Sterren. Goed. “En golven. Zandwoestijnen.
En ondanks rampspoed onvoorzien, gevaren,
hebben we ons zeer verveeld. Net zo als u.
 

Een gouden zon, een zee van ziedend purper.
Steden, omfloerst door zeldzaam avondrood.
Maar alles was slechts voedsel voor ons kniezen,
voor onze hunkering ons te verliezen
in een fata morgana.
 

Rijke steden

zagen we, uitgelezen panorama’s –
niets dat het haalt bij de verlokking van
veeg zonlicht in een verre wolkenbank.
En altijd zijn we van verlangen krank!
 

- Iedere uitspatting verscherpt de prikkel
van het Verlangen, van die oude boom,
die, door genot bemest, steeds hoger wordt
maar ook steeds dikker, ruwer in de schors!

Groeit hij dan immer, levenskrachtiger
dan een cipres! –
 

Maar goed, hier zijn nog meer

bladen, zorgvuldig uitgelezen voor
het album van uw wellust, lieve broeders,
die alles mooi vindt, wat van ver komt.
Luister:
 

Idolen hebben we gezien met slurven,
tronen met pronkjuwelen ingelegd,
paleizen met de feeërieke weelde -
nachtmerrie van bankroet voor een bankier!
 

We zagen oogverblindende gewaden.
Vrouwen met rode nagels, rode tanden.
Fakirs, geliefkoosd door geleerde slangen..."
 

5.

Ja, ja, en verder? Wat nog meer? 

6.

"O, dwazen!

Verder hebben we ook nog, niet te vergeten,
overal waar we kwamen, ongezocht
en ongewild, van hoog tot laag, bekeken
het drama van de onsterfelijke zonde.
 

De vrouw, slaafs, ijdel en stompzinnig,
die vreugdeloos zich volhangt met juwelen,
zonder walging zich liefkoost; en de man,
een gulzige tiran, laf, bruut, hebzuchtig,
slaaf van een slaaf, een beek in een riool.
 

De beul belust, zijn slachtoffer bezoedeld.
Walgelijk feestgedruis, despoten die
zich aan hun macht benevelen, gepeupel
Wentelt zich gek van wellust in het stof.
 

Alle religies vechten zich, elkaar
vertrappend, op de ladder naar de hemel.
Heiligheid: op een bed van spijkers kronkelt
een wellusteling in een haren kleed.
 

Het mensdom, lallend, zo zelfingenomen
en dwaas als immer, krijst tegen zijn god,
in de gruwzame spasmen van zijn doodstrijd:
“O mijn heer, mijn gelijke, wees verdomd!”

 

En de minst dwazen nog, galante aanbidders
van de onthersening, mijden de horde
die in zijn sleur ten onder gaat, en zoeken
hun toevlucht in de roes. Dat zijn de feiten.
Dat is wereldwijd de orde van de dag."
 

7.

Wel bitter is de lering uit ons reizen:
de wereld is maar klein en afgezaagd;
vandaag, gisteren, morgen, altijd staan we
voor het beeld van ons zelf, een barre plaats
van walging, walging in een woestenij
van eeuwige verveling.
 

Gaan of blijven?

Doe maar zoals u goeddunkt. Want de Tijd,
die wrede gladiator, spreidt zijn netten
net zo goed voor de wandelende jood,
voor de apostel die de wereld afloopt,
als voor wie zich beperkt tot huis en haard.
 

Maar altijd is er hoop. Zelfs als de dood
ons bij de strot heeft, schreeuwen we nog: "Voorwaarts!"
zijn we nog steeds de kinderen die eens
naar China voeren, haren in de wind,
glanzende ogen – met een kloppend hart
schepen we ons in voor de Mare Tenebrum.
 

En hoor, is dat de zoete zingzang niet
van stemmen die ons zeggen: "Kom, hier zijn
de lotusbloemen waar je van wilt eten,
hier oogst men het betoverende fruit
waar je naar smacht. Hier kun je je verliezen

in het namiddaglicht van de eeuwigheid”? 

Het is het oude liedje, het oude drogbeeld.
Je Pylades reikt je de dorre hand,
en zij wier knieën je nog onlangs kuste,
lispelt je toe: "Kom, zwem naar je Elektra…"
 

8.

Kom, Dood, mijn oude kapitein, we gaan!
Kom, licht het anker, deze plek hangt ons
al weer de keel uit. Verder, Dood. Al zijn
ook zee en lucht inktzwart, ons hart is steeds

vervuld van hoop. Schenk me uw roes, en ik
zal onvermoeibaar, er naar snakkend om 
het vuur te koelen dat mijn brein verschroeit, 

vooruit stormen, blindelings in het niets -
hemel of hel, wat maakt het uit, zolang
het onbekend is - snakkend naar Iets Nieuws!

 

 

Een passende kerker

  Een passende kerker “Beaumarchais, een bizarre figuur. Beaumarchais ja, de man van de Figaro. Heel bizar. Intrigant, speculant, advocaa...