dinsdag 20 oktober 2026

Oude politiek

Oude politiek

Uit het kabinet Kok II

De grijsgeblokte goeroe die zich, in
een lang maar met aplomb gebracht betoog
dat eigenlijk over iets anders gaat
“haar fan” noemt, “haar zeer grote fan”, vindt niet

veel bijval, iedereen verdenkt hem van
sarcasme: deze middelbare vrouw
met platgespoten kapsel en gering-
schattende mond lijkt saai als een portret
dat al sinds jaren stof verzamelt in
een kast of in de la van een buffet.

Intussen evenwel verorbert met
verfijnd genoegen – een habitué! –
zij Sachertaart bij Pulchri Studio
en drukt een porseleinen kopje aan
haar lippen voor een heel klein teugje thee.

Om seks geeft ze al een eeuwigheid niet meer.
Toch weet ze zeker – meent althans te weten –
dat ze in háár tijd heel wat heeft uitgevreten.

Wel ordinair misschien als je er op terug-
kijkt, maar toch als herinnering, wanneer
je je er niet overmatig op fixeert,
ook niet verkeerd, denkt ze zelfingenomen.

Achter hermetisch afgesloten deuren
wringt zich het spookbeeld van een lichaam dat
wit is en langgerekt en geil en dat
kermt als een kat, kermt als een naakte kat.


Rick’s choice


Rick ziet de wereld vanuit een vuurtoren
en niet zonder tevredenheid. Allicht.
Onder de enthousiaste lampen van

zijn ogen lijkt alles duizend keer mooier
dan vanaf grauwe, natte, tamelijk
verslonsde duinen hier beneden.

‘s Zondags ter kerke moeten we het wel
zonder hem stellen, maar de banken geuren
naar boenwas en de deuren met

de leren tochtgordijnen zien er uit
alsof hij elk moment
– denkend dat hij zijn 'image' zo bevestigt –

gierend binnen kan komen rennen uit
het holst van de gemiste jaren zestig.

‘s Middags op het ministerie van onderwijs

December 1999, Loek Hermans botst met PvdA, D66 en oppositie over onderwijsgelden.

Leunt tegen plint, rammelt met sleutels in
zijn zak, vaag glimlachend, hij weet wel wat
zijn charme is. De grote lijnen van
ieder dossier beheerst hij door en door,

maar op de fijne kneepjes komt het aan,
op de inspiratie van het ogenblik,
en voordat je het weet sta je voor aap.
Om hem heen hangen voorgangers in ruste,

de portretten van morsdode ministers,
Cats, of hoe heette ook weer die oude knaap,
Deetman, Van Kemenade, Pais – van pais
en vree, lauw kans dat die hem nog iets maakt.

Maar soms – heel zelden! o zo zelden! – rijst
de monnikskop van Ritzen uit zijn slaap…

Kemenade

Minister van onderwijs in Van Agt II

Een koele vogel, Kemenade, kan
hij echt een pijp roken terwijl hij praat.

Of is het een playback: beweegt hij met
zijn mond terwijl de technicus

de afgesproken bandopname draait


Nou, ik kan u vertellen

Hommage aan Neelie Kroes


1.
“Nou, ik kan u vertellen”, zegt ze scherp,
“aan smeergeld doe ik niet en tranen hebben
op mij geen invloed, dus…” Ze kijkt
haar gesprekspartner, een vastgoedbaron
van twijfelachtige integriteit

zo onbeschaamd aan, dat hij niet meer weet
of hij haar bekken moet of niet. Hij grijpt
naar zijn portemonnee, maar zij heeft zich

al afgewend en rommelt in haar tas.
Ze komt tevoorschijn met een telefoon
die jakkert met een ijle oproeptoon.


2.
“Van mededinging weet ik alles af
na tien jaar eurocommissariaat,”
zegt ze poeslief, “waarmee ik maar wil zeggen,
ik ken de regels op mijn duimpje, ik ben
geen vreemdeling in dat Jerusalem.”

“Dit is geen kinderspel,” zegt ze, “dit is
iets voor de mannen in Armanipak.
Het beste is ze bij de nek te grijpen
en heen en weer te schudden tot de krak.”


3.
“Ik leef toevallig in het heden, niet
in het verleden, en al helemaal
niet in de toekomst,” zegt ze, en ze kijkt
alsof ze poep ruikt. Nou, wat wil je, ja?
Wie loopt zo’n topwijf nou niet achterna?

Kardinaalsmuts

Maart 2013

Ik zag op het hoofd van Felix Rottenberg
een roze kardinaalsmuts met een steeltje,
en zijn knikken en hoofdschudden
kreeg op slag iets prelatigs.

Dit maakte zijn bekommernis
om de gewone man, uit “lagere beroepen”,
niet minder echt natuurlijk, maar is zo’n
vertoon van meegevoel niet overdreven?

In het conclaaf telt hij nauwelijks mee,
geen kanshebber, te jong, te zeer roué.

Maar de Heilige Geest doet wat hij wil.
Ook Rottenberg kan worden uitverkoren.

Bekommernis als geestig tijdverdrijf!
Hij noemt zichzelf paus Felix IV (of V).

maandag 19 oktober 2026

Im Abendrot

Im Abendrot


Im Abendrot, zong Birgit Nilsson, en
Im Abendrot ook Schwarzkopf. Ja, natuurlijk,
en het was wit en weelderig; en onder
het decolleté lieten zich tepels raden
als kleine aardbeien; echt iets om bij
het wulpse kwinkeleren van de eerste
vroege vogels te consumeren. Maar

na de bevrediging, wanneer het gloeien
van wellust wegvloeit tussen de gezwollen
schaamlippen, als de desillusie van
het postcoïtum intreedt, wat bindt ons

dan nog aan Richard Strauss, alleen
toch de uitgestelde élégance van
vergeelde rozenbladeren, bouffantes,

een fin de siècle aangezien voor heden?


Stiff upper lip


“Liefde, uiteindelijk een kwestie van
stiff upper lip,” zeg je bescheiden. Als
de felle brand van het lichaam is geblust,

bekijken we ansichtkaarten uit
de belle époque en wijzen we elkaar
glimlachend de details: de fiere rug,

de chic waarmee ze zich over hun benen
buigen, jaren voordat ze nylons hebben!
En het volume van hun boezems! Lagen

plooien zich zonder moeite over lagen,
zonder maar in het minst te overdrijven.
Zouden al die volumineuze lijven

echt zijn gestorven zonder vrucht te dragen?


Het vrouwenlichaam


“Het vrouwenlichaam,” zei ik
met volle mond (tegenover me
koesterde ik, discreet achter de hand,
de wandelende lijken van de PvdA,
aan mijn voeten wiegelden waterlelies,
in het lauwe water), “het vrouwenlichaam is
een embleem van vergankelijkheid. Al
die verleidelijke vormen, al dat ronde,
dat zachte, het is alleen in het leven geroepen

t.b.v. de procreatie. Als het zich
heeft voortgeplant, verwelkt
het razendsnel. Dat is de
essentie van de sociaaldemocratie.
Willy Brandt, Willy zelf, wist zich niet aan
dit soort wetmatigheden te onttrekken:
met al het gelijk van de wereld aan zijn kant
is hij in het graf gezonken. Net zo Brecht:

een voortbestaan alleen in woorden
en grappen is onvruchtbaar – zélfs wanneer
de grappen zijn gestolen. En wat telt,
in the end, is alleen voortbestaan, is dus
alleen het wellustige steunen van het vlees.”


Opmarcheren


Haar hand leunt op de toog, het tasje staat
hoog en droog naast haar. In haar haviksoog
schuilt ongemerkt nog wel enige
compassie, maar dat is niet van dien
aard dat congresgangers het kunnen zien.

De ouderdom komt met gebreken, denkt
ze, daarvoor is begrip, juist daarvoor, in
de hedendaagse sociaaldemocratie!
Denk aan Europa! Brussel! Straatsburg! Denk
aan al dat bleke, afgetobde vlees,
waarin de emoties, door een lang proces
van inkapseling, veilig blijven op-
gekropt, terwijl het politiek instinct
zich uit in een onbekommerd geblaf!

Denk progressief! Vooruitgang blijft het woord!
Als Diederik het zegt, is er geen aan-
leiding voor twijfel. Toch? Haar hart is rood.
Geen krul van haar volmaakt geverfde haar
is niet gedrenkt in het gedachtegoed
van links. Haar vingers knippen, wijzen. Haar
tijd is nog niet voorbij. Ze staat als een
rots in de branding. Maar hoe kan het dan,
denkt ze, dat als ze aan vooruitgang denkt,
ze alleen maar denkt aan opmars naar de dood.


Verliefd op Hetje Da


Nog steeds een beetje rood, he, Hetje, blozend
van genoegen op ieder podium,
en nog steeds een beetje verliefd
op jezelf, met die kranige signalen
van je vingers, knippen, wijzen, jouw tijd
is nog lang niet voorbij, je staat als een
rots in de branding. Goed, je hals wordt er
niet gaver op, maar beslist ook
niet minder wendbaar. En je snavel briest
nog steeds vuur voor ieder gehoor.

Of het nu over Dibbets gaat of over
Fincent fan Gogh, gefundenes Fressen.
En steeds met die dikke f
van “fijn,” “fantastisch,” “falig,” want geen fee
gaat je te hoog in het belang
van het feministisch relativisme.
En steeds bonne gamine, Hetje, want
dat trucje ken je ook.

Nog steeds een beetje rood, je ideaal
nog altijd ferm in het vizier. De wereld is
misschien geen pretje, maar je lacht je er
wel door – misschien met holle ogen, en
de hand onder je kin is een
schokkend antediluviaans relict,
maar het hart is nog in topvorm, ongebroken,
en ook je voet, je kleine voet, compact
als altijd, tussen de deur van de macht.


Portret


Wat op school door iedereen
werd aangezien voor achterbaksheid, bleek
in het echte leven, tot zijn eigen verbazing,
en tegen elke verwachting, diplomatie.

Zijn heimelijke aard, die afzijdigheid,
die steelse glimlachjes, dat zwijgen,
alle eigenschappen die in het kind
afstootten en hem tot eenzaamheid
leken te veroordelen, waren
uiteindelijk het beginkapitaal van
een indrukwekkende carrière,

voorafschaduwingen van discretie,
omzichtigheid en terughoudendheid,
van staatsmanschap zelfs. Nu zijn haren grijzen
en plooien zijn gelaat doorgroeven, wordt hij
zo ongeveer onweerstaanbaar. Vrouwen,
met hun ongeëvenaard talent voor mis-
taxatie, lispelen van opwinding
als ze hem ontmoeten. Vakgenoten,
allemaal uiteraard ook niet van gisteren,
begroeten hem met steelse, maar respect-

volle glimlachjes. Hij, blakend
van onoprechtheid, houdt zich afzijdig,
streelt met een vinger voorzichtig langs
zijn gepoederde kin. Hult zich in
de eminentie van voorlopig zwijgen.

zaterdag 17 oktober 2026

Portretten 5

Zelfportret met pluimen

Admiraal van de wereldzeeën mag ik mij
noemen en vice-roy van alle landen
die ik ontdek. Zo ga ik scheep. Mijn handen
tasten onrustig langs de reling. Ach,

mijn koninkrijk! Niet zonder trots betreed
ik het kasteel en ik kijk uit
over mijn kudde zeilen. Ik tik op
het glas van het kompas. De meeuwen krijsen.
Onder mijn laarzen kraakt het verse eikenhout.

In Pálos slapen de vrouwen
onder de olmen,
de kinderen sterven of groeien op
en verliezen hun tanden. Ik vaar langs

de koperen band van de evenaar
en schreeuw mijn orders naar mijn ongelikte
scheepsvolk. Ik ben onwrikbaar. Ik

brandschat Bantam, en ik terroriseer
maandenlang de ongelukkige Molukken.


Met naakte billen

Toen Columbus in 1492 vertrok om India te ontdekken, had hij een brief bij zich voor de grote Khan, met een vrome verklaring voor zijn komst.


“Als we Jerusalem niet mogen winnen,
laat het dan Indië zijn, waar we ons

als zwijnen wentelen in rijkdom. Laat
ons, als het Heilig Graf ons moet ontgaan,

met harde hand, heer, tot uw mammon bidden.
Als god niet met ons is, willen we althans

met naakte billen in het zilver zitten.”


Vasco da Gama

1.

Vasco da Gama kwam in Calicut
en zette er zijn lading op de kade:
honing en olie, mutsen, Hollands laken,

maar de Calicutanen waren niet
onder de indruk, zeiden ze, want zie,
de armste scharrelaars uit Mekka kwamen

met mooiere cadeaus. De Portugezen
lachten bescheiden in hun baard. Ze strelen
het weerbarstige brons van hun kanons.

Geen reden om zich nader te verklaren,
dit is gewoon de eerste stap. Er varen

hierna meer schepen uit, veel meer. We zullen
hun rijkdom oogsten. En ons zaad niet sparen.

2.

Overal onderweg, weet je, dat zelfde
neerbuigende gedrag! ‘De handelswaar
voldoet niet aan de normen.’ ‘Is goedkoop.’
‘Is onaantrekkelijk.’ Ja. Goed. Misschien.

Maar deze expeditie laat iets zien
waar ongelovigen geen weet van hebben:
echte meedogenloosheid. Zeuren mag,
maar wie hun tegenwerkt, maken ze af.

3

De terugreis is een ramp. De meesten dood en
de rest zozeer onder de indruk van
dat grote sterven dat ze nauwelijks
nog praten. En hun kleren zijn versleten
door zon en zee. Maar ze zijn niet vervaard.

Ze dromen van een liefdeseiland waar
heidense nimfen hen ontvangen en
dat ze de weg erheen geopend hebben
voor Portugese schepen. En ja, ooit
zullen ze in Calicut terugkomen, maar
dan in fluweel gehuld en goudbrokaat,

en onverschillig langs de kramen lopen
om aan te wijzen wat ze willen kopen.


Anno 1445

1.


Waar goud als kool, als peen, groeit in het zand
en wordt geoogst door naakte negerinnen,

zingend en dansend in de dageraad,
daar zullen wij ook heen gaan, zullen wij,

onze zweep achter onze rug verborgen,
ons zaad niet sparend, bij de dageraad

op onze eigen wijs dansen en zingen.

2.

Zingend en dansend in de dageraad,
het vuige goud weegt zwaar in onze zakken,
de oogst waarvoor we woonplaatsen verbranden -

denken we dat we nog te leven hebben?
of denken we dat we nooit zullen sterven?
Als achter onze rug de trommels stampen

en voor ons vormen er zich flarden rook,
draaien we aan onze dikke gouden ringen,
en dansen we onze dagelijkse dood.

3.

De mensenhandel is in deze tijd
iets heel anders dan nu: wie taalt er nu

nog naar het zielenheil van wie er op
de zwarte markt komt, maar toen schonk een prins

aan ieder schip banieren: kijk, het kruis
van de Orde van Jezus wappert fier

boven de hoofden, kroes en sluik, die hier
samen zijn in gebed.
Maar geen kwartier!

Het stamhoofd dat hen komt begroeten doden
ze in een handomdraai, met droge ogen.

4.

Exacte catalogisering wat
er wordt gekocht en tegen welke prijs
is wél van eminent belang, omdat
er altijd ingekocht wordt voor de kroon,

en omdat een vast aandeel in de winst,
als boetedoening voor wat uit de hand

gelopen is, aan priesters wordt verspild.


Toelichting

1.

Door tucht en transcendentie kregen we
voet aan de grond in Afrika en door
het schrikbarende knarsen van ons ijzer.

Grimmige kleine engelen waren we,
zoals we over de bospaden krioelden,
met helm en borstkuras en de musket

over de schouder. Bij het lopen maakten
we dwarse grappen over onze heiland,

de goede heren heiligen en de
allerbeminnelijkste maagd Maria.

2.

We telden niet de blaren op de hielen
van onze hoeren, noch de lijken die
we oogstten, wetend: wat we moeten lijden

is te verwaarlozen bij vergelijking
met de ontzaggelijke winsten. Zingend
en grappen makend trokken we van dorp

naar dorp, overal dopend, dodend,
en onbarmhartig onze prijs afdwingend.

3.

“Haha, we zullen uit de schedel drinken
van onze vijanden, een ketting van

hun tanden zullen we ons rijgen, van
hun ellepijp maken we ons een fluit

om onze marsmuziek te blazen, dansen
zullen we bij het tromgeroffel van

trommels die zijn bespannen met hun huid!”


Anders


Zoals de schepen op de rede rijden,
reden wij op de raadselachtigheid
van deze zwarte vrouwen, zo verschillend
van onze eigen vrouwen, zo hetzelfde.

Alleen dat ze ons lachend in de vinger
beten wanneer we klaarkwamen, was niet
of nauwelijks begrijpelijk voor mannen
die van de schandelijkheid van hun daden
zo diep doordrongen zijn als wij toen waren:

het leek soms wel of ze oprecht verlangen
om onze Portugese vrucht te ontvangen.

Portretten 4


Enter the Dragon

Hongkong 1970

De smiecht

in zijn sampan. Hij kauwt
zijn kauwgom. Alle schepen
hebben gezichten.
Hij negeert ze.

Luie kinderen 1970

Luie kinderen
met bolle wangen
hangen over de reling.

Nieuwgierige ogen
volgen
alles wat beweegt.

Enter the Dragon

Bruce Lee danst, huppelt, Bruce
Lee borrelt, bruist, Bruce Lee
trippelt door de tuin. Bruce Lee

knikt naar de meisjes,
welopgevoed beweegt de draak
zich achter het hek-
werk, ritselt, schraapt. Bruce Lee

schudt de waterval van
zijn blauwzwarte haar.

Enter the Dragon, de laatste film vóór de dood van Bruce Lee in 1973.


Vier Maigrets


Vier Maigrets
voor het Centre Pompidou
en de opgewekte ochtend
strooit duiven
over het plein.

Vier Maigrets en
alle vier wijzen
ze vastbesloten vooruit:

daar ligt de sleutel,
daar is de deur,

daar
de binnenplaats met
de blauwe regen.


Vier Maigrets


Vier Maigrets, vier,
met zijn vieren aan
een tafel op het terras
tegenover het Centre Pompidou.

Ze drinken een bier,
ze tekenen met
een natte vinger
een pad op de tafel,

een feilloze weg
naar de plot van je hart.


Hun naam


December 1833, op
ongeveer tien mijl van de monding van
de Rio de la Plata, werd de hemel
verduisterd door enorme wolken vlinders.

“Het sneeuwt hier vlinders,” schreeuwde de bemanning
en ze sprongen als gekken rond en graaiden
handenvol vlindervleugels uit de lucht.

“Het was die hele dag mooi weer geweest,”
schreef Darwin in zijn dagboek, “zonnig, wind
uit wisselende richtingen, dus was

het niet aannemelijk dat de insecten
weggewaaid waren van het vasteland,
Ze kwamen hier uit vrije wil.” Hun naam

was legio. Maar bij zonsondergang
stak er een bries op uit het noorden en
zo vonden ze de dood, vond de dood hen.

"Legio" is een toespeling op het Bijbelverhaal over de Gadareense zwijnen. Ik las Darwins observatie en zag plotseling hoe je met een kleine verandering iets zichtbaar kon maken dat verborgen zat onder zijn feitelijkheid.


Prestidigitateur

Eric Satie, Parade


Hij maait het gras
weg voor de voeten van
de lichtgelovige massa.

Glimlachend loodst hij
de waarheid

als een koe op stal,
als
een donker schip
door de nacht.

Jachthoorns

Guillaume Apollinaire, Cors de chasse


Voornaam maar wreed is ons verhaal
als het masker van een tiran.
Geen grootse daden, geen kabaal,
en niets van wat ons overkwam
maakt wat er is gebeurd banaal.

En Thomas de Quincey drinkt van
zijn zoete opium en vindt
als in een droom zijn weg naar An.

Voorbij, voorbij. Maar zeer bemind,
ik keer er terug zo vaak ik kan.

Herinneringen: jachthoorns van
heel ver, verwaaiend in de wind.

Thomas de Quincey, auteur van de Confessions of an English Opium Eater, Ann was de prostitué die zich over hem ontfermde toen het water hem aan de lippen stond.

vrijdag 16 oktober 2026

Portretten 3

Patrologie


Voltaire staat
tussen zijn boekenplanken
en lacht zijn kakelend lachje.

Zelfingenomen,
deze Arouet. Hij heeft
alle kerkvaders gelezen,

beweert hij, maar
is alles weer vergeten.

De wereld is,
denkt hij tevreden,
in wezen doodeenvoudig.


L’homme machine

Julien Offray de Lamettrie


Lachend zet je de menselijke machine
in beweging. Deze hendel, deze knop
bedienen het heelal. De sterren vallen

elkaar in de armen. De leegte schrompelt
ineen, verdroogd als een galappel
op een dood eikenblad.

Je blijft bescheiden. Je bent de
menselijke machine, zeg je.
Je eet uit je rechterhand, je linker krabt
aan je geslacht. Je praat, je lacht, je bent

de lachende machine, Lamettrie.
De marktmeester van de filosofie.
De hoveling, de vleier, de komiek.


Alles betrekkelijk

Weimar 1823


Hofraad Rehbein voelt
Goethes pols en vindt hem “monter,
ja zelfs lichtvaardig”. Het hart

van de dichter, zijn logge
runderhart, bonkt verzoenend.
De omstanders knikken,

knipogen en
raadplegen zakhorloges.

In de ruime, de lichte,
de typisch 18e-eeuwse kamer,
heeft de een het 18.24 u.,
de ander houdt het op 18.30 u.

Goethe leefde nog tot 1832


Ancien regime

In het kasteel van de duc de Luynes, in Dampierre, zijn de vrouw des huizes en twee vriendinnen, ergens rond 1895, ten tijde van de affaire Dreyfus, ten prooi aan angst voor de revolutie.

Redouter sans cesse une révolution,
Stendhal, Le rouge et le noir, ii,18


De duchesses De Luynes & De Brissac
en de comtesse De Vogüé
alle drie in verwachting, staan

in de salon als een
school licht verbaasde, licht
verbaasde vissen bij elkaar.

Vlaggen, trommels, de vertoornde ogen
van furies op de barricades!
Half verstikte kreetjes

rijzen als bellen uit
hun mond. Moet dit ons

nu treffen? Ze deinzen
terug achter sofa. Mompelen 'vive la France'.

De overgordijnen roeren
zich statig. Statig roert zich

in
hun schoten hun vrucht.

dinsdag 13 oktober 2026

Portretten 1

Teólogos

Wat koning Filips dacht over de Junta de teólogos die hij
in 1564 instelde na een verzoek van de graaf van Egmont
om de Plakkaten te verzachten


Zachtheid zit in concrete dingen,
in de pels van de haas, in fluweel,
op de huid van een jonge vrouw is zachtheid
een kostbaar, koel geschenk.

Maar in het hart, in besluiten
van staat: geen zachtheid. Hier geldt
enkel juist en onjuist. Wat juist is
is juist, en wat onjuist, onjuist. Hier geldt
slechts gerechtigheid en de goddelijke wet.

Dus benoem ik een junta de teólogos die
de plakkaten niet zal verzachten.

Noch verharden. Mijn teólogos zullen
recht doen. Wat mogelijk krom is
recht maken, wat recht is, rechter.

Hun papier mag het fijnste velijn
zijn, hun pennen zo zacht en soepel
als zij verkiezen, zolang wat zij voorschrijven
recht is, zuiver, ónverbiddelijk recht.

De pels van de haas aan wie
de pels toekomt, en fluweel wie recht
heeft op fluweel. En jonge vrouwen

kibbelend in de kamer, in het licht
van de middagzon, lachend, bordurend...
en kinderen, spelend...
Gerechtigheid en de goddelijke wet.


Young Keats

In het donkere amfitheater
op de eerste rij te zitten en te zien
hoe Billy Lucas zijn onzalig mes
zet in een arme donder, volgegoten
met slechte rum -

Wanneer de eerste onvoorziene plens
zwart bloed op het zink gutst, het eerste hijgen
van schrik, en het eerste gestommel van
onwel geworden nieuwelingen die
naar buiten vluchten, en je eigen hand
tast al onzeker naar je leren
loodgieterstas - waar zijn je klemmen -

en het verband - Lucas wroet onvervaard
verder en legt aan de ontzette zaal
haarfijn ieder onsmakelijk detail
van zijn barbaarse handwerk uit, en de
patiënt duizelt in een delirium
van pijn, of is al dood - is dat de weg

naar dichterschap? Kan wie nu hier zit, ooit
als poet laureate opstaan van tafel
en de lof zingen van laburnum die
bezwijkt onder zijn last van gouden trossen?
of tiptoe on a little hill?

Je slikt
en ademt diep om je onpasselijkheid
te overwinnen, voor je opstaat om
te assisteren. Niets aan je verraadt
je afschuw. Je hebt mooie ogen, en
je haar is ook niet slecht, golvend, roodbruin.
Maar je weet zeker dat je te onthecht
bent voor je taak, te zwakkelijk, te klein.


Sleep & poetry

Na twee of drie uur slapen schrok hij wakker.
Hij wist meteen de plaats: het huis van Hunt,
de sofa in de kamer. IJskoud maanlicht
viel door het venster op de lambrisering,
en op de aalgladde schilderijen die

laatdunkend op hem neerkeken. Om hem heen
de witte gipsen busten van de doden,
Homerus, Ariosto, Tasso, Spenser,
de grote doden die hij nooit kon hopen
te evenaren. Maar opeens - zijn hart sloeg over,
de adem stokte in zijn keel - begonnen
kristalheldere beelden in hem op

te lichten, levensechte beelden: zwanen
zeilden als schepen door het riet; een vlinder
spreidde in het laveloze zonlicht
zijn gouden vleugelpaar over een roos.
En massa’s bloemen. Ongemerkt begon

de taal te zingen, rijmen gloeiden op
en doofden uit, en uit de chaos vormden
zich versregels. Totdat de ochtend kwam
en de eerste vogelstemmen klonken. Toen

de meiden binnenkwamen, om zes uur,
vonden ze hem bij het raam, zijn haar bezweet,
zijn zwarte dichterogen koortsig gloeiend.
Voor hem op tafel het weerbarstig vers
dat zich niet naar zijn handen wenst te voegen.


Jan Willem Pieneman, De slag bij Waterloo

1824, de hertog van Wellington bezichtigt het
schilderij van Pieneman


Voor Arthur Wellesley, de eerste hertog
van Wellington, is er geen aanleiding
voor misprijzen: een beetje heroïek,
is aan een telg van een zo onheroïsch
vorstenhuis wel besteed.

Hij heeft de oude heer wel eens de hand
geschud, de Willem V, de twijfelaar,
en plagend in de dikke buik gepord.
Het enige waar die voor deugde was
meisjes bezwangeren op Hampton Court.

En ook de vader zelf, de Willem I:
wel een soldaat misschien, maar niet bepaald
een vechtjas; eigenlijk een parvenu.
De jonge kwant was in ieder geval
geen twijfelaar. Al vraag je je wel af

of het niet wat al te doortastend was
een bataljon Hannoveranen zonder
herkenbaar plan het kruisvuur in te sturen,
om daarna met zijn dolle kop ook zelf
nog eens tegen een kogel op te lopen.

Maar soit. Eerlijke kruitdamp heeft wel meer,
en ook wel betere mannen het hoofd
op hol gebracht. In elk geval ontbreekt
het de knaap niet aan kin. Zijn lauwe volk
mag in de wolken zijn met deze prins.

 

Portretten 2

 


Heel precies

Suk-trio op vliegtuigtrap


Het Suk-trio bekijkt met exact
het door de Socialistische
Eenheidspartij vereiste mengsel
van milde verbazing en onlust

het kapitalistische dringen en drijven,
de ontucht van de markt die voor
hun ogen wordt bedreven. Deze ochtend
is ondanks zon en wind en het

geruststellende ronken van motoren,
vrij angstaanjagend. Morgen echter, morgen,
in de stille concertzaal, met het strijk-
licht op de instrumenten, zal

de hars hun van de snaren stuiven
wanneer ze Beethoven kastijden.

Een fenomenaal Tsjechisch pianotrio rond Josef Suk, de kleinzoon van de componist. Ze hebben bestaan tot 1990, dus hebben de Wende nog wel meegemaakt.


Jasnaja Poljana

Souvenir d’un lieu cher


Over een lage dijk, langs populieren,
lopen zij in de gele, gele zomer
tot aan het lage witte huis, het lage

witte huis in de weidse steppe: Rilke
en Lou Andreas-Salomé bezoeken
graaf Leo Tolstoj. In hun kelen kittelt,

al ver voordat zij aankomen, het hooi
van onbeschaamde jeugd en wellust, dat
hun wrede hart so unergründlich maakt

voor de bejaarde graaf – die op zijn beurt
hun ook al snel, met de signalen van
zijn echtelijke onmin, het geschreeuw,

het slaan met deuren, auf die Nerven gaat.


Een executie in de vroege ochtend

Mata Hari, Vincennes, 15-10-1917


Ze loopt met kloppend hart
over een oppervlak van sintels.
Onderweg strijkt haar rok
een of twee keer langs brandnetels. Dan staat ze

geblinddoekt in het niets. Ze hoort
door de bevelen van de officier
heen hoesten van soldaten, kraken van leer.


Dan een reeks ongelijk vallende schoten.

Een fiets valt om. Een hand-
vol bange duiven fladdert op.


Vase femme


“De vrouw is een vaas” zegt Picasso
tegen de duiven, en hij maakt
haar kleine zelfingenomen

mond, haar lachende ogen, de bolle
wangen. Hij maakt het kleine
met citrusschijven versierde
Baedeker-voorhoofd. “De vrouw

is een vaas”, zegt Picasso. Dat wel.

Hij drinkt, hij rookt een sigaret. En hij werkt.
Hij werkt van de ochtend tot in de middag,

van de middag tot laat in de avond.


Vingeroefening


“Ravel, not my
piece of cake,” denkt Strawinsky.
Maar toch... Uit zijn oorhoek
luistert hij. “Hm, ja, niet gek,

ja, wel te gebruiken.” Hij trekt
de piano erbij. Terwijl
de parkiet in zijn kooi
op de tralies bijt, haalt

hij het weefsel eerst uit,
dan zet
hij het heel precies
weer verkeerd in elkaar.


Ver meer fecit


Ze niest.
Hij kijkt haar heel lang,
en doordringend aan
met zijn koolzwarte ogen.
Dan schildert hij,

met één vloeiende streek
van een zacht penseel
een helderrood lint
op haar blauwe mouw.

Verbaasd eet zij
een vijg terwijl
hij glans aanbrengt
en zich vervolgens
weer zuchtend begraaft
in haar tere vlees.


 

Oude politiek

Oude politiek Uit het kabinet Kok II De grijsgeblokte goeroe die zich, in een lang maar met aplomb gebracht betoog dat eigenlijk over iets a...