woensdag 16 september 2026

Baudelaire

 

Aan de lezer

Charles Baudelaire, Au lecteur

Door dwaasheid, dwaling, zonde en door gebrek aan moed
wordt onze ziel geknecht, en wordt ons lijf gelaafd,
we voeden het berouw, waaraan we zijn verslaafd,
zoals een bedelaar zijn ongedierte voedt.

Zie, onze zonde is taai, en onze wroeging laf;
een schuldbekentenis laten we duur betalen,
waarna we onbezwaard weer door de modder dwalen:
een valse tranenvloed wast onze vlekken af.

Aan onze kussens van ontaardheid vastgeklampt
laten we Satan Trismegistos ons onthalen,
terwijl het rijke erts van onze idealen
in de hoogovens van zijn toverkunst verdampt.

We dansen op het lied dat ons de duivel zingt!
Door elke smerigheid wordt ons gemoed bekoord.
We dalen dagelijks af naar de hellepoort
zonder te walgen van de duisternis die stinkt.

Zoals een lichtmis, die zich op het beurse fruit
stort van het vrouwenvlees in een vuil hoerenkot,
grijpen wij in het gaan elk clandestien genot,
en persen er verwoed de laatste druppels uit.

Zie, gruwelijk, gelijk een kluwen wormen, malen
in onze hersenpan miljoen demonen rond;
de dood: onzichtbaar maar dof klagend, stroomt
hij onze longen in wanneer we ademhalen.

Als op het canvas van ons deerniswekkend brein
geen beelden geborduurd zijn - wonderlijk charmant -
van aanrandingen, van vergif, van moord en brand,
dan is dat omdat wij niet zeer vermetel zijn.

Maar van het beestenspul, van jakhals, panter, gier,
teef, aap, slang, schorpioen, al wat er in ons wringt,
en wat er gluipt en sluipt, en wat er krijst en springt
in deze dierentuin van ons infaam vertier,

is één het smerigst en wanstaltigst. Niemand zal
hem horen krijsen met afzichtelijk misbaar,
maar o, hoe graag sloeg hij de wereld in elkaar,
verzwolg hij met één geeuw dit droevige heelal:

Verveling! - In het oog een ongewilde traan,
lurkt hij zijn waterpijp, en droomt van het schavot.
Hij is je welbekend, die lichtgeraakte god,
lezer, jij huichelaar! mijn broer, jij! kijk me aan!


9 april

 

Verbanden

Baudelaire, Correspondances


Natuur een kerk met levende pilaren
waar flarden van geprevel zijn te horen.
We wandelen door wouden van symbolen
die als oude getrouwen naar ons staren.

Geluid en kleur en geur, ze responderen,
smelten als echo’s in de verte samen
tot een duistere eenheid, zo totaal en
zo luisterrijk als nacht, als sterrenhemel.

Sommige geuren fris als kinderlijven,
als een hobo zo zoet, als grazig land,
andere rijk en ranzig, dominant,

die alle andere geuren verdrijven -
als amber, muskus, benzoë en mirre
die het verstand vervoeren en de zinnen.


Eén glinsterende traan

Charles Baudelaire, Tristesses de la lune

Avond, de maan ligt lui in weidse wolkensloppen -
zoals een schoonheid in haar kussens, die, ontroerd,
voordat ze wegdoezelt met lichte vingertoppen
de ronding van haar borst ternauwernood beroert.

Wegzinkend in een sneeuw van zachtglanzend satijn
voelt ze hoe ze bezwijmt, terwijl haar schelende ogen
in zielsvervoeringen verdrinken die daar, rein,
als vreemde bloeiwijzen, oprijzen in den hoge.

En laat ze soms één keer, in ledigheid bezweken,
een heimelijke traan op deze globe leken,
dan zal een vroom poëet, een die de nachtrust haat,

hem vangen in zijn hand als in een broze schaal,
één glinsterende traan, die, als een scherf opaal,
hij, voor het licht beschut, diep in zijn hart bewaart.


Je bent te blij

Baudelaire, À celle qui est trop gaie

Je uiterlijk en je gedrag
zijn lieflijk als de morgenstond;
een glimlach speelt je om de mond
als zeewind op een zomerdag.

Wanneer er iets verdrietigs in
je bovenkomt, wordt dat verschoond
door de robuustheid die je toont:
je armen, schouders, fiere kin,

de tintelende kleuren waar
je je in kleedt, voor een poëet
een schouwspel dat hij nooit vergeet:
een bloemendans in een boudoir,

en als symbool in hoger zin
staan ze voor je verknipt genie,
gekkin op wie ik gek ben, die
ik haat zoals ik je bemin!

Ooit, in een tuin vol bonte kleur
waar ik mijn lusteloosheid sleet,
voelde ik, hoe ik, door zon zo heet
als ironie, werd stukgescheurd.

Het groen, het zoete lente-uur
maakten mij zo ontzettend boos
dat ik botvierde op een roos
het gore lef van de natuur.

En net zo wil ik, op een nacht,
vervuld van wellust tot de krop,
laf en geluidloos kruipen op
de weligheid van je geslacht,

wil ik me storten op je vlees,
je schuldeloze borst vermalen,
je ontstelde buik openhalen
met een gapende wond van vrees.

En dan zal, zalig, met een kus
op deze nieuwe lippen, ik
je, duizelend van geile schrik,
mijn gif ingieten, lieve zus. 

Mater dolorosa

Charles Baudelaire, À une Madone

 


Wijgeschenk in Spaanse stijl

Madonna, meesteres, zie, in mijn hoogste nood
bouw ik u een altaar en leg ik voor u bloot,
ver van de wereld, in de krochten van mijn hart,
niet door de koude blik van de kritiek getart,
geëmailleerd met goud en met azuur, een nis
waar ondoorgrondelijk in staat uw Beeltenis.

Met mijn gelikte Vers, als een metalen mal,
kunstvaardig opgebouwd rond rijmen van kristal,
zet ik u op het hoofd een monsterlijke Kroon
en uit mijn Jaloezie, naar een barbaars patroon,
met Tranen afgezet in plaats van Parels, snijd
ik, aardse Lieve Vrouw, voor u een Mantel uit,
zo ruig, zo zwaar, zozeer met achterdocht gevoerd
dat uw bevalligheid geheel is ingesnoerd.

Van schuimbekkende Lust is uw Japon gemaakt,
mijn Lust, die rijst en daalt waar ze uw huid aanraakt,
die op de tenen staat of in de plooien rust
en overal uw blanke en roze lichaam kust.

Uit mijn Verering vorm ik Schoenen van satijn
die weliswaar geen weerga voor uw voeten zijn,
maar die hun tere huid met zachte omhulling sparen
en hun volmaakte vorm altijd getrouw bewaren.

En als ik al, ondanks mijn vlijt als handwerksman,
u niet een zilv’ren Maan tot Voetsteun maken kan,
dan smijt ik u de Slang die in mijn boezem woelt,
dat slijmerig gedrocht dat niets dan afgunst voelt,
onder de voet, waar u, om oude vijandschappen,
als zegevierende vorstin hem zult vertrappen.

Zie mijn Gedachten die, voor uw versierd altaar,
o Maagd en Koningin, zijn als een kaarsenschaar
en zie hun weerschijn in de blauwe koepel staan:
met ogen als van vuur, zo staren ze u aan.
En alles in mij smacht naar u en sleept me mee,
alles wordt Wierookhars en Mirre en Benzoë,
en onophoudelijk mijn stormachtige brein
stijgt op naar u, stijgt naar uw top, sneeuwwit en rein.

Tenslotte, om u als Maria te volmaken
en naast de liefde ook de barbarij te smaken,
zal ik, beul vol berouw, door duist’re lust verslonden,
de zeven Messen smeden van de zeven Zonden,
vlijmscherpe messen, en zonder emotie zal
ik, doelwit kiezend in het diepste van uw al,
ze planten, een voor een, in uw gekweld gemoed:
uw lillend Hart, uw Hart dat snikt, uw Hart dat bloedt.

Het feest van Maria Moeder van Smarten wordt in de katholieke kerk gevierd op 15 september

De albatros

Niet zelden, voor de grap, jagen de schepelingen
op albatrossen, op de reuzen van de zee,
die hoog boven het schip vliegen in luie kringen.
Ze reizen op ons pad over de diepten mee.

Maar niet zodra er een ligt op het dek gevangen,
zo’n vorst van het azuur maar jammerlijk gefnuikt,
of hij laat hulpeloos zijn witte vleugels hangen,
als roeispanen wanneer ze niet worden gebruikt.

Wat ziet die hemeling er onbeholpen uit!
Die ooit zo mooi was, is nu lelijk, ridicuul. :
Tegen zijn snavel klopt een man zijn pijpje uit,
een ander waggelt om hem heen als een debiel.

De dichter heeft iets weg van deze godenzoon,
die op de stormen rijdt, boven belagers zweeft,
een balling is hij hier, ten prooi aan spot en hoon:
lopen is moeilijk voor wie reuzenvleugels heeft.

Op reis

Charles Baudelaire, Le voyage 

1.

We zijn als kinderen, verslingerd aan
kaarten en poststempels van verre landen.
Het universum is een afdruk van
ons brooddronken verlangen, ‘s avonds
bol en enorm in het licht van de lampen,
erbarmelijk verschrompeld in het daglicht.

 

En vroeger of later, tabee, we gaan,
heethoofdig, rancuneus, vol onbestemde
gevoelens, snakkend naar het onbegrensde,
varen we uit op een in werkelijkheid
maar al te zeer begrensde oceaan.
 

De een schudt opgelucht de kluisters af
van laffe liefde voor het vaderland,
de ander wil ontsnappen aan het juk
van huis en haard, een derde is misschien
een van de droevige astrologen die
verdwaald zijn in de ogen van een vrouw
en die zich, in hun hart nog snakkend naar
het wildedierenparfum van hun Circe,
overgeven aan vorst en zonnebrand
om er de littekens te laten helen
van haar gulzige kussen…
 

Maar echte reizigers zijn zij alleen
die reizen om het reizen, die zich met
een hart, licht als een luchtballon, verlaten
op de willekeur van de wind, en die,
als lotelingen lustend naar ‘t kanon,
lusten naar een genot, zo nieuw, zo groots,
zo anders, als geen god zich denken kon.
 

2.

Hoepel en tol zijn ons symbool. O gruwel!
Zelfs op ons kussen draaien we om en om,
onder de zweep van deze niet te blussen
nieuwsgierigheid, die met ons speelt zoals
een engel met een zon.
 

                                   O, ongehoord

fortuin, steeds op een vluchtig doel gespitst
dat nergens is en overal kan zijn,

en waar de mens, door hoop gekweld, als een
krankzinnige achter aan jaagt! Onze ziel
is als een driemastschoener die op on-
bevaren zeeën rondvaart; van de brug
dondert een stem: "Kijk! Daar! Kijk! Daar!";
vanaf de marssteng krijst een tweede stem,
verzengd van waanzin: "Liefde! Erkenning! Rust!"
"Vervloekt, het is een klip! We komen om!"
 

Elk onbeduidend eiland, aangeroepen
vanuit het kraaiennest, is El Dorado -
voor ons bestemd, bewaard tot deze stonde.
Maar de verbeelding, die haar feestdis al
zag aangericht, ziet in het ochtendlicht
slechts een ellendig, afgetakeld rif.
 

O slaaf, o arme slaaf van hersenschimmen.
men zou hem in de ketens moeten slaan!
In zee met hem, dronken matroos, bedenker
van een luchtspiegelig Amerika,
dat de barre leegte enkel leger maakt!
 

Een schooier is hij, door de modder wadend,

de neus omhoog, en droomt van paradijzen.
Zijn kaarsvlammetje roept een visioen
van blauwe grotten op. Caesar! Capri!
 

3.

O reizigers, aan wie we ons vergapen,
welke nobele, tragische relazen
kan men in uw peilloze ogen ontwaren!
welke kosmische schatten liggen er
opgetast in de schrijn van uw memoires!
 

O, laat ons reizen, reizen zonder zeil,
zonder het doffe stampen van machines,
bevrijd ons van de ketens die wij dragen
van onze ledigheid,
en tover op het scherm van onze dwaze
geest het gewemel van uw reisverslagen.
 

Zeg, wat heb je gezien? 

4.

"De sterren zagen

we.” Sterren. Goed. “En golven. Zandwoestijnen.
En ondanks rampspoed onvoorzien, gevaren,
hebben we ons zeer verveeld. Net zo als u.
 

Een gouden zon, een zee van ziedend purper.
Steden, omfloerst door zeldzaam avondrood.
Maar alles was slechts voedsel voor ons kniezen,
voor onze hunkering ons te verliezen
in een fata morgana.
 

Rijke steden

zagen we, uitgelezen panorama’s –
niets dat het haalt bij de verlokking van
veeg zonlicht in een verre wolkenbank.
En altijd zijn we van verlangen krank!
 

- Iedere uitspatting verscherpt de prikkel
van het Verlangen, van die oude boom,
die, door genot bemest, steeds hoger wordt
maar ook steeds dikker, ruwer in de schors!

Groeit hij dan immer, levenskrachtiger
dan een cipres! –
 

Maar goed, hier zijn nog meer

bladen, zorgvuldig uitgelezen voor
het album van uw wellust, lieve broeders,
die alles mooi vindt, wat van ver komt.
Luister:
 

Idolen hebben we gezien met slurven,
tronen met pronkjuwelen ingelegd,
paleizen met de feeërieke weelde -
nachtmerrie van bankroet voor een bankier!
 

We zagen oogverblindende gewaden.
Vrouwen met rode nagels, rode tanden.
Fakirs, geliefkoosd door geleerde slangen..."
 

5.

Ja, ja, en verder? Wat nog meer? 

6.

"O, dwazen!

Verder hebben we ook nog, niet te vergeten,
overal waar we kwamen, ongezocht
en ongewild, van hoog tot laag, bekeken
het drama van de onsterfelijke zonde.
 

De vrouw, slaafs, ijdel en stompzinnig,
die vreugdeloos zich volhangt met juwelen,
zonder walging zich liefkoost; en de man,
een gulzige tiran, laf, bruut, hebzuchtig,
slaaf van een slaaf, een beek in een riool.
 

De beul belust, zijn slachtoffer bezoedeld.
Walgelijk feestgedruis, despoten die
zich aan hun macht benevelen, gepeupel
Wentelt zich gek van wellust in het stof.
 

Alle religies vechten zich, elkaar
vertrappend, op de ladder naar de hemel.
Heiligheid: op een bed van spijkers kronkelt
een wellusteling in een haren kleed.
 

Het mensdom, lallend, zo zelfingenomen
en dwaas als immer, krijst tegen zijn god,
in de gruwzame spasmen van zijn doodstrijd:
“O mijn heer, mijn gelijke, wees verdomd!”

 

En de minst dwazen nog, galante aanbidders
van de onthersening, mijden de horde
die in zijn sleur ten onder gaat, en zoeken
hun toevlucht in de roes. Dat zijn de feiten.
Dat is wereldwijd de orde van de dag."
 

7.

Wel bitter is de lering uit ons reizen:
de wereld is maar klein en afgezaagd;
vandaag, gisteren, morgen, altijd staan we
voor het beeld van ons zelf, een barre plaats
van walging, walging in een woestenij
van eeuwige verveling.
 

Gaan of blijven?

Doe maar zoals u goeddunkt. Want de Tijd,
die wrede gladiator, spreidt zijn netten
net zo goed voor de wandelende jood,
voor de apostel die de wereld afloopt,
als voor wie zich beperkt tot huis en haard.
 

Maar altijd is er hoop. Zelfs als de dood
ons bij de strot heeft, schreeuwen we nog: "Voorwaarts!"
zijn we nog steeds de kinderen die eens
naar China voeren, haren in de wind,
glanzende ogen – met een kloppend hart
schepen we ons in voor de Mare Tenebrum.
 

En hoor, is dat de zoete zingzang niet
van stemmen die ons zeggen: "Kom, hier zijn
de lotusbloemen waar je van wilt eten,
hier oogst men het betoverende fruit
waar je naar smacht. Hier kun je je verliezen

in het namiddaglicht van de eeuwigheid”? 

Het is het oude liedje, het oude drogbeeld.
Je Pylades reikt je de dorre hand,
en zij wier knieën je nog onlangs kuste,
lispelt je toe: "Kom, zwem naar je Elektra…"
 

8.

Kom, Dood, mijn oude kapitein, we gaan!
Kom, licht het anker, deze plek hangt ons
al weer de keel uit. Verder, Dood. Al zijn
ook zee en lucht inktzwart, ons hart is steeds

vervuld van hoop. Schenk me uw roes, en ik
zal onvermoeibaar, er naar snakkend om 
het vuur te koelen dat mijn brein verschroeit, 

vooruit stormen, blindelings in het niets -
hemel of hel, wat maakt het uit, zolang
het onbekend is - snakkend naar Iets Nieuws!

 

 

donderdag 5 maart 2026

Gedichten van Jos Houtsma

Gedichten van Jos Houtsma

1. Het bestiaire

2. Zwanen van Nederland

3. Deze wals

4. Gedaan uit liefde

5. De woestenij

6. Wimbledon

7. Causeries Goethesques

8. Break on through


Het bestiaire

 

Het bestiaire

Orfeus’ hofstoet

Het Bestiaire van Guillaume Apollinaire met de houtsneden van Raoul Dufy

En enkele andere diergedichten


Orfeus

Apollinaire: Orphée


Bewonder, lezer, zijn magie,
de vorstelijke melodie:
dit is de toon waarop het licht vibreert,
zoals ons Hermes Trismegistus leert.

Schildpad

Apollinaire: La Tortue


Mijn vingers grijpen als bevlogen
in mijn Thracische lier, en zie
hoe door dit schildpadhuis, dit lied,
elk dier tot dansen wordt bewogen.

Paard

Apollinaire: Le Cheval



Ik zal je berijden met mijn strenge dromen,
je in het trekzeel spannen van mijn lot,
het leidsel waar ik je mee in zal tomen
is het volmaakte vers dat je me ontlokt.


Kasjmiergeit

Apollinaire: La Chèvre de Tibet


 

De vacht van deze geit, en zelfs de vacht
die Jason eertijds tot in Colchis bracht,
zijn van nul en generlei waarde bij
de gouden lokken waar mijn hart naar smacht.

Slang

Apollinaire: Le Serpent



Je hunkert, vriend, naar vrouwenschoon,
hoe menig edel vrouwspersoon
hielp je niet naar de ratsmodee!
Cleopatra, Eurydice,
en ik weet er nog wel een of twee.

Kat

Apollinaire: Le Chat


Ik wens me een huis, een vrouwtje dat
haar plaats kent, boeken en een kat.
En vrienden om mijn lot te delen
zodat ik me niet hoef vervelen.

(Vertaler heeft van deze zegen,
slechts huis en boeken meegekregen,
in vriendschap ziet hij weinig brood,
zijn vrouw is mondig, de kat is dood,
niettemin is hij tot op heden
met zijn bestaan niet ontevreden.)

Leeuw

Apollinaire: Le Lion



O leeuw, o toonbeeld van onwaardig lijden,
gevallen vorst, moet je in deze tijden
voor het vertier van de Germaanse horden,
in een Hamburgse Zoo geboren worden?


Haas

Apollinaire: Le Lièvre


Wees niet, als minnaar of als haas,
steeds bang, en toch steeds op de taas.
Veel beter: laat uw vruchtbaar brein
als een hazin steeds drachtig zijn.

Konijn

Apollinaire: Le Lapin




Ik weet een knijntje heel geheim,
ik wou dat het van mij mocht zijn.
om mee te spelen in de tijm
in het land van heerlijk samenzijn.

Connin, ‘konijn’, is ook een woord voor het vrouwelijk geslachtsdeel.

Kameel

Apollinaire: Le Dromadaire



Don Pedro met zijn vier kamelen,
Don Pedro van Alfaroubeira,
trok door de wereld, tralalaleira,
en niets wat hem een cent kon schelen.

O, had ik ook maar vier kamelen!

De 15e-eeuwse infante van Portugal, don Pedro d’Alfaroubeira maakte een wereldreis met 12 metgezellen en vier kamelen

Muis

Apollinaire: Le Souris


O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt:
al achtentwintig en nog steeds
elke inspanning te veel gevraagd.

Of:

O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt,
al achtentwintig en geen schijt
tot stand gebracht, echt godgeklaagd!

Of beschaamd toegepast op de vertaler:

O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt:
al zoveel jaren met pensioen
en nog geen wereldreis gemaakt!

De olifant

Apollinaire: L’Eléphant


Ik ben een olifant, behoed-
zaam draag ik in mijn mond mijn goed.
Purper is niets! Ik koop mijn glorie voor de
pasmunt van zoetgevooisde woorden.

Procyon lotor


Een wasbeer in de Duitse stad Erfurt werd op een Kerstmarkt slapend aangetroffen onder een prullenmand, waarna hij slingerend wegliep, kennelijk ‘in beschonken staat’ . Vermoedelijk had hij zich tegoed gedaan aan restjes glühwein uit weggegooide bekertjes - NRC december 2020.


Een wasbeer die zich heeft bezat
aan glühwein of ander geestrijk nat
blijft in Duitsland, zoals dat gaat,
op de lijst van beschermde dieren staan.


Vervolg

Toen Salomé danste en Johannes sprak
totdat men hem ruw onderbrak
en zijn hoofd deponeerde op een schaal,
waar was de wasbeer toen helemaal?
Waarschijnlijk lag hij laveloos
te slapen in een lege doos.


Publiek 2021



Geen reden tot paniek?
Het afgestompt publiek,
aan gruwelen verslaafd,
kijkt op het Netflix-scherm
terwijl de wrede wolf
over het fietspad draaft.


Roodkapje 2022




Diep, heel diep in het bos ligt oma met
grote corona-oren in haar bed.
De boze wolf is terug, Roodkapje! Loop
niet met je seksualiteit te koop!


Stand van zaken augustus 2024

De wolven zijn de Heuvelrug ontgroeid.
Hun welpen spelen in het weiland, morgen
in onze straten, onze tuinen. Wie
durft dan nog iets te zeggen van hun stank
of van het boos gekef op onze bank!

Schapen



De schapen dringen in hun kooi
bang bij elkaar, ze voelen zich,
ondanks schaaplievend tijdsgewricht,
en ondanks overvloed aan hooi,
misschien wel schaap, maar meer nog prooi.

Panthera

De panter ademt uit een zoet
dat alle dieren smachten doet,
naar Jezus, door hem uitgebeeld,
die ons het eeuwig zoet uitdeelt.


Wildebeest



Wie weet, o wildebeest, waar hij naar dorst,
die zandkleurige leeuw daar aan uw borst!

Denkt u dat leeuwen als ze zich vervelen
het liefst met wildebeesten willen spelen?


Eenhoorn

De eenhoorn in een meisjesschoot
tuimelt in slaap en vindt de dood.
De les voor minnaars? Wees beducht
voor ieder spoor van sluimerzucht.



 

Krokodil




De krokodil eet graag een mens,
maar daarna snottert hij intens
en blijft het zelfverwijt hem plagen
tot het einde van zijn levensdagen.


O liefste lief, had je maar tijd
voor een heel klein beetje zelfverwijt!

Hydra


De Hydra laat zich als ze dat wil
opeten door een krokodil
en scheurt hem als ze weer weg wil lopen
(zegt Bestiaire) van binnen open.


(Voor elke afgehakte kop
springen twee nieuwe koppen op
wat haar zowel verkeerd geraakt
als aartssymbool van roddel maakt.)

Orfeus 

Apollinaire: Orphée

Ziehier, het ongedierte geeft
acte de présence: al wat leeft
en wat krioelt: insecten, teken,
microben, wonderen waarbij
de wereldwonderen verbleken
en Pia Beck de moord kan steken.

Rups

Apollinaire: La Chénille


Door noeste vlijt, mijn dichtersbent,
verwerft men glorie ongekend.
Laat ons dus, om ons ooit te ontpoppen
als vlinders, nu als rupsen kroppen.


Muggen

Apollinaire: La Mouche



Ons muggendom kent melodieën
die ze in het hoge noorden leren
van neven, knutjes, de geheime
goden van de beijsde meren.

De vlo

Apollinaire: La Puce



Vlooien! Mijn vrienden! Mijn vriendinnen!
Wat wreed zijn zij die ons beminnen!
Voor hen vergieten we ons bloed.
Bemind te zijn is bitterzoet.

Sprinkhaan

Apollinaire: La Sauterelle


 

Dit is de sprinkhaan onvolprezen
die ‘t voedsel van Sint Jan mocht wezen.
Ach mocht mijn vers op eender wijze
het puikje van de mensheid spijzen.

Orfeus

Apollinaire: Orphée




Uw herte zij het aas, uw visvijver de hemel,
o zondaar! Want geen vis in ‘t visrijke gewemel
zo fraai van vinnen of van smaak zo uitgelezen
als deze zoete vis, mijn toeverlaat, mijn Jezus.

De dolfijn

Apóllinaire: Le Dauphin

Voor J.A.






Al ben ik soms ook blij van zin,
het leven valt niet mee.
‘k Ben een dolfijn, ik buitel in
een hachelijke zee.

Medusa

Apollinaire: La Méduse






Medusa’s, jammerlijke koppen,
die met uw violette lokken
u rond laat rollen op de storm
uw rollen inspireert enorm!


(Vivant gaîment er paresseusement dans les mensonges, comme les méduses à fleur de mer - Marcel Proust)

Leven in leugens, lui en blij:
als kwallen zwalken op het tij.

De inktvis

Apollinaire: Le Poulpe






Die zich verbergt in wolken inkt
en ‘t bloed van wie hij liefheeft drinkt,
wellustig tot de laatste snik:
dit walgelijk gedrocht ben ik.

De kreeft

Apollinaire: L’Écrevisse






De crisis heeft zich uitgebreid:
mijn liefdesloon de hele tijd
beweegt zich in een kreeftengang,
stapje voor stapje achteruit.


Karpers

Apollinaire: La Carpe






Onder uw pompebladen lijkt
u te ontsnappen aan de tijd.
Is u de dood misschien vergeten,
vissen van mijn neerslachtigheid!

Ruisvoorn

In hun domein
van roerloos schemerlicht
zijn zij het wisselgeld
van onze lust.


Kikker

De kikker leeft en teelt
zich voort in angst en vrees
voor de fatale witheid van
zijn vlees.


Paling

Palingen in hun palingpoel
bewegen zeer op hun gevoel:
de lokroep van de oceaan
zegt hun wanneer ze moeten gaan.


Orfeus

Apollinaire: Orphée







De wijfjes van de halkyonen
en Amor zelf en de sirenen
zingen onmenselijke canzonen
en dodelijke cantilenen -

Veel fijner is het te aanhoren
de onsterfelijke engelkoren!

De sirenen

Apollinaire: Les Sirènes






Sirenen, wist ik maar waar gij naar smacht
als ge uw leed klaagt in de ontleegde nacht!
Ik ben een zee, door stemgedruis bevaren,
en de zingende schepen zijn mijn jaren.

De nachtegaal


De nachtegaal traliert en tralt
tot hij dood van zijn tak afvalt.
Zoals de nachtegaal ook ik:
tralierend tot mijn laatste snik.


Li rosignous chante tant
Que morz chiet de l’arbre jus

(Thibaut de Champagne)


De kraai

De kraai, door Noach losgelaten,
verdween. Verdronk hij in het water?
of bleef hij weg omdat hij feestte
op honderdduizend dode beesten.


De duif

Apollinaire: La Colombe






O geestelijke duif, die onbevlekt
ons onze lieve Jezus hebt verwekt:
Maria heet mijn lief, gelijk het uwe.
Moge het mij vergund zijn haar te huwen!

De kraanvogel

Mijn vogel kraan, mijn stoere gast,
houdt heel de nacht een steentje vast
als andere kranen slapen.

Hij is de herder, houdt de wacht
over zijn kudde in de nacht,
zijn schuldeloze schapen.

De pauw

Apollinaire: Le paon






Zie hoe de pauw zijn verenkleed,
dat doorgaans op de aarde sleept,
tot een rad slaat, en ongewild
zijn lelijk achterwerk onthult.

De uil

Apollinaire: Le Hibou







Mijn arme hart, gelijk een uil
die aan een schuurdeur is gepind,
is leeggebloed, vertrapt en vuil.
En ik aanbid wie mij bemint.


Ibis

Apollinaire: Ibis






Ik zal de onderaardse poort
doorgaan, de dood, het is beschikt.
O wreed Latijn, o vrees’lijk woord:
Ibis die in het Nijlslib pikt.

Het rund

Apollinaire: Le Boeuf






Het rund: een cherubijn. Hij zingt
van paradijs, van engelkoren
waar wij, als god ons goed gezind
is, vrienden, ook toe zullen horen.

dinsdag 13 januari 2026

Zwanen van Nederland



Zwanen van Nederland


1. Een panopticum


Nederland

Tulpen en klompen in de uitverkoop;
tomaten aan de kaak gesteld; Frau Antje,
aan de deconfiture van de kaas
ontkomen, met de noorderzon vertrokken!

Is er dan nog gerechtigheid? Is er
dan nog respect voor ondernemingszin?
Liberalisme, wat stelt dat nog voor
als Yesilgöz, Rob Jetten en Rob Trip
alle drie met Thorbeckebustes pronken?

Hoewel, als het om het idee gaat, is
dit wel een gouden greep misschien:  'De Dood
als Voedingsbodem van het Leven', dat
gaat, eenmaal ingeburgerd, jaren mee!

En in de polders, onder grauwe luchten,
ligt het kroos ongebroken op de sloten,
en voor het baksteensilhouet van kleine
zeventiende- en achttiende-eeuwse steden

drijven zwanen met opgestoken hoofden.

Taxatie

De manager van de Plus Supermarkt,
vanuit zijn glazen hok, taxeert haarscherp
de blouses en de nylonschorten van
de meisjes aan de kassa, de make-up.

De vraag is altijd: de de welke zijn er echt
gemakkelijk en welke doen alleen
alsof. Het onderscheid is essentieel.

Met de collega's hebben ze het er
graag over, de een zegt zus, de ander zo,
je kunt er over speculeren, maar

het is in feite wat De Vries zegt: neus
voor dat soort dingen heb je in je broek.

De Goede en Van Dijk

Beurslopen

1.
De Goede en Van Dijk, liefhebbers van
bezoek aan beurzen, weten haarfijn hoe
ze zich het beste kunnen voordoen als

de eigenaar, de technisch directeur,
de managing director van een leuk,
middelgroot internationaal bedrijf:

een blazer en een grijze pantalon,
milde belangstelling voor het detail,
meer is niet nodig. En verdomme, zie,

zo ijverig als mieren om de stroop,
lopen de standhouders om hen te hoop.

2.
Zwaarwichtigheid is er niet bij, alleen
misschien iets van neerbuigendheid, een zweem
van het soort lompe humor waar je een
verkoper mee over de drempel helpt.

En voordat ze het weten zitten ze
met bier en hapjes in de schaduw van
een nieuw model machine en het gaat
alleen nog om de menselijke maat.

Om grappen, om ervaring die ze delen.
Wat er te koop staat kan ze nu niet schelen.

3.
Later, op de parkeerplaats. Plassen die
dreigen met enorme avondluchten.
Lui praten ze nog even na. Soms laten

ze lange pauzes tussen zinnen vallen,
wanneer hun aandacht wordt getrokken door
deze of gene, een kind, een mankepoot,
een overdadig opgemaakte vrouw.

Ze kijken rustig toe. Ook zonder dat
ze er met zoveel woorden iets van zeggen,

weten ze van elkaar wel wat ze denken.

Rampen 

De wereld is geen lolletje. Als een snoer
van glinsterende rampen ligt ons leven
achter ons; onze toekomst, in brak licht,
niet veelbelovend. Desondanks, we houden

moedig onze posities, want het land
moet bemand blijven. En er zijn nog steeds
ogenblikken van zorgeloosheid, in
zonneschijn, strakke wind. We blijven hopen,

en tegen wat ons onder ogen komt,
stellen we ons met de welbekende branie,
dapper, bijna goedgehumeurd te weer.
Semper idem. De vos verliest zijn haren,

maar niet zijn streken. Voor de ingang van
de kast, dansen de bijen. Als de zwanen
van hun eieren glijden in de on-
besproken waterspiegel van kanalen

en weteringen, weten ze dat als
ze op hun nest terugkeren, ze volstrekt
dezelfde zijn die ze altijd al waren,
dezelfde die ze altijd zullen zijn.

2. Visie

À Paris

December 1795

I
“We zijn oprechte patriotten. Maar
het grote gebaar zit er bij ons niet in,
mijne heren”, zegt Blaauw bezorgd tot het
Comité de Salut Public (voorop,
sceptisch pruilend, de handen op de rug,
de zon flatteus in het warrige haar
Carnot). “We lijken eerder saai. Bij ons
geldt overleg & nog eens overleg.
Iedere kring, elke bevoegdheid moet
in staat zijn om zich uit te spreken &
wat dan als resultaat te voorschijn komt
lijkt vaak misschien wat flets. Gelijk de zon
boven de polder, die is ook vaak flets.
Maar toch niet zonder weligheid. Ik wijs
u er graag op dat, ondanks alle schijn
van het tegendeel, de rijkdom van ons volk
voortkomt uit landbouw, uit de grond. We zijn
geen handelslui & de haute finance
is iets dat we er maar bij doen. Au fond”,
zegt hij, zijn kin koppig omhoog, zijn blik
op het plafond gevestigd van de zaal
waar putti woekeren tussen wolken,
“au fond zijn wij gewoon een volk van boeren.”

II
“Onze strijd is niet uw strijd. Onze strijd
is een strijd van ons tegen ons, als u
begrijpt wat ik bedoel, is om ons vrij
te maken van onszelf” (De wolfsgrijns van
Carnot). “We zijn al eeuwenlang gelijk &
bevrijd van tirannie. De tirannie
bij ons is onze eigen tirannie,
een tirannie van zelfgenoegzaamheid.

Wij hebben nieuwe vormen nodig, zeker,
uw nieuwe vormen, maar vooral omdat
onze eigen vormen, wijzelf, zijn bedorven.”

III
"Allerlei rechten hebben wij verworven
- en wij beseffen: dankzij u – maar voor
een eerlijke natie van boeren, wat
betekent mensenrecht en recht van burgers
meer dan ijdel gepraat!" De Fransen knikken.
Ze snappen er niet veel van, want het Frans
van deze Hollanders is om te huilen.
Ze hadden beter Walen kunnen sturen,
ook krompraters, daar, maar tenminste te
verstaan. "Ja, ja," zeggen ze sussend, "ja."
Ze kijken elkaar onderzoekend aan.
"Natuurlijk. Onze rechten. Geen probleem.
Heel goed gezegd. Wij hebben u verstaan."

Een bestuurlijk standpunt 

“Visie, het is in feite doorgaans niet
meer dan een ander woord voor drijverij.
Besturen kan het beste
in bescheidenheid gebeuren,
vanuit een continuïteitsgedachte.

‘Geen leeftijd kan buiten verandering’,
zei Thorbecke, ‘geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan.’ Maar wel

in een continuüm; dus niet met grote
stappen, grootse beroering: via groei.
Veel visie, veel verdriet & wat verandert
door zulke barensweeën dat niet ook

anders & beter via groei ontstaat?”

Bij de borrel 

Loquitur Willem III

“Sherry van 't vat, veel beter dan het bocht
dat ze in flessen importeren, maar

sherry blijft sherry. Ik houd niet van drank.
Evenmin als van vrouwen trouwens, daar-

voor wegen mijn verplichtingen te zwaar
als erfelijk constitutioneel monarch.”

Brede horizon, breed land 

Brede horizon, breed land, water,
grauwe lucht, regen. Moeilijk om te geloven
in een god die dit zo heeft gewild. Toch:

onverbiddelijk 's zondagsmorgens ter kerk,
en 's zondagsmiddags wandelen, over de dijk,

langs sloten en zompige weiden, in hoog-
gesloten, donkere kleren. En onder
de regenjassen zilveren broches verborgen.

3. Een historische visie


In verscheidenheid van vormen

'Brede horizon, breed land, water. Water,
grauwe lucht, regen. Hunkering naar anders
houdt ons onwrikbaar in haar greep, geen dag
of onvermoeibaar schouwen we ons landschap,

op zoek naar nieuw licht, naar nieuwe verbanden.
“Geen leeftijd kan buiten verandering,”
zei Thorbecke, “zonder dat zij daar schade
van ondervindt; geen toestand of hij tracht

in een andere over te gaan.” “Dit is
de wet en de stof van het leven, dat
wij niet in slechts één vorm de eindeloos
rijke aanleg die ons is geschonken tonen

maar in een verscheidenheid van vormen.”

Bilderdijks dood 

De grote ongenaakbare zit bij
het raam. Hij telt zijn leerlingen: het land
is, ondanks het respect hem vaak betoond,
geen haar veranderd, zijn invloed nihil.

Teugelloosheid viert hoogtij, overal
miegelen lichtekooien, op elk erf
speelt het onwettig kroost; iedere hoop
om ooit de natie uit het drab van lust

en zelfgenoegzaamheid omhoog te tillen,
vergaan, vervlogen. In het weerlicht dat
over de ontzette einder speelt, is op

't ivoorkleurig gelaat de glimlach wrang
als nooit voorheen; maar de papieren hand
wrijft peinzend langs een tranenloze wang.

Huizinga noemde Bilderdijk "de grote ongenietbare", ik houd het in dit gedichtje op "de ongenaakbare".

Een historische visie 

“Bilderdijk, Thorbecke, Huet, zelfs Beets,”
bromt de cultuurhistoricus onder
de leeslamp van de bibliotheek,

“wie heeft eigenlijk niet een gooi gedaan
naar een Historische Visie. De echo
van de Duitse klok is onmiskenbaar.”

Maar zijn wij dan
alleen een verlengstuk van Duitschland?
Een zeevarend germanisme? Waar ligt
de parel van onze eigenheid?

Of is zelfs dat een Duits geluid? Of is
juist dat het wezenlijke, deze twijfel?

Thorbecke zei 

'“Thorbecke zei: ‘Geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan. In staat,
in samenleving
voltrekken zich grote veranderingen,
en de mensch moet daar vorm aan geven.’ Goed,

maar bedenk wel, we zijn geen utopisten.
We zijn gewend aan soevereiniteit
in eigen kring, handvesten en costumen
per stad, per heerlijkheid, sinds eeuwen zo

gegroeid, en kennelijk een bron
van eigenheid; en van de kracht waarmee
we onze autonomie bevochten hebben;
een bron van welvaart.

Onze onmacht, dat is geen onmacht die
voortvloeit uit onmacht - de materie is
taai - maar een eigenlijk
uiterst respectabele onmacht: onmacht

om soevereiniteit op kleine schaal
te onderschikken aan een algemene
rechtsorde. Daarin, daarin ligt de crux,
daarin de oorzaak van de neiging die

ons inderdaad niet vreemd is om de zaken
op hun beloop te laten, te berusten.”
Zeker, de mensheid is de taak gesteld
om staat en samenleving vorm te geven,

daarmee is de gemeente het wel eens,
wat Thorbecke oppert heeft, als steeds, niveau.
Jammer alleen is dat er bijna nooit
één stichtend woord bij is, één woord van troost.

Oudhollands

Links over links treft rechts, het is
een oude waarheid. Zuchtend zit
de commissie van wijzen om de haard.

De jassen hangen in de gang te drogen,
de neuzen vochtig – het is bitter koud –
 
en met een glas jenever in de ogen.

Nieuwe smaken

De zwanen schuifelen heel langzaam, vastberaden,
langs oude huizen, over oude straten,

op weg naar een nieuw water waar ze met
hun lange halzen voedsel zullen eten,
nieuw voedsel met volledig nieuwe smaken.

De oude smaken zijn ze al vergeten.


4. Over gevoelens


Van Eeden voelt

I.
De jonge Frederik van Eeden peutert
nadenkend met een pennenmes
onder zijn nagels. Kent hij deze
rustige zelfvoldaanheid niet van vroeger,

toen hij bij voorkeur in het wit geklede
vriendinnen vergezelde in een roeiboot?
Bij Loosdrecht kom je soms op zondagmiddag
dichtende dominees tegen, maar gister

droomde hij dat hij zichzelf een hand gaf –
dat geeft te denken. Nederland is sinds
zeventienhonderd nauwelijks veranderd.

II.
Hij lijkt ook wel wat op een schilderij
uit de school van de Impressionisten, denkt hij.
Zo'n rommeltje van kleine toetsjes verf.

Gefragmenteerd, dat is het woord, hij is een
gefragmenteerde geest. Gevoelentjes,
gedachtetjes, zij strijden om de voorrang

maar eenheid vormt zich niet. Een eicel die
zich om een van de zaadcellen heen klemt,
ermee versmelt, en zalig uitdijt, is

er niet. Alleen de lage grauwe lucht
boven het polderland. De regen die
van tijd tot tijd neerdruilt. En natte menschen,

haastig voorbijfietsend over de dijk.

Hij masturbeert te vaak, verontrustend.

Dominee bij Loosdrecht 

'De roeiboot ligt afgemeerd in de rietkraag,
je brengt je zondagmiddag liefst in af-
zondering door, heen en weer wandelend

over een eiland. Kort gemaaide stoppels,
hier en daar plukjes hooi in wilgentakken.
De bodem is zo week dat als je loopt

een lichte beving is te voelen, of
je ondanks nederigheid en godsvrucht
een personage bent van groot gewicht.

In mineur

“Vanmiddag fietsten we bij Baarn,” noteert
Van Eeden peinzend in zijn dagboek, “en
ik dacht de hele tijd over de dieren
die we in Artis zagen. Weliswaar

worden ze goed verzorgd, met elke dag
hun natje en hun droogje, maar hun lot
is niet benijdenswaard.” Het fietspad was
fraai aangelegd, uit fijngemalen schelp
dat zachtjes knisperde onder de banden,
het weer was excellent, de Grote Man
evenwel was hartgrondig in mineur.

Hij kon de hele rit alleen maar denken
dat alle wilde dieren moeten sterven


Metaal

De dieren moeten sterven en ook mensen
leven niet onbeperkt. Van Eeden buigt
zich diep over het stuur totdat hij het
metaal kan ruiken, als er niemand kijkt

likt hij het chroom. Het leven is een droom.
Het bloed ruist door zijn aderen. Het brein
spint eindeloos zijn webben. Wanhoop, angst,
ze hebben zich al zo lang, zo diep in

het dichterlijk organisme ingebed
dat hij er zich maar niet tegen verzet.

5. Thorbecke spreekt


Thorbecke spreekt

Thorbecke spreekt, en de brutale bek
van de studenten op de eerste rij
van het amfitheater, leunend op

het solide witgeverfde hek, is in
een uitdrukking van ongeveinsd respect
op slot gezet. Vanmiddag hebben ze

wel tijd om bier te zuipen of om langs
het water te flaneren, en met uit-
gestreken smoelen jonge vrouwen die

daar niet van zijn gediend te provoceren.
Nu is het ernst. Het marmeren gelaat,
de ogen, wegdromend langs het plafond,

en de verrassend vrouwelijke mond,
perfect articulerend, die een stroom
kunstig gebouwde zinnen produceert

vol duistere gedachten, houden zelfs
de wellustige aanvechtingen van
de grootste schoft spelenderwijs in toom.

Waarom

Waarom? Is het verwantschap, vaag beseft
maar niet bewust te maken, evenmin
doorgrondelijk als de gedachtevlucht
die hij zo precieus verwoordt; of is

het toch een vage vorm van empathie,
een dierlijk voelen van het smeulend vuur
achter die dromerige ogen dat
een te teerhartig hart verteert? Het lijkt

nauwelijks denkbaar. Deze brute jeugd,
blakend van levenslust, het hele lijf
op voortplanting gericht: de kloof met zijn
gestrengheid, zijn vergeestelijktheid lijkt

onoverbrugbaar. Desondanks, ze zijn
producten van hetzelfde zaad, en ooit
zal er ook uit hun onbehouwen knop
een bloem ontbotten als de zijne; niet

precies zo fraai misschien, zo elegant
van vorm of kleurschakeringen, maar voor
de wetenschap beslist dezelfde soort.

Vanuit de tearoom

Vanuit de tearoom is het perspectief
minder verheven. Niet zo hoog en streng,
maar één voor één met een feilloze neus
voor de maatschappelijke werkelijkheid,

achten de dames hem niet helemaal -
niet comme il faut. Niet echt provinciaal
natuurlijk, maar un peu pédant. En in
zijn kleren - wel héél zwart, he! - hebben zij

feilloos een vleug van de bedompte geur
van achterkamertjes ontwaard, en van
te zeer bedwongen hartstocht. Een groot man,
buiten enige twijfel, maar beslist

niet de man van de wereld, wiens faveurs
een schaar van gastvrouwen elkaar betwist.

In éénen vorm

“Geen leeftijd kan buiten verandering,”
zegt Thorbecke, “zonder dat zij daar
schade van lijdt; geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan.” “Dit is

de wet en de stof van het leven, dat
wij niet in éénen vorm de eindeloos
rijke aanleg die ons is geschonken tonen,
maar in een verscheidenheid van vormen.”

Nochtans, de vos verliest misschien zijn haren,
maar niet zijn streken; voor de ingang van
de kast dansen de bijen; als de zwanen van
hun eieren afglijden, in de on-

besproken waterspiegel van kanalen
en weteringen, weten ze dat als
ze op hun nest terugkeren, ze nog steeds
dezelfde zijn die ze altijd al waren,

dezelfde die ze altijd zullen zijn.

6. Petite histoire


Naar kamfer ruikend

Aquarel van prinses Marianne

Pastelkleurig zijn de wolken boven
de Etna als de prinses uit de bark stijgt
& het hart van de prins heeft

zij al verloren voor zij het
goed en wel had veroverd & wat rest haar
dan nog dan rusteloos reizen, zich laten

begroeten op vreemde bordessen door
onkreukbare, buigende heren, bleke handen
genadiglijk aannemen. 's Middags
schilderen bij de deuren die aanstaan

op de tuin, lichte conversatie, zwaar
tafelen. En 's avonds troosteloos bidden
in een naar kamfer ruikend hemelbed.

Goejanverwellesluis

Een scheefgezakte sokkel met een zuil
en daarop een niet thuis te brengen beeld:
wie is hier wie, wie heeft hier wat verdedigd
en tegen wie? De kinderen die op

de weg toekijken hoe een dame uit
haar koets gelicht wordt door milities en
onwennig gebrutaliseerd,
kan het niet schelen, zij hebben genoeg
aan de betovering van hier en nu.

Noch denken ze aan toekomstige geslachten
die op deze plek van hun fietsen stappen,
al evenzeer bedwelmd door geur van gras
en groen en door het amechtige gezoem
van de insecten, en al evenmin

belang stellend in de petite histoire
die men op deze prent zich ziet voltrekken.

We kijken naar een prent van de aanhouding van prinses Wilhelmina in 1787.

Bezoeking

Leviathan en Behemoth bezoeken
dit land van melk en honing. Rug aan rug
liggen de beesten voor de ontzette kust

van Schouwen-Duiveland. Het strand is leeg,
alleen heel in de verte, aan de kim,
huivert in een mythisch namiddaglicht

een school andere eilanden, maar als
de rookpluim van Gods toorn verstoven is,
zijn die verdwenen, enkel u en ik,

met open monden, ogen roodomrand,
bezoedeld door onze hunkering naar
kennis van goed en kwaad, staan aan het strand

en onze tenen graven in het slik.

Gescheit

Onschuld is een illusie, meent Van Eeden.
terugkijkend weet je: uit slechts twee factoren,
kennis van 's mensen ziel, kennis van feiten,
valt de gehele wereld af te leiden.

Anderen willen dat wel eens vergeten.
maar hij niet, daarvoor is hij te gescheit.
Bescheiden legt hij zijn servet op tafel
en trekt de plooi op in zijn broek voor hij

het rechterbeen over het linker vlijt.

Pieter Saenredam, Sint Catharinakerk, Utrecht

Als het zo is, meent Saenredam, dan moet
het zo geschilderd worden: wit, vol licht.
Niet als in Roomse tempels

vol afgodsbeelden, stank van wierookbranders. Niet
achter massieve zuilen, als in zuidelijke landen,
verleiders, die met hun geslachtsdeel spelen,


maar mannen die een graf opmeten en
beleggers die bezadigd met elkaar
de koersen en de rentestand bespreken.


Vigilate et orate

Mattheüs 26:41

In het gebouwtje van de hoofdwacht,
lijdzaam tegen de kerk aangeleund, waar
het licht naar pis ruikt, en naar koude as
uit meerschuimpijpen, en waar
een enkele keer wel reizigers slapen,

vindt een theologisch debat plaats over
Jezus in de Hof van Olijven. Spugen
deze soldaten bij hun landerige,
of zeg maar rustig zeikerige commentaren

pitten van kersen op de stenen tegels?
of is dat lichte tikken het geluid
van fiches die worden verschoven of
van damstenen op de geblokte tafel?

De koning evalueert

Loquitur Willem III

“Maar beter er geen doekjes om te winden:
ik lig niet goed. De Sachsen Coburgs - die
ik natuurlijk nauwelijks ernstig hoef te nemen -
moeten mij niet. En de Hannover Windsors

zijn arrivés, bourgeois. Van Pruisen moet
ik ook niets hebben. Wat blijft er dan over
behalve marginaal gespuis. Maar niet
getreurd, binnenslands mag ik mij verheugen

in onbegrensde populariteit.
Niet bij de stijve liberale heren
die er op staan mijn kabinet te zijn,

maar bij het volk - ik spreek hun taal niet bijster
en zij de mijne niet, maar heeft dat ooit
spontane liefde in de weg gestaan:

verwacht men van mij dat ik God versta?”


7. Birgittenstraat


1.
21.30 u. Binnen
de Singel, achter de linden,
ligt Lepelenburg, wacht
op de revolutie.

2.
We lopen voorzichtig
door de Brigittenstraat. Wit
zijn onze ogen,
blauw en rood
onze kokardes.

3.
Zomeravond in de
Brigittenstraat. Onkruid
tussen de stoeptegels.
Kamperfoelie
beweegt zich
in het lantaarnlicht.

4.
In de Brigittenstraat eet
niemand mosselen
op een terras.

5.
Zomeravond. Boze
Stemmen van kinderen
In de Birgittenstraat.

6.
En zo voort.
Op de Nieuwe Gracht,
in het plechtige duister
van de negentiende eeuw,
in de schaduw van de schaduw,

lichten de heren,
de jas hooggesloten,
hun hoed voor de dames.

8. Vie littéraire


Vie littéraire

“Loop even snel langs de Sassenpoort,
door de Koestraat naar de Grote Sociëteit,
jongen, en kijk
wat daar op de leestafel ligt, op

het groene laken, onder de lampen: geen bundels
van Tollens of Helmers s.v.p., en Withuys,
no way, maar als
er iets nieuws is van De Lamartine,
of misschien wel van Göthe,

dat zou mijn dag goed maken. En neem
als je langs de groenteboer komt
op de terugweg, asperges mee,
twee bossen blauwkoppen, mooie.”

Trots, weemoed, woede

Op de tafel onder de leeslamp, vluchtig
bevingerd door de heren die hier komen
de krant lezen, enigszins schuw, de oren
gespitst op elk geluid, prijken de kleine

boekjes, ruw papier, opengesneden
door de bedienden, waarin onze dichters
hun versies hebben laten drukken van
nog nauwelijks erkende sentimenten:

trots, weemoed, woede strijden er bedeesd
met Gods voorzienigheid en piëtisme.
Als bleke speculanten op de beurs.

Bij een portret van Conrad Busken Huet

Pas op, elk woord is een blunder!
De dichter met zijn
sardonische negentiende-eeuwse kop
kijkt je alvast spottend aan.

Achter zijn rug, de schuinse blikken,
het jaloerse gekwebbel
van zijn maîtresses,
het voortdurende gekift
om voorrang bij draaideuren
of op de trap naar de bovenverdieping.

En als je thee hebt gedronken,
zeg je - en wat schelen je ogen,
wat klinkt je stem quasi-plechtig - :
“Mussen fladderen tussen mousseline.”

Zeg je: “Of, o,
Potgieters zoetvloeiende vers.”

(Dichtregels? Ja, oké. Maar alle versaccenten liggen verkeerd.)


Ds. E. Laurillard tot zijne huisvrouw

Ik droomde – een droom vol tegenstrijdigheden,
Half licht, half duisternis, half waar, half waan

J.J.L. ten Kate, ‘Ontwaken’

Sherry. En in
het donkere glas van de ochtend
liggen wij als nimf & satyr.

Het gras verzamelt al dauw. De eerste
vogels bewegen
steels in de heg.

De eerste bomen
blikkeren in de ramen.

Nu!
Ik klim fluks in de toren, gij,
gij spreidt de vloermat van
uw gouden haren.

Ds. Eliza Laurillard [Rotterdam 1830 - Santpoort 1908] was van 1857-1862 predikant te Leiden en te Amsterdam van 1862-1904. Zijn Spreuken en Gezegden aan den Bijbel ontleend werden met de gouden erepenning bekroond door de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten, 1875. In zijn dichtbundel Bloemen en knoppen uit 1878 publiceerde hij de waarschijnlijk eerste echte sonnettenkrans in de Nederlandse literatuur.

Zwanen van Nederland

Of natuurlijk
de Schoolmeester, pijpje smorend
met half dicht-

geknepen ogen, tuk
op viezigheid. De
wereld zijn speeltuin.

(Later ontpopt hij zich,
niets veranderd,

en met dezelfde bekwaamheid
waarmee hij de dames

neukte, als zorgondernemer.)



9. Animum Neronis

Nemo haec et talia animum Neronis penetrantia prohibebat.

Tacitus, Annales XIV, 13

Na het zwemmen

Loquitur Willem III

“Ben ik een man? Als ik de schouderband
van mijn badpak naar voren trek -
wat ik daar zie, is niet bepaald geschikt
om me gerust te stellen. Wel het haar,

dat, dik op borst en onderbuik, zich zelfs
als een soort armetierig struikgewas
langs de bilnaad omhoog wringt naar de lenden –
maar tussen de benen, die slak, die rups...

Natuurlijk, ik herinner me wel hoe
het vaak, op middagen met decadente
muziek, zwaar en nat in de hand lag van
een snuffelende maîtresse of van, weet

ik veel, een of andere andere hoer.
Maar dat was toen, en wat ik zie is nu,
en het houdt me bezig. Ben ik deftig? Nee!
Bourgeois? Nee! Ben ik hypocriet? Nee, nee!

Maar wel een man. Alsjeblieft wel een man!”

Hij woont een zomeravondconcert bij in Montreux


Openen met een brede orkestratie
van twaalf violen, 
hobo's, fagotten en basso continuo
(als in Händels Concerto grosso).
een fraaie, brede laan van muziek,
die je een park binnenleidt waar
aan overdadige waterpartijen
overal huisjes staan, zo sjiek en knus,
en gecapitonneerd als bonbonnières.

Binnen: hoerenspel, hoerenspel!
Zwaar opgemaakte ogen, naakte armen
die naar je baard kronkelen, natte billen
in ruches, in zijden kussens gedrukt.

(Geen muziek meer, Sire, geen concerto
om het hijgen en het natte steunen
te doen vergeten.)
En bij de deur

uiteraard begerige dienstmeiden,
hun klauw al uitgestoken om
hun speldengeldje op te strijken.

Weitzel

“Conflicten kunnen beter niet te zeer
aangezet worden, dat is voor de schouwburg,
en sober maakt meer indruk.” Weitzel spreekt.

“Uiteindelijk schikt de koning zich steeds.
zelfs in de affaire met Mlle. Ambre...”
De andere heren wenden gegeneerd

het hoofd af, of steken hun neus
in het geneverglas. “Zelfs als ditmaal
de kwestie uit de hand zou lopen, hebben
we altijd nog onze troefkaart: de prinses.”

Weitzel in een schemerige dinerzaal.
Bij de deur staat de ober op hete kolen.

Hoe lief, hoe warm

Dan liever royalty, de kelige,
doortastende stem, de gebaren,
bruusk, ongegeneerd, of de hand in
de broekzak, spelend met het lompe lid:

“Mlle. Ambre is een lieve vrouw,
en wat méér is, een goede. Maar wie zal me
geloven? Nietwaar? Wie heeft haar gekeesd?”

“Maar is dat reden om wanneer het mij
behaagt om haar de titel van Comtesse
d'Amboise te geven
- mijn privilege, als regerend vorst -
zo botweg dwars te liggen? Zijn ministers

niet dienaars van de kroon?” “Zelfs lepe vossen
als Weitzel, Fransen van de Putte en
De Vries zouden in moeten zien hoe lief

deze vrouw is, hoe warm, hoe zonderling
met 's konings welzijn gepreoccupeerd!”

10. Semper idem


Geen vertrouwen 


FC Utrecht, uit tegen RKC, 28-04-24

De kale koppen van de harde kern,
van FC Utrecht, populair bij club
en kit, maar geen vertrouwen, geen vertrouwen.

Ze smoezen driftig met elkaar, ze schreeuwen
hun kelen schor. Het stáát niet goed, het stáát
gewoon niet goed! Iedere aanval strandt
en steeds dreigen er counters door
het hart van de verdediging,
de keeper glijdt al uit wanneer hij een
bidon probeert te pakken bij de paal!
De trainer geeft niet thuis.

Vuisten trommelen op de balustrade.
De kale koppen van de harde kern
hebben er geen vertrouwen in. Hun hart
is rood en wit en rood en wit de sjaal
waaraan ze woedend rukken, de beminden,
maar oplossingen kunnen ze niet vinden.

Rotsbodem is hier niet

Rotsbodem is hier niet - of beter: rots
vind je pas op een kilometer diepte.
Overdag zijn we onvervaard in touw,
proberen, net als iedereen, de boel
naar onze hand te zetten, vaste grond
onder de voet te houden zonder te
veel averij. Dan wordt het avond en
kijken we in de krant, verongelijkt,
gekweld door onbestemde schuldgevoelens.

“Elektronicaketens onder druk.”
“Voor je dertigste op de top van je
carrière, maar wat dan?” “Kan Groot-Brittannië
niet zonder de EU, of andersom?”
De vos verliest zijn haren, niet zijn streken.
Voor de ingang van de kast dansen de bijen.

En 's nachts, in onze dromen, komen we
in weidse beursgebouwen onszelf tegen,
en maken we, met dichtgeknepen keel
wegkijkend, ondoorgrondelijke deals.

Sinterklaas 2015

Winderig is het en boven de stad
schieten de sterren hun koude licht af.
De vrouwen, die hun boodschappen gedaan
hebben, lopen met klikkende hakken
- er hangen drie, vier tassen aan hun armen –
door de donkere straten terug naar huis.

Semper idem

Semper idem, dat moest ons motto zijn,
niet Via eensgezindheid groeien
geringe zaken, want geringe zaken blijven
altijd gering. Verbaasd bekijken we

het dringen en drijven van wat uit het ei
gekomen is, bedenken dat zich dit
in het oneindige herhaalt, net als het gras
dat afsterft en weer opkomt, fluitenkruid

dat worstelt voor zijn plek, en weer verdwijnt
zonder een spoor van spijt. Alles wat leeft
herleeft voortdurend, vecht voor licht en blijft
alleen doordat het dringt in evenwicht.

Semper idem.
En zo ook met ons zelf.
Zoals we zijn, zijn we gedoemd te blijven.
Onze veranderzucht zelf draagt het teken
van onvermurwbare onveranderlijkheid.


EINDE

Baudelaire

  Aan de lezer Charles Baudelaire, Au lecteur Door dwaasheid, dwaling, zonde en door gebrek aan moed wordt onze ziel geknecht, en wordt...