donderdag 5 maart 2026

Gedichten van Jos Houtsma

Gedichten van Jos Houtsma

1. Het bestiaire

2. Zwanen van Nederland

3. Deze wals

4. Gedaan uit liefde

5. De woestenij

6. Wimbledon

7. Causeries Goethesques

8. Break on through


Het bestiaire

 

Het bestiaire

Orfeus’ hofstoet

Het Bestiaire van Guillaume Apollinaire met de houtsneden van Raoul Dufy

En enkele andere diergedichten


Orfeus

Apollinaire: Orphée


Bewonder, lezer, zijn magie,
de vorstelijke melodie:
dit is de toon waarop het licht vibreert,
zoals ons Hermes Trismegistus leert.

Schildpad

Apollinaire: La Tortue


Mijn vingers grijpen als bevlogen
in mijn Thracische lier, en zie
hoe door dit schildpadhuis, dit lied,
elk dier tot dansen wordt bewogen.

Paard

Apollinaire: Le Cheval



Ik zal je berijden met mijn strenge dromen,
je in het trekzeel spannen van mijn lot,
het leidsel waar ik je mee in zal tomen
is het volmaakte vers dat je me ontlokt.


Kasjmiergeit

Apollinaire: La Chèvre de Tibet


 

De vacht van deze geit, en zelfs de vacht
die Jason eertijds tot in Colchis bracht,
zijn van nul en generlei waarde bij
de gouden lokken waar mijn hart naar smacht.

Slang

Apollinaire: Le Serpent



Je hunkert, vriend, naar vrouwenschoon,
hoe menig edel vrouwspersoon
hielp je niet naar de ratsmodee!
Cleopatra, Eurydice,
en ik weet er nog wel een of twee.

Kat

Apollinaire: Le Chat


Ik wens me een huis, een vrouwtje dat
haar plaats kent, boeken en een kat.
En vrienden om mijn lot te delen
zodat ik me niet hoef vervelen.

(Vertaler heeft van deze zegen,
slechts huis en boeken meegekregen,
in vriendschap ziet hij weinig brood,
zijn vrouw is mondig, de kat is dood,
niettemin is hij tot op heden
met zijn bestaan niet ontevreden.)

Leeuw

Apollinaire: Le Lion



O leeuw, o toonbeeld van onwaardig lijden,
gevallen vorst, moet je in deze tijden
voor het vertier van de Germaanse horden,
in een Hamburgse Zoo geboren worden?


Haas

Apollinaire: Le Lièvre


Wees niet, als minnaar of als haas,
steeds bang, en toch steeds op de taas.
Veel beter: laat uw vruchtbaar brein
als een hazin steeds drachtig zijn.

Konijn

Apollinaire: Le Lapin




Ik weet een knijntje heel geheim,
ik wou dat het van mij mocht zijn.
om mee te spelen in de tijm
in het land van heerlijk samenzijn.

Connin, ‘konijn’, is ook een woord voor het vrouwelijk geslachtsdeel.

Kameel

Apollinaire: Le Dromadaire



Don Pedro met zijn vier kamelen,
Don Pedro van Alfaroubeira,
trok door de wereld, tralalaleira,
en niets wat hem een cent kon schelen.

O, had ik ook maar vier kamelen!

De 15e-eeuwse infante van Portugal, don Pedro d’Alfaroubeira maakte een wereldreis met 12 metgezellen en vier kamelen

Muis

Apollinaire: Le Souris


O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt:
al achtentwintig en nog steeds
elke inspanning te veel gevraagd.

Of:

O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt,
al achtentwintig en geen schijt
tot stand gebracht, echt godgeklaagd!

Of beschaamd toegepast op de vertaler:

O ledigheid, muis van de tijd
die aan mijn levensdagen knaagt:
al zoveel jaren met pensioen
en nog geen wereldreis gemaakt!

De olifant

Apollinaire: L’Eléphant


Ik ben een olifant, behoed-
zaam draag ik in mijn mond mijn goed.
Purper is niets! Ik koop mijn glorie voor de
pasmunt van zoetgevooisde woorden.

Procyon lotor


Een wasbeer in de Duitse stad Erfurt werd op een Kerstmarkt slapend aangetroffen onder een prullenmand, waarna hij slingerend wegliep, kennelijk ‘in beschonken staat’ . Vermoedelijk had hij zich tegoed gedaan aan restjes glühwein uit weggegooide bekertjes - NRC december 2020.


Een wasbeer die zich heeft bezat
aan glühwein of ander geestrijk nat
blijft in Duitsland, zoals dat gaat,
op de lijst van beschermde dieren staan.


Vervolg

Toen Salomé danste en Johannes sprak
totdat men hem ruw onderbrak
en zijn hoofd deponeerde op een schaal,
waar was de wasbeer toen helemaal?
Waarschijnlijk lag hij laveloos
te slapen in een lege doos.


Publiek 2021



Geen reden tot paniek?
Het afgestompt publiek,
aan gruwelen verslaafd,
kijkt op het Netflix-scherm
terwijl de wrede wolf
over het fietspad draaft.


Roodkapje 2022




Diep, heel diep in het bos ligt oma met
grote corona-oren in haar bed.
De boze wolf is terug, Roodkapje! Loop
niet met je seksualiteit te koop!


Stand van zaken augustus 2024

De wolven zijn de Heuvelrug ontgroeid.
Hun welpen spelen in het weiland, morgen
in onze straten, onze tuinen. Wie
durft dan nog iets te zeggen van hun stank
of van het boos gekef op onze bank!

Schapen



De schapen dringen in hun kooi
bang bij elkaar, ze voelen zich,
ondanks schaaplievend tijdsgewricht,
en ondanks overvloed aan hooi,
misschien wel schaap maar boven alles prooi.

Panthera

De panter ademt uit een zoet
dat alle dieren smachten doet,
naar Jezus, door hem uitgebeeld,
die ons het eeuwig zoet uitdeelt.


Wildebeest



Wie weet, o wildebeest, waar hij naar dorst,
die zandkleurige leeuw daar aan uw borst!

Denkt u dat leeuwen als ze zich vervelen
met wildebeesten willen spelen?


Eenhoorn

De eenhoorn in een meisjesschoot
tuimelt in slaap en vindt de dood.
De les voor minnaars? Wees beducht
voor ieder spoor van sluimerzucht.



 

Krokodil




De krokodil eet graag een mens,
maar daarna snottert hij intens
en blijft het zelfverwijt hem plagen
tot het einde van zijn levensdagen.


O liefste lief, had je maar tijd
voor een heel klein beetje zelfverwijt!

Hydra


De Hydra laat zich als ze dat wil
opeten door een krokodil
en scheurt hem als ze weer weg wil lopen
(zegt Bestiaire) van binnen open.


(Voor elke afgehakte kop
springen twee nieuwe koppen op
wat haar zowel verkeerd geraakt
als aartssymbool van roddel maakt.)

Orfeus 

Apollinaire: Orphée

Ziehier, het ongedierte geeft
acte de présence: al wat leeft
en wat krioelt: insecten, teken,
microben, wonderen waarbij
de wereldwonderen verbleken
en Pia Beck de moord kan steken.

Rups

Apollinaire: La Chénille


Door noeste vlijt, mijn dichtersbent,
verwerft men glorie ongekend.
Laat ons dus, om ons ooit te ontpoppen
als vlinders, nu als rupsen kroppen.


Muggen

Apollinaire: La Mouche



Ons muggendom kent melodieën
die ze in het hoge noorden leren
van neven, knutjes, de geheime
goden van de beijsde meren.

De vlo

Apollinaire: La Puce



Vlooien! Mijn vrienden! Mijn vriendinnen!
Wat wreed zijn zij die ons beminnen!
Voor hen vergieten we ons bloed.
Bemind te zijn is bitterzoet.

Sprinkhaan

Apollinaire: La Sauterelle


 

Dit is de sprinkhaan onvolprezen
die ‘t voedsel van Sint Jan mocht wezen.
Ach mocht mijn vers op eender wijze
het puikje van de mensheid spijzen.

Orfeus

Apollinaire: Orphée




Uw herte zij het aas, uw visvijver de hemel,
o zondaar! Want geen vis in ‘t visrijke gewemel
zo fraai van vinnen of van smaak zo uitgelezen
als deze zoete vis, mijn toeverlaat, mijn Jezus.

De dolfijn

Apóllinaire: Le Dauphin

Voor J.A.






Al ben ik soms ook blij van zin,
het leven valt niet mee.
‘k Ben een dolfijn, ik buitel in
een hachelijke zee.e 

Medusa

Apollinaire: La Méduse






Medusa’s, jammerlijke koppen,
die met uw violette lokken
u rond laat rollen op de storm
uw rollen inspireert enorm!


(Vivant gaîment er paresseusement dans les mensonges, comme les méduses à fleur de mer - Marcel Proust)

Leven in leugens, lui en blij:
als kwallen zwalken op het tij.

De inktvis

Apollinaire: Le Poulpe






Die zich verbergt in wolken inkt
en ‘t bloed van wie hij liefheeft drinkt,
wellustig tot de laatste snik:
dit walgelijk gedrocht ben ik.

De kreeft

Apollinaire: L’Écrevisse






De crisis heeft zich uitgebreid:
mijn liefdesloon de hele tijd
beweegt zich in een kreeftengang,
stapje voor stapje achteruit.


Karpers

Apollinaire: La Carpe






Onder uw pompebladen lijkt
u te ontsnappen aan de tijd.
Is u de dood misschien vergeten,
vissen van mijn neerslachtigheid!

Ruisvoorn

In hun domein
van roerloos schemerlicht
zijn zij het wisselgeld
van onze lust.


Kikker

De kikker leeft en teelt
zich voort in angst en vrees
voor de fatale witheid van
zijn vlees.


Paling

Palingen in hun palingpoel
bewegen zeer op hun gevoel:
de lokroep van de oceaan
zegt hun wanneer ze moeten gaan.


Orfeus

Apollinaire: Orphée







De wijfjes van de halkyonen
en Amor zelf en de sirenen
zingen onmenselijke canzonen
en dodelijke cantilenen -

Veel fijner is het te aanhoren
de onsterfelijke engelkoren!

De sirenen

Apollinaire: Les Sirènes






Sirenen, wist ik maar waar gij naar smacht
als ge uw leed klaagt in de ontleegde nacht!
Ik ben een zee, door stemgedruis bevaren,
en de zingende schepen zijn mijn jaren.

De nachtegaal


De nachtegaal traliert en tralt
tot hij dood van zijn tak afvalt.
Zoals de nachtegaal ook ik:
tralierend tot mijn laatste snik.


Li rosignous chante tant
Que morz chiet de l’arbre jus

(Thibaut de Champagne)


De kraai

De kraai, door Noach losgelaten,
verdween. Verdronk hij in het water?
of bleef hij weg omdat hij feestte
op honderdduizend dode beesten.


De duif

Apollinaire: La Colombe






O geestelijke duif, die onbevlekt
ons onze lieve Jezus hebt verwekt:
Maria heet mijn lief, gelijk het uwe.
Moge het mij vergund zijn haar te huwen!

De kraanvogel

Mijn vogel kraan, mijn stoere gast,
houdt heel de nacht een steentje vast
als andere kranen slapen.

Hij is de herder, houdt de wacht
over zijn kudde in de nacht,
zijn schuldeloze schapen.

De pauw

Apollinaire: Le paon






Zie hoe de pauw zijn verenkleed,
dat doorgaans op de aarde sleept,
tot een rad slaat, en ongewild
zijn lelijk achterwerk onthult.

De uil

Apollinaire: Le Hibou







Mijn arme hart, gelijk een uil
die aan een schuurdeur is gepind,
is leeggebloed, vertrapt en vuil.
En ik aanbid wie mij bemint.


Ibis

Apollinaire: Ibis






Ik zal de onderaardse poort
doorgaan, de dood, het is beschikt.
O wreed Latijn, o vrees’lijk woord:
Ibis die in het Nijlslib pikt.

Het rund

Apollinaire: Le Boeuf






Het rund: een cherubijn. Hij zingt
van paradijs, van engelkoren
waar wij, als god ons goed gezind
is, vrienden, ook toe zullen horen.

dinsdag 13 januari 2026

Zwanen van Nederland



Zwanen van Nederland


1. Een pandemonium


Nederland

Tulpen en klompen in de uitverkoop;
tomaten aan de kaak gesteld; Frau Antje,
aan de deconfiture van de kaas
ontkomen, met de noorderzon vertrokken!

Is er dan nog gerechtigheid? Is er
dan nog respect voor ondernemingszin?
Liberalisme, wat stelt dat nog voor
als Yesilgöz, Rob Jetten en Rob Trip
alle drie met Thorbeckebustes pronken?

Hoewel, als het om het idee gaat, is
dit wel een gouden greep misschien:  'De Dood
als Voedingsbodem van het Leven', dat
gaat, eenmaal ingeburgerd, jaren mee!

En in de polders, onder grauwe luchten,
ligt het kroos ongebroken op de sloten,
en voor het baksteensilhouet van kleine
zeventiende- en achttiende-eeuwse steden

drijven zwanen met opgestoken hoofden.

Taxatie

De manager van de Plus Supermarkt,
vanuit zijn glazen hok, taxeert haarscherp
de blouses en de nylonschorten van
de meisjes aan de kassa, de make-up.

De vraag is altijd: de de welke zijn er echt
gemakkelijk en welke doen alleen
alsof. Het onderscheid is essentieel.

Met de collega's hebben ze het er
vaak over, de een zegt zus, de ander zo,
je kunt er over speculeren, maar

het is in feite wat De Vries zegt: neus
voor dat soort dingen heb je in je broek.

De Goede en Van Dijk

Beurslopen

1.
De Goede en Van Dijk, liefhebbers van
bezoek aan beurzen, weten haarfijn hoe
ze zich het beste kunnen voordoen als

de eigenaar, de technisch directeur,
de managing director van een leuk,
middelgroot internationaal bedrijf:

een blazer en een grijze pantalon,
milde belangstelling voor het detail,
meer is niet nodig. En verdomme, zie,

zo ijverig als mieren om de stroop,
lopen de standhouders om hen te hoop.

2.
Zwaarwichtigheid is er niet bij, alleen
misschien iets van neerbuigendheid, een zweem
van het soort lompe humor waar je een
verkoper mee over de drempel helpt.

En voordat ze het weten zitten ze
met bier en hapjes in de schaduw van
een nieuw model machine en het gaat
alleen nog om de menselijke maat.

Om grappen, om ervaring die ze delen.
Wat er te koop staat kan ze nu niet schelen.

3.
Later, op de parkeerplaats. Plassen die
dreigen met enorme avondluchten.
Lui praten ze nog even na. Soms laten

ze lange pauzes tussen zinnen vallen,
wanneer hun aandacht wordt getrokken door
deze of gene, een kind, een mankepoot,
een overdadig opgemaakte vrouw.

Ze kijken rustig toe. Ook zonder dat
ze er met zoveel woorden iets van zeggen,

weten ze van elkaar wel wat ze denken.

Rampen 

De wereld is geen lolletje. Als een snoer
van glinsterende rampen ligt ons leven
achter ons; onze toekomst, in brak licht,
niet veelbelovend. Desondanks, we houden

moedig onze posities, want het land
moet bemand blijven. En er zijn nog steeds
ogenblikken van zorgeloosheid, in
zonneschijn, strakke wind. We blijven hopen,

en tegen wat ons onder ogen komt,
stellen we ons met de welbekende branie,
dapper, bijna goedgehumeurd te weer.
Semper idem. De vos verliest zijn haren,

maar niet zijn streken. Voor de ingang van
de kast, dansen de bijen. Als de zwanen
van hun eieren glijden in de on-
besproken waterspiegel van kanalen

en weteringen, weten ze dat als
ze op hun nest terugkeren, ze volstrekt
dezelfde zijn die ze altijd al waren,
dezelfde die ze altijd zullen zijn.

2. Visie

À Paris

December 1795

I
“We zijn oprechte patriotten. Maar
het grote gebaar zit er bij ons niet in,
mijne heren”, zegt Blaauw bezorgd tot het
Comité de Salut Public (voorop,
sceptisch pruilend, de handen op de rug,
de zon flatteus in het warrige haar
Carnot). “We lijken eerder saai. Bij ons
geldt overleg & nog eens overleg.
Iedere kring, elke bevoegdheid moet
in staat zijn om zich uit te spreken &
wat dan als resultaat te voorschijn komt
lijkt vaak misschien wat flets. Gelijk de zon
boven de polder, die is ook vaak flets.
Maar toch niet zonder weligheid. Ik wijs
u er graag op dat, ondanks alle schijn
van het tegendeel, de rijkdom van ons volk
voortkomt uit landbouw, uit de grond. We zijn
geen handelslui & de haute finance
is iets dat we er maar bij doen. Au fond”,
zegt hij, zijn kin koppig omhoog, zijn blik
op het plafond gevestigd van de zaal
waar putti woekeren tussen wolken,
“au fond zijn wij gewoon een volk van boeren.”

II
“Onze strijd is niet uw strijd. Onze strijd
is een strijd van ons tegen ons, als u
begrijpt wat ik bedoel, is om ons vrij
te maken van onszelf” (De wolfsgrijns van
Carnot). “We zijn al eeuwenlang gelijk &
bevrijd van tirannie. De tirannie
bij ons is onze eigen tirannie,
een tirannie van zelfgenoegzaamheid.

Wij hebben nieuwe vormen nodig, zeker,
uw nieuwe vormen, maar vooral omdat
onze eigen vormen, wijzelf, zijn bedorven.”

III
"Allerlei rechten hebben wij verworven
- en wij beseffen: dankzij u – maar voor
een eerlijke natie van boeren, wat
betekent mensenrecht en recht van burgers
meer dan ijdel gepraat!" De Fransen knikken.
Ze snappen er niet veel van, want het Frans
van deze Hollanders is om te huilen.
Ze hadden beter Walen kunnen sturen,
ook krompraters, daar, maar tenminste te
verstaan. "Ja, ja," zeggen ze sussend, "ja."
Ze kijken elkaar onderzoekend aan.
"Natuurlijk. Onze rechten. Geen probleem.
Heel goed gezegd. Wij hebben u verstaan."

Een bestuurlijk standpunt 

“Visie, het is in feite doorgaans niet
meer dan een ander woord voor drijverij.
Besturen kan het beste
in bescheidenheid gebeuren,
vanuit een continuïteitsgedachte.

‘Geen leeftijd kan buiten verandering’,
zei Thorbecke, ‘geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan.’ Maar wel

in een continuüm; dus niet met grote
stappen, grootse beroering: via groei.
Veel visie, veel verdriet & wat verandert
door zulke barensweeën dat niet ook

anders & beter via groei ontstaat?”

Bij de borrel 

Loquitur Willem III

“Sherry van 't vat, veel beter dan het bocht
dat ze in flessen importeren, maar

sherry blijft sherry. Ik houd niet van drank.
Evenmin als van vrouwen trouwens, daar-

voor wegen mijn verplichtingen te zwaar
als erfelijk constitutioneel monarch.”

Brede horizon, breed land 

Brede horizon, breed land, water,
grauwe lucht, regen. Moeilijk om te geloven
in een god die dit zo heeft gewild. Toch:

onverbiddelijk 's zondagsmorgens ter kerk,
en 's zondagsmiddags wandelen, over de dijk,

langs sloten en zompige weiden, in hoog-
gesloten, donkere kleren. En onder
de regenjassen zilveren broches verborgen.

3. Een historische visie


In verscheidenheid van vormen

'Brede horizon, breed land, water. Water,
grauwe lucht, regen. Hunkering naar anders
houdt ons onwrikbaar in haar greep, geen dag
of onvermoeibaar schouwen we ons landschap,

op zoek naar nieuw licht, naar nieuwe verbanden.
“Geen leeftijd kan buiten verandering,”
zei Thorbecke, “zonder dat zij daar schade
van ondervindt; geen toestand of hij tracht

in een andere over te gaan.” “Dit is
de wet en de stof van het leven, dat
wij niet in slechts één vorm de eindeloos
rijke aanleg die ons is geschonken tonen

maar in een verscheidenheid van vormen.”

Bilderdijks dood 

De grote ongenaakbare zit bij
het raam. Hij telt zijn leerlingen: het land
is, ondanks het respect hem vaak betoond,
geen haar veranderd, zijn invloed nihil.

Teugelloosheid viert hoogtij, overal
miegelen lichtekooien, op elk erf
speelt het onwettig kroost; iedere hoop
om ooit de natie uit het drab van lust

en zelfgenoegzaamheid omhoog te tillen,
vergaan, vervlogen. In het weerlicht dat
over de ontzette einder speelt, is op

't ivoorkleurig gelaat de glimlach wrang
als nooit voorheen; maar de papieren hand
wrijft peinzend langs een tranenloze wang.

Huizinga noemde Bilderdijk "de grote ongenietbare", ik houd het in dit gedichtje op "de ongenaakbare".

Een historische visie 

“Bilderdijk, Thorbecke, Huet, zelfs Beets,”
bromt de cultuurhistoricus onder
de leeslamp van de bibliotheek,

“wie heeft eigenlijk niet een gooi gedaan
naar een Historische Visie. De echo
van de Duitse klok is onmiskenbaar.”

Maar zijn wij dan
alleen een verlengstuk van Duitschland?
Een zeevarend germanisme? Waar ligt
de parel van onze eigenheid?

Of is zelfs dat een Duits geluid? Of is
juist dat het wezenlijke, deze twijfel?

Thorbecke zei 

'“Thorbecke zei: ‘Geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan. In staat,
in samenleving
voltrekken zich grote veranderingen,
en de mensch moet daar vorm aan geven.’ Goed,

maar bedenk wel, we zijn geen utopisten.
We zijn gewend aan soevereiniteit
in eigen kring, handvesten en costumen
per stad, per heerlijkheid, sinds eeuwen zo

gegroeid, en kennelijk een bron
van eigenheid; en van de kracht waarmee
we onze autonomie bevochten hebben;
een bron van welvaart.

Onze onmacht, dat is geen onmacht die
voortvloeit uit onmacht - de materie is
taai - maar een eigenlijk
uiterst respectabele onmacht: onmacht

om soevereiniteit op kleine schaal
te onderschikken aan een algemene
rechtsorde. Daarin, daarin ligt de crux,
daarin de oorzaak van de neiging die

ons inderdaad niet vreemd is om de zaken
op hun beloop te laten, te berusten.”
Zeker, de mensheid is de taak gesteld
om staat en samenleving vorm te geven,

daarmee is de gemeente het wel eens,
wat Thorbecke oppert heeft, als steeds, niveau.
Jammer alleen is dat er bijna nooit
één stichtend woord bij is, één woord van troost.

Oudhollands

Links over links treft rechts, het is
een oude waarheid. Zuchtend zit
de commissie van wijzen om de haard.

De jassen hangen in de gang te drogen,
de neuzen vochtig – het is bitter koud –
 
en met een glas jenever in de ogen.

Nieuwe smaken

De zwanen schuifelen heel langzaam, vastberaden,
langs oude huizen, over oude straten,

op weg naar een nieuw water waar ze met
hun lange halzen voedsel zullen eten,
nieuw voedsel met volledig nieuwe smaken.

De oude smaken zijn ze al vergeten.


4. Over gevoelens


Van Eeden voelt

I.
De jonge Frederik van Eeden peutert
nadenkend met een pennenmes
onder zijn nagels. Kent hij deze
rustige zelfvoldaanheid niet van vroeger,

toen hij bij voorkeur in het wit geklede
vriendinnen vergezelde in een roeiboot?
Bij Loosdrecht kom je soms op zondagmiddag
dichtende dominees tegen, maar gister

droomde hij dat hij zichzelf een hand gaf –
dat geeft te denken. Nederland is sinds
zeventienhonderd nauwelijks veranderd.

II.
Hij lijkt ook wel wat op een schilderij
uit de school van de Impressionisten, denkt hij.
Zo'n rommeltje van kleine toetsjes verf.

Gefragmenteerd, dat is het woord, hij is een
gefragmenteerde geest. Gevoelentjes,
gedachtetjes, zij strijden om de voorrang

maar eenheid vormt zich niet. Een eicel die
zich om een van de zaadcellen heen klemt,
ermee versmelt, en zalig uitdijt, is

er niet. Alleen de lage grauwe lucht
boven het polderland. De regen die
van tijd tot tijd neerdruilt. En natte menschen,

haastig voorbijfietsend over de dijk.

Hij masturbeert te vaak, verontrustend.

Dominee bij Loosdrecht 

'De roeiboot ligt afgemeerd in de rietkraag,
je brengt je zondagmiddag liefst in af-
zondering door, heen en weer wandelend

over een eiland. Kort gemaaide stoppels,
hier en daar plukjes hooi in wilgentakken.
De bodem is zo week dat als je loopt

een lichte beving is te voelen, of
je ondanks nederigheid en godsvrucht
een personage bent van groot gewicht.

In mineur

“Vanmiddag fietsten we bij Baarn,” noteert
Van Eeden peinzend in zijn dagboek, “en
ik dacht de hele tijd over de dieren
die we in Artis zagen. Weliswaar

worden ze goed verzorgd, met elke dag
hun natje en hun droogje, maar hun lot
is niet benijdenswaard.” Het fietspad was
fraai aangelegd, uit fijngemalen schelp
dat zachtjes knisperde onder de banden,
het weer was excellent, de Grote Man
evenwel was hartgrondig in mineur.

Hij kon de hele rit alleen maar denken
dat alle wilde dieren moeten sterven


Metaal

De dieren moeten sterven en ook mensen
leven niet onbeperkt. Van Eeden buigt
zich diep over het stuur totdat hij het
metaal kan ruiken, als er niemand kijkt

likt hij het chroom. Het leven is een droom.
Het bloed ruist door zijn aderen. Het brein
spint eindeloos zijn webben. Wanhoop, angst,
ze hebben zich al zo lang, zo diep in

het dichterlijk organisme ingebed
dat hij er zich maar niet tegen verzet.

5. Thorbecke spreekt


Thorbecke spreekt

Thorbecke spreekt, en de brutale bek
van de studenten op de eerste rij
van het amfitheater, leunend op

het solide witgeverfde hek, is in
een uitdrukking van ongeveinsd respect
op slot gezet. Vanmiddag hebben ze

wel tijd om bier te zuipen of om langs
het water te flaneren, en met uit-
gestreken smoelen jonge vrouwen die

daar niet van zijn gediend te provoceren.
Nu is het ernst. Het marmeren gelaat,
de ogen, wegdromend langs het plafond,

en de verrassend vrouwelijke mond,
perfect articulerend, die een stroom
kunstig gebouwde zinnen produceert

vol duistere gedachten, houden zelfs
de wellustige aanvechtingen van
de grootste schoft spelenderwijs in toom.

Waarom

Waarom? Is het verwantschap, vaag beseft
maar niet bewust te maken, evenmin
doorgrondelijk als de gedachtevlucht
die hij zo precieus verwoordt; of is

het toch een vage vorm van empathie,
een dierlijk voelen van het smeulend vuur
achter die dromerige ogen dat
een te teerhartig hart verteert? Het lijkt

nauwelijks denkbaar. Deze brute jeugd,
blakend van levenslust, het hele lijf
op voortplanting gericht: de kloof met zijn
gestrengheid, zijn vergeestelijktheid lijkt

onoverbrugbaar. Desondanks, ze zijn
producten van hetzelfde zaad, en ooit
zal er ook uit hun onbehouwen knop
een bloem ontbotten als de zijne; niet

precies zo fraai misschien, zo elegant
van vorm of kleurschakeringen, maar voor
de wetenschap beslist dezelfde soort.

Vanuit de tearoom

Vanuit de tearoom is het perspectief
minder verheven. Niet zo hoog en streng,
maar één voor één met een feilloze neus
voor de maatschappelijke werkelijkheid,

achten de dames hem niet helemaal -
niet comme il faut. Niet echt provinciaal
natuurlijk, maar un peu pédant. En in
zijn kleren - wel héél zwart, he! - hebben zij

feilloos een vleug van de bedompte geur
van achterkamertjes ontwaard, en van
te zeer bedwongen hartstocht. Een groot man,
buiten enige twijfel, maar beslist

niet de man van de wereld, wiens faveurs
een schaar van gastvrouwen elkaar betwist.

In éénen vorm

“Geen leeftijd kan buiten verandering,”
zegt Thorbecke, “zonder dat zij daar
schade van lijdt; geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan.” “Dit is

de wet en de stof van het leven, dat
wij niet in éénen vorm de eindeloos
rijke aanleg die ons is geschonken tonen,
maar in een verscheidenheid van vormen.”

Nochtans, de vos verliest misschien zijn haren,
maar niet zijn streken; voor de ingang van
de kast dansen de bijen; als de zwanen van
hun eieren afglijden, in de on-

besproken waterspiegel van kanalen
en weteringen, weten ze dat als
ze op hun nest terugkeren, ze nog steeds
dezelfde zijn die ze altijd al waren,

dezelfde die ze altijd zullen zijn.

6. Petite histoire


Naar kamfer ruikend

Aquarel van prinses Marianne

Pastelkleurig zijn de wolken boven
de Etna als de prinses uit de bark stijgt
& het hart van de prins heeft

zij al verloren voor zij het
goed en wel had veroverd & wat rest haar
dan nog dan rusteloos reizen, zich laten

begroeten op vreemde bordessen door
onkreukbare, buigende heren, bleke handen
genadiglijk aannemen. 's Middags
schilderen bij de deuren die aanstaan

op de tuin, lichte conversatie, zwaar
tafelen. En 's avonds troosteloos bidden
in een naar kamfer ruikend hemelbed.

Goejanverwellesluis

Een scheefgezakte sokkel met een zuil
en daarop een niet thuis te brengen beeld:
wie is hier wie, wie heeft hier wat verdedigd
en tegen wie? De kinderen die op

de weg toekijken hoe een dame uit
haar koets gelicht wordt door milities en
onwennig gebrutaliseerd,
kan het niet schelen, zij hebben genoeg
aan de betovering van hier en nu.

Noch denken ze aan toekomstige geslachten
die op deze plek van hun fietsen stappen,
al evenzeer bedwelmd door geur van gras
en groen en door het amechtige gezoem
van de insecten, en al evenmin

belang stellend in de petite histoire
die men op deze prent zich ziet voltrekken.

We kijken naar een prent van de aanhouding van prinses Wilhelmina in 1787.

Bezoeking

Leviathan en Behemoth bezoeken
dit land van melk en honing. Rug aan rug
liggen de beesten voor de ontzette kust

van Schouwen-Duiveland. Het strand is leeg,
alleen heel in de verte, aan de kim,
huivert in een mythisch namiddaglicht

een school andere eilanden, maar als
de rookpluim van Gods toorn verstoven is,
zijn die verdwenen, enkel u en ik,

met open monden, ogen roodomrand,
bezoedeld door onze hunkering naar
kennis van goed en kwaad, staan aan het strand

en onze tenen graven in het slik.

Gescheit

Onschuld is een illusie, meent Van Eeden.
terugkijkend weet je: uit slechts twee factoren,
kennis van 's mensen ziel, kennis van feiten,
valt de gehele wereld af te leiden.

Anderen willen dat wel eens vergeten.
maar hij niet, daarvoor is hij te gescheit.
Bescheiden legt hij zijn servet op tafel
en trekt de plooi op in zijn broek voor hij

het rechterbeen over het linker vlijt.

Pieter Saenredam, Sint Catharinakerk, Utrecht

Als het zo is, meent Saenredam, dan moet
het zo geschilderd worden: wit, vol licht.
Niet als in Roomse tempels

vol afgodsbeelden, stank van wierookbranders. Niet
achter massieve zuilen, als in zuidelijke landen,
verleiders, die met hun geslachtsdeel spelen,


maar mannen die een graf opmeten en
beleggers die bezadigd met elkaar
de koersen en de rentestand bespreken.


Vigilate et orate

Mattheüs 26:41

In het gebouwtje van de hoofdwacht,
lijdzaam tegen de kerk aangeleund, waar
het licht naar pis ruikt, en naar koude as
uit meerschuimpijpen, en waar
een enkele keer wel reizigers slapen,

vindt een theologisch debat plaats over
Jezus in de Hof van Olijven. Spugen
deze soldaten bij hun landerige,
of zeg maar rustig zeikerige commentaren

pitten van kersen op de stenen tegels?
of is dat lichte tikken het geluid
van fiches die worden verschoven of
van damstenen op de geblokte tafel?

De koning evalueert

Loquitur Willem III

“Maar beter er geen doekjes om te winden:
ik lig niet goed. De Sachsen Coburgs - die
ik natuurlijk nauwelijks ernstig hoef te nemen -
moeten mij niet. En de Hannover Windsors

zijn arrivés, bourgeois. Van Pruisen moet
ik ook niets hebben. Wat blijft er dan over
behalve marginaal gespuis. Maar niet
getreurd, binnenslands mag ik mij verheugen

in onbegrensde populariteit.
Niet bij de stijve liberale heren
die er op staan mijn kabinet te zijn,

maar bij het volk - ik spreek hun taal niet bijster
en zij de mijne niet, maar heeft dat ooit
spontane liefde in de weg gestaan:

verwacht men van mij dat ik God versta?”


7. Birgittenstraat


1.
21.30 u. Binnen
de Singel, achter de linden,
ligt Lepelenburg, wacht
op de revolutie.

2.
We lopen voorzichtig
door de Brigittenstraat. Wit
zijn onze ogen,
blauw en rood
onze kokardes.

3.
Zomeravond in de
Brigittenstraat. Onkruid
tussen de stoeptegels.
Kamperfoelie
beweegt zich
in het lantaarnlicht.

4.
In de Brigittenstraat eet
niemand mosselen
op een terras.

5.
Zomeravond. Boze
Stemmen van kinderen
In de Birgittenstraat.

6.
En zo voort.
Op de Nieuwe Gracht,
in het plechtige duister
van de negentiende eeuw,
in de schaduw van de schaduw,

lichten de heren,
de jas hooggesloten,
hun hoed voor de dames.

 

8. Vie littéraire


Vie littéraire

“Loop even snel langs de Sassenpoort,
door de Koestraat naar de Grote Sociëteit,
jongen, en kijk
wat daar op de leestafel ligt, op

het groene laken, onder de lampen: geen bundels
van Tollens of Helmers s.v.p., en Withuys,
no way, maar als
er iets nieuws is van De Lamartine,
of misschien wel van Göthe,

dat zou mijn dag goed maken. En neem
als je langs de groenteboer komt
op de terugweg, asperges mee,
twee bossen blauwkoppen, mooie.”

Trots, weemoed, woede

Op de tafel onder de leeslamp, vluchtig
bevingerd door de heren die hier komen
de krant lezen, enigszins schuw, de oren
gespitst op elk geluid, prijken de kleine

boekjes, ruw papier, opengesneden
door de bedienden, waarin onze dichters
hun versies hebben laten drukken van
nog nauwelijks erkende sentimenten:

trots, weemoed, woede strijden er bedeesd
met Gods voorzienigheid en piëtisme.
Als bleke speculanten op de beurs.

Bij een portret van Conrad Busken Huet

Pas op, elk woord is een blunder!
De dichter met zijn
sardonische negentiende-eeuwse kop
kijkt je alvast spottend aan.

Achter zijn rug, de schuinse blikken,
het jaloerse gekwebbel
van zijn maîtresses,
het voortdurende gekift
om voorrang bij draaideuren
of op de trap naar de bovenverdieping.

En als je thee hebt gedronken,
zeg je - en wat schelen je ogen,
wat klinkt je stem quasi-plechtig - :
“Mussen fladderen tussen mousseline.”

Zeg je: “Of, o,
Potgieters zoetvloeiende vers.”

(Dichtregels? Ja, oké. Maar alle versaccenten liggen verkeerd.)


Ds. E. Laurillard tot zijne huisvrouw

Ik droomde – een droom vol tegenstrijdigheden,
Half licht, half duisternis, half waar, half waan

J.J.L. ten Kate, ‘Ontwaken’

Sherry. En in
het donkere glas van de ochtend
liggen wij als nimf & satyr.

Het gras verzamelt al dauw. De eerste
vogels bewegen
steels in de heg.

De eerste bomen
blikkeren in de ramen.

Nu!
Ik klim fluks in de toren, gij,
gij spreidt de vloermat van
uw gouden haren.

Ds. Eliza Laurillard [Rotterdam 1830 - Santpoort 1908] was van 1857-1862 predikant te Leiden en te Amsterdam van 1862-1904. Zijn Spreuken en Gezegden aan den Bijbel ontleend werden met de gouden erepenning bekroond door de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten, 1875. In zijn dichtbundel Bloemen en knoppen uit 1878 publiceerde hij de waarschijnlijk eerste echte sonnettenkrans in de Nederlandse literatuur.

Zwanen van Nederland

Of natuurlijk
de Schoolmeester, pijpje smorend
met half dicht-

geknepen ogen, tuk
op viezigheid. De
wereld zijn speeltuin.

(Later ontpopt hij zich,
niets veranderd,

en met dezelfde bekwaamheid
waarmee hij de dames

neukte, als zorgondernemer.)



9. Animum Neronis

Nemo haec et talia animum Neronis penetrantia prohibebat.

Tacitus, Annales XIV, 13

Na het zwemmen

Loquitur Willem III

“Ben ik een man? Als ik de schouderband
van mijn badpak naar voren trek -
wat ik daar zie, is niet bepaald geschikt
om me gerust te stellen. Wel het haar,

dat, dik op borst en onderbuik, zich zelfs
als een soort armetierig struikgewas
langs de bilnaad omhoog wringt naar de lenden –
maar tussen de benen, die slak, die rups...

Natuurlijk, ik herinner me wel hoe
het vaak, op middagen met decadente
muziek, zwaar en nat in de hand lag van
een snuffelende maîtresse of van, weet

ik veel, een of andere andere hoer.
Maar dat was toen, en wat ik zie is nu,
en het houdt me bezig. Ben ik deftig? Nee!
Bourgeois? Nee! Ben ik hypocriet? Nee, nee!

Maar wel een man. Alsjeblieft wel een man!”

Hij woont een zomeravondconcert bij in Montreux


Openen met een brede orkestratie
van twaalf violen, hobo's, fagotten en basso continuo
(als in Händels Concerto grosso).
een fraaie, brede laan van muziek,
die je een park binnenleidt waar
aan overdadige waterpartijen
overal huisjes staan, zo sjiek en knus,
en gecapitonneerd als bonbonnières.

Binnen: hoerenspel, hoerenspel!
Zwaar opgemaakte ogen, naakte armen
die naar je baard kronkelen, natte billen
in ruches, in zijden kussens gedrukt.

(Geen muziek meer, Sire, geen concerto
om het hijgen en het natte steunen
te doen vergeten.)
En bij de deur

uiteraard begerige dienstmeiden,
hun klauw al uitgestoken om
hun speldengeldje op te strijken.

Weitzel

“Conflicten kunnen beter niet te zeer
aangezet worden, dat is voor de schouwburg,
en sober maakt meer indruk.” Weitzel spreekt.

“Uiteindelijk schikt de koning zich steeds.
zelfs in de affaire met Mlle. Ambre...”
De andere heren wenden gegeneerd

het hoofd af, of steken hun neus
in het geneverglas. “Zelfs als ditmaal
de kwestie uit de hand zou lopen, hebben
we altijd nog onze troefkaart: de prinses.”

Weitzel in een schemerige dinerzaal.
Bij de deur staat de ober op hete kolen.

Hoe lief, hoe warm

Dan liever royalty, de kelige,
doortastende stem, de gebaren,
bruusk, ongegeneerd, of de hand in
de broekzak, spelend met het lompe lid:

“Mlle. Ambre is een lieve vrouw,
en wat méér is, een goede. Maar wie zal me
geloven? Nietwaar? Wie heeft haar gekeesd?”

“Maar is dat reden om wanneer het mij
behaagt om haar de titel van Comtesse
d'Amboise te geven
- mijn privilege, als regerend vorst -
zo botweg dwars te liggen? Zijn ministers

niet dienaars van de kroon?” “Zelfs lepe vossen
als Weitzel, Fransen van de Putte en
De Vries zouden in moeten zien hoe lief

deze vrouw is, hoe warm, hoe zonderling
met 's konings welzijn gepreoccupeerd!”

10. Semper idem


Geen vertrouwen 


FC Utrecht, uit tegen RKC, 28-04-24

De kale koppen van de harde kern,
van FC Utrecht, populair bij club
en kit, maar geen vertrouwen, geen vertrouwen.

Ze smoezen driftig met elkaar, ze schreeuwen
hun kelen schor. Het stáát niet goed, het stáát
gewoon niet goed! Iedere aanval strandt
en steeds dreigen er counters door
het hart van de verdediging,
de keeper glijdt al uit wanneer hij een
bidon probeert te pakken bij de paal!
De trainer geeft niet thuis.

Vuisten trommelen op de balustrade.
De kale koppen van de harde kern
hebben er geen vertrouwen in. Hun hart
is rood en wit en rood en wit de sjaal
waaraan ze woedend rukken, de beminden,
maar oplossingen kunnen ze niet vinden.

Rotsbodem is hier niet

Rotsbodem is hier niet - of beter: rots
vind je pas op een kilometer diepte.
Overdag zijn we onvervaard in touw,
proberen, net als iedereen, de boel
naar onze hand te zetten, vaste grond
onder de voet te houden zonder te
veel averij. Dan wordt het avond en
kijken we in de krant, verongelijkt,
gekweld door onbestemde schuldgevoelens.

“Elektronicaketens onder druk.”
“Voor je dertigste op de top van je
carrière, maar wat dan?” “Kan Groot-Brittannië
niet zonder de EU, of andersom?”
De vos verliest zijn haren, niet zijn streken.
Voor de ingang van de kast dansen de bijen.

En 's nachts, in onze dromen, komen we
in weidse beursgebouwen onszelf tegen,
en maken we, met dichtgeknepen keel
wegkijkend, ondoorgrondelijke deals.

Sinterklaas 2015

Winderig is het en boven de stad
schieten de sterren hun koude licht af.
De vrouwen, die hun boodschappen gedaan
hebben, lopen met klikkende hakken
- er hangen drie, vier tassen aan hun armen –
door de donkere straten terug naar huis.

Semper idem

Semper idem, dat moest ons motto zijn,
niet Via eensgezindheid groeien
geringe zaken, want geringe zaken blijven
altijd gering. Verbaasd bekijken we

het dringen en drijven van wat uit het ei
gekomen is, bedenken dat zich dit
in het oneindige herhaalt, net als het gras
dat afsterft en weer opkomt, fluitenkruid

dat worstelt voor zijn plek, en weer verdwijnt
zonder een spoor van spijt. Alles wat leeft
herleeft voortdurend, vecht voor licht en blijft
alleen doordat het dringt in evenwicht.

Semper idem.
En zo ook met ons zelf.
Zoals we zijn, zijn we gedoemd te blijven.
Onze veranderzucht zelf draagt het teken
van onvermurwbare onveranderlijkheid.


EINDE

donderdag 18 december 2025

Kleine Weense wals

 



Leonard Cohen, Take This Waltz,
Naar het gedicht van Lorca


In Wenen zijn tien knappe vrouwen,
en een schouder als stut voor de dood,
en een zaal met acht honderd ramen,
en de duiven verdroogd in een boom.
Er is een stuk afgerukt van de morgen
en dat hangt in de hal van de kou.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
deze wals met de mond dicht voor jou.
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee. 
Ik wil je, ik wil je, ik wil je,
op een stoel met een tijdschrift van dood,
in de holte, het hart van de lelie,
in een hal waar nooit liefde ontsproot,
op een bed waar de maan lag te zweten,
in geschreeuw, met voetstappen en zand.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
neem zijn brekende taille in je hand.
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee.
Er is een concertzaal in Wenen
waar je naam duizend keer werd genoemd
en een bar waar de jongens niet praten,
veroordeeld ter dood door de blues.
Ach, wie klimt er omhoog naar je foto
met tranen die net zijn gekust.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
deze wals, die al jarenlang rust.
Er is een zolder waar kinderen spelen,
waar ook ik binnenkort lig met jou,
in een droom van Hongaarse lantaarns
en de middag die zoet is en blauw.
En ik zie hoe het met je verdriet zit:
met je schapen, je lelies van sneeuw.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
met zijn ‘ik laat je nooit meer alleen.’
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee.

En ik zal met je dansen in Wenen
en ik zal als rivier zijn vermomd,
met een hyacint op mijn schouder
en de smaak van je spleetje op mijn tong.
En mijn ziel leg ik neer in een plakboek
met foto’s, met bloemen, met pluis,
en ik schenk aan je zondvloed van schoonheid
mijn goedkope viool en mijn kruis,
en je neemt me mee naar je dansvloer,
waar ik dans op je heilige mis.
O mijn lief, o mijn lief,
deze wals, deze wals
is van jou, en dat is wat er is.

woensdag 17 december 2025

Gedaan uit liefde


Deze grote mannen

À MARAT is in statige
Romeinse kapitalen op
het bijzettafeltje geverfd. DAVID.
L’An II. Het Classicisme gaat hier
hand in hand met de Romantiek.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde.
De revolutionair – of houden we
het op “de journalist” of “de pamflettist”? –
hangt in zijn bad alsof hij onverhoeds
door een orgasme is geveld, de pen
niet aan de krachteloze hand ontglipt,
het laatst geschreven document nog in

een dode klauw. L’Ami du Peuple,
vereeuwigd door De Schilder. Fascinerend.
Zal alsnog, door de inspanningen van
deze grote mannen, de geschiedenis
een andere wending nemen?


De tijd der Jakobijnen

Zal – nee – 
de tijd der Jakobijnen is
voorbij, een ander slag bepaalt
nu onbetwist het uitzicht
op de Place de la Concorde.

Bedrog in het belang van de zaak
is norm geworden, als straatvechters
beloeren de grote mannen elkaar –
en de grote vrouwen – vanachter
de façades van hun vriendelijkste gezicht.

Daar schiet een arm uit, daar een voet,
en als er eentje moord en brand schreeuwt als
een ander hem een keer te vlug af is,
dan leidt dat enkel tot hilariteit.

Gedaan uit liefde Charlotte Corday - handen plakkerig
van het bloed dat begint te stollen, dat
naar roest ruikt in deze vochtige ruimte -
Charlotte Corday rent weg in paniek.

Bij de deur kijkt ze handenwringend om:
ze rukt aan haar verpleegsterschort die ook
al helemaal onder de vlekken zit.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde,
denkt ze met dichtgeknepen keel, en: is
wat is gedaan nog ongedaan te maken?


Strawinsky (in Finland) 

De geur van zeep is bijna tastbaar en
van vers hout in de dageraad

en op gymschoenen lopen de kinderen over
een dik tapijt van dennennaalden.

‘s Avonds, de schemer sluit de dingen in,
de vossen stappen op de planken, zachtjes,

zachtjes, en krabbelen aan de deur.
O zoete lente! O zoete lente!


Picknicken in het Hengstdal 

Over sterfelijkheid

De camera staat midden in het gras
op een statief. We laten een voor een
het eten in de steek en wandelen

er quasi-onverschillig even heen
en kijken door de zoeker. Licht en lucht
sluipen haarscherp door een doolhof van lenzen,

een wirwar van landschap is er te zien,
met overal plukjes kinderen, die
bij de frambozen aan het werk zijn of

met grote stokken zwaaien of kaarsrecht,
met opgeheven kin, paadjes aflopen.

In de verte wijst een kerktoren streng
naar een imaginair punt in het zwerk.


Aan de conferentietafel 

Maar jij, je wrijft je in je handen,
Lenny V., als je praat, je bent
een hogepriester met de hogepriesters,
tussen boterhametende acolieten en

de varkenscyclus heeft voor jou geen geheimen.
Je bent een boer, je keurt de aarde van
je woorden zodat je raden kunt of
wat je zegt wel rijkelijk vrucht zal dragen.

“Gedaan uit liefde?” Natuurlijk. Je bent
Edith Cresson niet! “Als de vijand ons
bestrijdt,” zei Mao, “is dat goed, niet slecht;

wanneer hij ons doortastend tegemoet
treedt, ons beschimpt, ons tot de grond
toe afbreekt, dan is dat nog beter:
want het betekent niet alleen

dat we er in geslaagd zijn ons terrein
tegen hem af te bakenen, het leert
ons bovendien dat onze arbeid is
bekroond met schitterend succes.”

Gay games 

De dagen staan in het teken
van de mislukking en de nachten zijn wit
van bittere afgunst. Je jong zijn bleek
after all tijdelijk van aard, de daden

die de goegemeente verstomd doen staan
zijn uitgebleven. Ook de dood zal op
de lange duur – daarvoor kun je je hand
wel in het vuur steken – niet zijn te ontlopen.

Vrolijkheid, er zit niet veel anders op,
onnozel enthousiasme, een tutu
waar je u tegen zegt, maillots waarin
een lam geslacht te grabbel hangt, de straat
een week lang jouw domein voor je je weer
in het gareel schaart van de duitendieven.

Vrolijkheid, vrolijkheid, het kan niet op.
Maar niet heus. De onsterfelijkheid was
je speelveld, elke gooi een gooi naar roem,
elke mislukking een mislukking. Is
wat is gedaan, vraag je bij elke daad,

achter je gekerfde wang, je dunne mond,
onder je onbarmhartig gekortwiekte haar,
je grimmig af, gedaan uit liefde? Is
wat is gedaan nog ongedaan te maken?

Protestbijeenkomst in het stadsplantsoen 

Protestbijeenkomst in het stadsplantsoen.
Terwijl een vakbondsfunctionaris spreekt
wijzen de borden naar beneden en
alle spandoeken hier zijn verbleekt.

Onder de stoffige sandalen wordt
het laatste beetje groen vertrapt. Verslapt
daardoor de waardigheid van het protest?

Nee! Elke spriet die ze met voeten treden
zal later, als hun recht gedaan wordt, nieuw
elan krijgen en opstaan als na regen.

L’ami du peuple 

‘Gedaan uit liefde’, denkt hij en hij drukt
voor de zoveelste keer een sigaret uit op
het schoteltje van de geranium
terwijl hij, met een kromme rug op zijn
keukenstoel zittend, door het raam staart waar
de straat nog net zo pijnlijk wit en leeg

in het zonlicht ligt als steeds. L’ami du Peuple!
Jazeker, reken maar. Le Libérateur!
El Salvadór! De man met het pistool
onheilspellend op zijn slaap gericht:
zo zagen ze hem het liefst, en als hij zei:
‘uw dienaar of de dood!’, wat denk je dat
ze riepen, het schoelje! Is wat er is gedaan

nog ongedaan te maken? Want hij ziet:
nog voor deze dag aan zijn einde is,
valt hij op de knieën en hij stort
met zijn ogen vol tranen, reuzendoder,
schaamteloos schietgebedjes voor de koning.

Niet ongedaan 

Charlotte Corday - handen plakkerig
van het bloed dat begint te stollen, dat
naar roest ruikt in deze vochtige ruimte -
Charlotte Corday wandelt rustig weg.

De trap af, door de gang. Ze legt het mes
op de stoel naast de deur, ze strijkt haar schort
recht, en ze wacht op wat er komen moet.

Gedaan uit liefde, alles wat er is
gedaan, en wat gedaan is niet meer ongedaan
te maken. Na de avond komt de nacht
en na de nacht de ochtend. En wanneer

ze onder de guillotine wordt gebracht,
geeft ze geen krimp. Haar mooie hoofd zal met
stijf op elkaar geknepen lippen en
met droge ogen vallen in de mand.

Bespiegelingen bij Davids ‘Dood van Marat’ in het Brusselse Musée des Beaux Arts. Charlotte Corday: de vrouw die Marat doodde. Edith Cresson werd in 2006 schuldig bevonden aan ‘favoritisme’ tijdens haar ambtsperiode als lid van de Europese Commissie; El Salvadór: zo werd Johan Cruyff naar het schijnt genoemd in Barcelona

zondag 14 december 2025

De woestenij

 

De woestenij


I Het begraven van de doden


April is de wreedste maand, die
seringen ontlokt aan dood land, die
herinnering mengt met verlangen, die
dode wortels lokt met lenteregen.
De winter hield ons warm, bedekte
de aarde met de vergetelheid van sneeuw,
hield een sprankje leven in stand met gedroogde knollen.
De zomer verraste ons, over de Starnbergersee
komend met een hoosbui; we schuilden onder
de colonnaden, en de zon scheen toen we
de Hofgarten inliepen voor koffie. We praatten
een uur. Bin gar keine Russin, stamm’ aus Litauen, echt deutsch,
en vroeger, toen we logeerden bij de aartshertog,
mijn neef, hij nam me mee op een slee,
en ik was bang. Marie, zei hij,
Marie, hou je goed vast. En naar beneden!
In de bergen ben je vrij. Ik lees
de halve nacht. En ‘s winters naar het zuiden.

Wat voor wortels klampen zich vast, wat voor takken
groeien uit deze steenboel? Dat weet je niet,
mensenkind, dat raad je niet, je weet alleen
een berg gebroken beelden, onder de zon,
en geen schaduw onder de dode boom, en de krekel
troost je niet, geen geluid van water uit
de droge steen, er is alleen schaduw
onder deze rode rots (kom onder de schaduw
van deze rode rots), en ik zal je iets laten zien,
anders dan de ochtendschaduw die je volgt, of de
avondschaduw die tegenover je oprijst.
Ik laat je angst zien in een handvol stof.
Frisch weht der wind
Der Heimat zu,
Mein Irisch Kind,
Wo weilest du.


“Hyacinten gaf je me vorig jaar voor het eerst;
ze noemden me het hyacintenmeisje.”
- Maar toen we thuiskwamen, laat, uit de hyacintentuin,
je armen vol hyacinten, je haren nat, wist ik niets
te zeggen, en mijn ogen weigerden, ik leefde
niet en ik was niet dood, en ik wist niets,
ik keek midden in het licht, de stilte.
Öd’ und leer das Meer.

Madame Sosostris, fameus helderziende,
was zwaar verkouden, niettemin, ze staat
bekend als de wijze vrouw van Europa,
met een bar spel tarot. Hier, zei ze,
jouw kaart, verdronken Fenicische zeeman
(kijk, deze parels, dat waren zijn ogen!),
en hier, Belladonna, van de rotsen,
de vorstin van wat zich voordoet.
Hier staven drie, en hier het wiel,
en hier de eenogige koopman, deze kaart,
is een blanco: iets dat hij op zijn rug heeft,
iets wat ik niet mag zien. De gehangene
kom ik niet tegen. Pas op dood door water.
Ik zie mensenmassa’s, rondlopend in een kring.
Dank u. En ziet u soms die lieve mevrouw Equitone,
zeg haar dan dat ik zelf langs kom met de horoscoop:
je kunt tegenwoordig niet voorzichtig genoeg zijn.

Onwerkelijke stad.
‘s Ochtends, onder de bruine mist van een winterdag,
stroomde een menigte over London Bridge, zo veel,
ik wist niet dat de dood er zo veel had weggenomen.
Zuchten werden geslaakt, nu en dan, kort,
en iedereen keek strak voor zijn voeten.
Het stroomde de brug op en weer af, King William Street in,
naar waar Saint Mary Woolnoth het uur sloeg
met een dode klank op de laatste slag van negen.
Daar zag ik er een die ik kende, en ik riep: “Stetson!
Jij was bij me, in de schepen bij Mylae!
Dat lijk dat je plantte in je tuin, vorig jaar,
is het al uitgelopen? Komt het dit jaar in bloei?
Of heeft de nachtvorst zijn bloembed verstoord?
O, hou de hond uit de buurt, die een mensenvriend is,
of hij zal het opgraven met zijn nagels!
hypocrite lecteur! - mon semblable, mon frère!

__________________________________________________________________
Starnberger See: bij München.
Frisch weht etc.: Wagner, Tristan en Isolde.
St. Mary Woolnoth: op de hoek van Lombard Street en King William Street.
Mylae: het huidige Melazzo op Sicilië. Hier versloeg de Romeinse marine de Cathagers in 260 v. Chr.
Hypocrite lecteur: de slotregel van Baudelaires opdrachtgedicht in Les Fleurs du Mal.

II Een partij schaak


De stoel waar ze zat, leek een gepolijste troon,
glimmend op het marmer, en het glas,
op staanders met wijnranken en druiventrossen
waar een gouden Cupido door gluurde
(een ander hield een vleugel voor zijn ogen),
verdubbelde de vlammetjes van zevenarmige kandelaars
die van de tafel ketsten als de glitter
van haar juwelen rijkelijk
uit de satijnen dozen stroomde.
In ontkurkte flesjes van ivoor en glas
scholen haar vreemde synthetische aroma’s
- zalven, poeder, vloeistof - verwarden, verdronken
de zinnen in geuren, beroerd door de bries
die binnenkwam door het venster, en stegen op
en de kaarsvlammen rekten zich,
en de rook glipte in de lakdozen: bracht
de schildering op het cassetteplafond in beweging.
In de juwelen een brandstapel van wrakhout,
gloed van kopergroen en rood, een droef licht
met daarin een dolfijn gegraveerd.
Boven de antieke schouw het tafereel
(als een venster op een pastorale scène)
van Philomela’s metamorfose, zo bruut bedreven
door de barbaarse koning; maar de nachtegaal
vulde de leegte met haar onschendbare stem -
en nog steeds riep ze jok, jok, en nog steeds jaagt de wereld het na,
jok, jok, klinkt het in dubbelzinnige oren.
En op de muren nog meer flarden van
vergane glorie; gestalten, starend, naar binnen leunend,
de ruimte binnen tot stilte manend.
Geschuifel van voeten op de trap,
in het licht van het vuur, onder de borstel, spreidde
haar haar zich tot vurige punten,
gloeide tot woorden en verviel dan in een bot zwijgen.

“Ik heb last van nervositeit vanavond, heel erg.
Blijf bij me. Praat met me. Waarom zeg je nooit iets? Zeg iets.

Waar denk je aan? Dat denken van je, hè,
ik weet nooit wat je denkt. Denk.”

Ik denk dat we in de rattengang zijn
waar de doden hun botten verloren.

“Wat is dat voor geluid?”

De wind giert onder de deur.
“En dat geluid? Wat voert de wind uit?”
Niets, nog een keer niets.

“Weet
je dan helemaal niets? Zie je niets? Herinner je je
niets?”

Ik weet nog,
deze parels dat waren zijn ogen.

“Leef je eigenlijk wel? Is dat hoofd van je helemaal leeg?”

Maar
o, o, o, o, dat deuntje van Shahakespeare,
elegant ja, zo intelligent.

“Wat zal ik nou doen, wat zal ik doen?
Ik ren zo de straat op, zoals ik nu ben,
met mijn haar los, zo. En wat doen we morgen?
Wat doen we wanneer dan ook?”

Om tien uur thee,
en als het regent om vier uur uit met de auto.
En we spelen een partij schaak,
wrijven in ogen zonder oogleden, wachten op een klop op de deur.

Toen Lil’s man uit het leger kwam, zei ik -
ik maakte het niet mooier dan het was, ik zei zelf tegen haar,
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
nu Albert weer komt, kom een beetje goed voor de dag.
Hij zal willen weten wat je hebt gedaan met het geld dat hij gaf
voor een gebit. Dat was zo, ik was er bij.
Hij zei: laat ze allemaal trekken, Lil, neem een gebit
verdomme, ik kan je niet aanzien.
En ik ook niet, zei ik. Denk toch aan die arme Albert,
vier jaar in het leger, hij wil wel wat lol nu,
en als jij hem dat niet geeft, dan zijn er wel anderen, zei ik.
O echt? zei ze. Ja, zoiets, zei ik.
Dan weet ik aan wie ik het heb te danken, zei ze, en ze kijkt me aan.
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
Als het je niet bevalt, ga dan maar door, zei ik.
Anderen doen er hun voordeel wel mee.
Maar als Albert de benen neemt, ik heb het gezegd.
Je moet je schamen, zei ik, je lijkt wel een oud wijf.
(Met pas een-en-dertig.)
Ze trok een lang gezicht. Ze zei, ik kan het niet helpen,
het kwam door die pillen om van dat kind af te komen.
(Ze had er al vijf, de kleine Sjors kostte haar bijna het leven.)
De drogist zei dat het oké was, maar ik ben
er nooit bovenop gekomen.
Je bent echt getikt, zei ik.
En als Albert je niet met rust wil laten, zei ik, wat wil je,
je trouwt toch om kinderen te krijgen, of niet?
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
Maar goed, die zondag was Albert thuis. Ze moest er van lusten,
en ze nodigden me uit voor het eten, ik kreeg het heet van de naald.
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
Nacht Bill, nacht Lou. Nacht May. Nacht he.
Bye bye. Nacht he, nacht he.
Goede nacht, dames, goede nacht, lieve dames, goede nacht, goede nacht.

_____________________________________________________________________
Tereus verkrachtte Philomela, die daarop veranderde in een nachtegaal.
Ik denk dat we in de rattengang zijn: Eliot dacht misschien aan de loopgraven.

III De vuurpreek


Over de stroom de tent is afgebroken; de laatste bladeren
wringen hun vingers in de natte oever, verzinken. De wind
vlaagt over bruin land, niemand hoort het. De nimfen zijn weg.
Stroom, zoete Theems, totdat mijn lied is uit.
Geen lege flessen in de rivier, geen boterhamzakjes,
zijden zakdoeken, dozen, sigarettenpeuken
of ander bewijsmateriaal van zomernachten. De nimfen zijn weg;
weg, zonder een adres achter te laten, hun partners,
de slenterende zonen van nabobs uit de City.
Bij de wateren van Leman zat ik en weende...
Stroom, zoete Theems, totdat mijn lied is uit.
Stroom, zoete Theems, ik spreek niet lang of luid,
maar achter mij, in een koude wind, ik hoor
het geritsel van botten, en een grijns van oor tot oor.
Een rat kroop zachtjes door de begroeiing,
sleepte zijn slijmige buik op de oever,
waar ik op een winteravond zat te vissen
in de suffe gracht achter de gashouder.
Ik peinsde over de ondergang van de koning, mijn broer,
en om de dood, daarvoor, van mijn vader de koning.
Witte lijken naakt op de natte, lage grond
en botten in een kleine, droge, lage zolderkamer gegooid,
ze ritselden alleen door de rattenpoten, jaar in jaar uit.
Maar achter mij hoor ik van tijd tot tijd
lawaai van claxons en motoren in de lente
die Sweeney naar mevrouw Potter toe brengen.
O, de maan die scheen op mevrouw Potter
en op haar dotter.
Ze wassen hun voeten in sodawotter.


Et, o ces chants d’enfants, chantant dans la coupole.

Twiet twiet twiet,
Jok jok jok jok jok jok.

Zo bruut bedreven.

Tereu.

Onwerkelijke stad.
Onder de bruine mist van een winterochtend
nodigde dhr. Eugenides, de koopman uit Smyrna,
ongeschoren, met een broekzak vol krenten
- in- en export Londen, alle papieren in orde -,
me in demotisch Frans uit voor een lunch
in het bekende hotel in Cannon Street,
gevolgd door een weekend in het Metropool.

Op het uur van violet en van de dood,
als aan de bureaus de ruggen krommen,
de ogen omhoogkijken (de mens-machine wacht,
zoals een taxi ronkend staat te wachten),
kan ik, Tiresias, blind, op een hartklop tussen twee levens,
een oude man met verschrompelde vrouwenborsten, zien,
op het uur van violet en van de dood, het avonduur
dat naar huis wil - de zeeman komt thuis van de zee,
de typiste thuis voor de thee, ruimt het ontbijt op, steekt
het fornuis aan, en pakt een blik eten.
En uit haar venster hangt, heel pikant,
haar ondergoed te drogen in de late zon.
En op de divan die ze ‘s nachts aan kant
maakt om te slapen, kousen, slippers, nachtjapon.
En ik, Tiresias, een oude man met gerimpelde tieten,
ik zag de scène aan en ik raadde de rest -
ook ik wachtte op de verwachte gast.
De jonge man, puistig, maakt zijn entree,
een makelaarsklerk met een uitdagende blik,
zo een op wie een verzekeringsbank zit
als een hoge zijden hoed op een roué.
Hij voelt wel aan: nu is het nu of nooit:
het eten op, ze is verveeld en moe,
hij past haastig zijn liefkozingen toe,
die ze niet wil, maar lijdzaam ondergaat.
Hij raakt verhit, hij zet de aanval in,
handtastelijk, hij wordt niet afgeweerd,
hoogstens geduld, maar dat ze kennelijk geen zin
heeft in dit spel is niet iets wat hem deert.
(En ik, Tiresias, heb alles wat
zich afspeelt op dat bed, die divan, zo
vaak meegemaakt, ik die bij Thebe zat,
die omging met het uitschot van de dood.)
Hij geeft haar minzaam nog één keer een kus,
en stommelt weg: de trap is niet verlicht.

Zij draait zich om, kijkt in haar spiegel, zich
ternauwernood bewust dat hij er niet
meer is, denkt halfbewust, zoals dat gaat:
“Nou, dat is dus voorbij, gelukkig maar.”
Een mooie vrouw, die iets doms heeft gedaan,
en daarna door haar kamer loopt, ze doet
gedachteloos haar haren goed, loopt naar
de grammofoon en zet een plaatje op.

“Dit deuntje waaide me aan over het water”,
langs de Strand, Queen Victoria Street op.
O city, city, en soms hoor ik later
in een pub in Lower Thames Street klanken van
een mandoline, en geroezemoes
van binnen, waar de vissers ‘s ochtends zitten,
en waar St. Magnus’ muur verborgen houdt
onzegbaarheid van Ionisch wit en goud.

De Theems
zweet olie en teer,
de boten zwalken
op het kerend tij.
Aan de zware boom,
rode zeilen
zwaaien wijd uit.
De boten spoelen
als drijfhout voorbij
Greenwich, voorbij
The Isle of Dogs.
Weialala leia,
Wallala leiala.


Leicester en Liz
slaan de riemen uit,
de spiegel was een
vergulde schelp,
rood en goud,
de deining knabbelde
aan beide oevers,
zuidwesten wind
droeg stroomafwaarts
belgelui,
witte torens.
Weialala leia,
Wallala leialala.

“Trams en stoffige bomen
Highbury maakte me, Richmond en Kew
waren mijn dood. Bij Richmond lag ik
in een nauwe kano, mijn knieën omhoog.”

“Mijn voeten in Moorgate en mijn hart
onder mijn voeten. En het liep uit
op een huilbui. Hij beloofde ‘een nieuwe start’.
Ik liet het maar zo. Wat maakte het uit.”

“Aan de Sands in Margate
niets heeft
te maken met niets.
Vuile handen, kapotte vingernagels.
Mijn mensen, simpele zielen die niets
verwachten.”

la la

Toen kwam ik in Carthago.
Het brandt, het brandt, het brandt, het brandt.

O heer, u plukte mij,
O heer, u plukte.

Het brandt.

_______________________________________________________________________
Stroom zoete Theems: Sweet Thames flow gently till I end my song. Spenser Prothalamion. Ook de nimfen komen daar uiteraard vandaan.
Bij de wateren van Leman: cf. psalm 36a, Wij zaten aan Babylons stromen. In 1920 werd Eliot  behandeld in een psychiatrische kliniek bij het meer  van Genève. 
Sweeney: Eliot heeft dit personage meermaals gebruikt. Heeft het te maken met de tragische Oudierse koning Suibhne of met Sweeney Todd, de moorddadige barbier uit negentiende-eeuwse stuiverromans?
Mevrouw Potter: toespeling op een soldatenliedje.
Tiresias: Griekse ziener, die zowel man als vrouw was geweest.
Et o, ces chants d’enfants: Verlaine, Parsifal.
Op het uur van violet en van de dood: Van het Reve
De Theems etc.: Lied van de Theemsdochters, naar het voorbeeld van Wagner Rijndochters. Leicester en Liz: Robert Dudley, graaf van Leicester was de favoriet van koningin Elizabeth I.
Spiegel: de achterkant van het schip.
Highbury maakte me: toespeling op Dante Purgatorio 5, 130.
Carthago etc.: toespeling op Augustinus’ Confessiones.

IV Dood door water


Phlebas de Feniciër, twee weken dood,
vergat de roep van de meeuwen, de deining der zee,
winst en verlies.
Een onderstroom, fluisterend,
plukte aan zijn botten. En hij deinde mee
langs zijn leven, zijn jeugd,
hij kwam in de maalstroom.

Wie je ook bent,
heiden of jood,
jij aan het stuur, het gezicht in de wind,
vergeet Phlebas niet, ooit
was hij knap en stoer net als jij.


V Wat de donder zei


Na het licht van toortsen op bezwete gezichten,
na de ijzige stilte in de tuinen,
na de doodstrijd op stenige plaatsen,
het geschreeuw, het gehuil,
na kerker, paleis en het weerklinken
van de lentedonder over verre bergen,
is hij die eens leefde nu gestorven;
wij die eens leefden liggen nu op sterven,
als we even geduld hebben.

Er is geen water hier, maar enkel rots,
rots en geen water en de zandige weg,
de weg naar boven door de bergen,
de bergen die van rots zijn en zonder water.
Was er water, we zouden ervan drinken,
maar hier kun je niet stoppen en niet denken,
zweet is droog en voeten in het zand.
Als er maar water was tussen de rotsen,
dode rots, rotte tanden, droge mond,
niemand die hier ooit lag of zat of stond,
en er is zelfs geen stilte in de bergen,
enkel een droge donder zonder regen,
er is zelfs geen eenzaamheid in de bergen,
enkel rode koppen grommen en grauwen
uit de deuren van modderige hutten.
Was er maar water
en geen rots,
was er maar rots
en ook water,
en water,
een bron,
een waterpoel tussen de rotsen.
Als er maar alleen het geluid was van water.
Niet de krekels
en het zingen van droog gras,
maar het geluid van water over rotsen,
en de lijster die zingt in de dennen,
drup drup, drup drup, drup drup,
maar er is geen water.

Wie is de derde die naast u wandelde?
Als ik tel zijn we maar met zijn tweeën, u en ik.
Maar als ik voor me kijk over de witte weg
dan loopt er altijd nog iemand naast u,
zich bewegend in een bruine mantel met een kap,
een man? een vrouw? ik kan het niet zien.
- Maar wie loopt daar aan uw andere zijde?

Wat is dat voor geluid, daar hoog in de lucht?
Wat is dat voor moederlijk geklaag?
En die horden die in hun mantels gewikkeld
over eindeloze vlakten zwermen, struikelen in spleten,
met om hen heen een vlakke horizon.
Wat is dat voor stad achter de bergen
die voortdurend instort en zich weer opbouwt
en uiteenbarst in de violette hemel?
Torens die vallen,
Jeruzalem, Alexandrië, Athene,
Londen, Wenen,
Onwerkelijke steden.

Een vrouw maakte haar lange zwarte haren
tot snaren voor een fluistermelodie,
vleermuizen met kindergezichten die
in het violette licht floten en klapwiekten,
ze kropen ondersteboven langs een pikzwarte muur,
en in de lucht torens, ondersteboven,
en klokslagen houden de tijd zonder mankeren bij,
en stemmen zongen uit lege cisternen en droge putten.

In dit bouwvallige hol in de bergen
zingt in het zwakke licht van de maan
het gras over vervallen graven, om de kapel.
Daar is de lege kapel waar de wind giert.
De ruiten zijn eruit, de deur kleppert.
Droge botten doen niemand kwaad.
Er stond alleen een haan op de nokbalk,
kukeleku, kukeleku,
in een bliksemflits, dan plotseling
een plens regen.

Ganga stond laag, de bladeren hingen,
snakkend naar regen. Ver weg
trokken zwarte wolken samen, boven Himavant
De jungle kromp ineen, kromde zich in stilte.
Toen sprak de donder:
DA
Datta: wat hebben we gegeven?
Mijn vriend, het bloed schokte mijn hart,
het enorme waagstuk van een ogenblik van overgave,
niet met een leven van voorzichtigheid te herstellen,
daardoor, en alleen daardoor hebben we geleefd -
iets wat niet in ons in memoriam staat,
noch in welwillend gesponnen biografieën,
of onder de zegels die de dorre notaris verbreekt,
in onze lege kamers.
DA
Dayadhva: ik hoorde één keer, maar één keer,
de sleutel omdraaien in het slot.
Elk in onze kerker denken we aan de sleutel.
Denken aan de sleutel maakt de kerker de kerker.
Enkel ‘s avonds brengt rumoer in de lucht
een verslagen Coriolanus een ogenblik tot leven.
DA
Damyata
: de boot luisterde goedgemutst
naar de ervaren zeiler,
de zee was kalm: ook jouw hart zou desgevraagd
goedgemutst hebben geluisterd, gehoorzaam geklopt
onder een ervaren hand.

Ik zat aan de kust
en viste, met achter mij kurkdroge vlaktes.
Zal ik tenminste orde brengen in mijn land?
London Bridge is falling down, falling down, falling down,
Poi s’ascose nel foco che gli affina,
Quando fiam uti chelidon - O zwaluw, zwaluw!
Le Prince d’Aquitaine à la tour abolie.
Fragmenten die mijn ruïne moeten stutten.
Why then Ile fit you. Hieronymo’s mad againe.
Datta. Dayadhvam. Damyata.
Shantih shantih shantih.

_______________________________________________________________________
Ganga: de Ganges.
London Bridge: Kinderliedje. ‘London Bridge stort in.’
Poi s’ascose: Purgatorio 26, 148. ‘Vervolgens verborg hij zich in het vuur dat hem reinigde.’
Quando fiam: Pervigilium Veneris. ‘Wanneer zal ik worden als een zwaluw.’
Le Prince: Nerval, El Desdichado. ‘De prins van Aquitanië met de ruïne van zijn toren.’
Why then etc.: Kyd, Spanish Tragedy. ‘Oké dan, zoals je wilt. Hieronymo heeft weer een aanval van waanzin.’
Datta, Dayadhvam, Damyata: ‘Geef, voel mee, beheers.’
Shantih: ‘Vrede’. Traditionele afsluiting van de Upanishaden

Gedichten van Jos Houtsma

Gedichten van Jos Houtsma 1. Het bestiaire 2. Zwanen van Nederland 3. Deze wals 4. Gedaan uit liefde 5. De woestenij 6. Wimbledo...