De manager van de Plus Supermarkt,
vanuit zijn glazen hok, taxeert haarscherp
de blouses en de nylonschorten van
de meisjes aan de kassa, de make-up.
De vraag is altijd: de de welke zijn er echt
gemakkelijk en welke doen alleen
alsof. Het onderscheid is essentieel.
Met de collega's hebben ze het er
vaak over, de een zegt zus, de ander zo,
je kunt er over speculeren, maar
het is in feite wat De Vries zegt: neus
voor dat soort dingen heb je in je broek.
De Goede en Van Dijk
Beurslopen
1.
De Goede en Van Dijk, liefhebbers van
bezoek aan beurzen, weten haarfijn hoe
ze zich het beste kunnen voordoen als
de eigenaar, de technisch directeur,
de managing director van een leuk,
middelgroot internationaal bedrijf:
een blazer en een grijze pantalon,
milde belangstelling voor het detail,
meer is niet nodig. En verdomme, zie,
zo ijverig als mieren om de stroop,
lopen de standhouders om hen te hoop.
2.
Zwaarwichtigheid is er niet bij, alleen
misschien iets van neerbuigendheid, een zweem
van het soort lompe humor waar je een
verkoper mee over de drempel helpt.
En voordat ze het weten zitten ze
met bier en hapjes in de schaduw van
een nieuw model machine en het gaat
alleen nog om de menselijke maat.
Om grappen, om ervaring die ze delen.
Wat er te koop staat kan ze nu niet schelen.
3.
Later, op de parkeerplaats. Plassen die
dreigen met enorme avondluchten.
Lui praten ze nog even na. Soms laten
ze lange pauzes tussen zinnen vallen,
wanneer hun aandacht wordt getrokken door
deze of gene, een kind, een mankepoot,
een overdadig opgemaakte vrouw.
Ze kijken rustig toe. Ook zonder dat
ze er met zoveel woorden iets van zeggen,
weten ze van elkaar wel wat ze denken.
Rampen
De wereld is geen lolletje. Als een snoer
van glinsterende rampen ligt ons leven
achter ons; onze toekomst, in brak licht,
niet veelbelovend. Desondanks, we houden
moedig onze posities, want het land
moet bemand blijven. En er zijn nog steeds
ogenblikken van zorgeloosheid, in
zonneschijn, strakke wind. We blijven hopen,
en tegen wat ons onder ogen komt,
stellen we ons met de welbekende branie,
dapper, bijna goedgehumeurd te weer.
Semper idem. De vos verliest zijn haren,
maar niet zijn streken. Voor de ingang van
de kast, dansen de bijen. Als de zwanen
van hun eieren glijden in de on-
besproken waterspiegel van kanalen
en weteringen, weten ze dat als
ze op hun nest terugkeren, ze volstrekt
dezelfde zijn die ze altijd al waren,
dezelfde die ze altijd zullen zijn.
2. Visie
À Paris
December 1795
I“We zijn oprechte patriotten. Maar
het grote gebaar zit er bij ons niet in,
mijne heren”, zegt Blaauw bezorgd tot het
Comité de Salut Public (voorop,
sceptisch pruilend, de handen op de rug,
de zon flatteus in het warrige haar
Carnot). “We lijken eerder saai. Bij ons
geldt overleg & nog eens overleg.
Iedere kring, elke bevoegdheid moet
in staat zijn om zich uit te spreken &
wat dan als resultaat te voorschijn komt
lijkt vaak misschien wat flets. Gelijk de zon
boven de polder, die is ook vaak flets.
Maar toch niet zonder weligheid. Ik wijs
u er graag op dat, ondanks alle schijn
van het tegendeel, de rijkdom van ons volk
voortkomt uit landbouw, uit de grond. We zijn
geen handelslui & de haute finance
is iets dat we er maar bij doen. Au fond”,
zegt hij, zijn kin koppig omhoog, zijn blik
op het plafond gevestigd van de zaal
waar putti woekeren tussen wolken,
“au fond zijn wij gewoon een volk van boeren.”
II
“Onze strijd is niet uw strijd. Onze strijd
is een strijd van ons tegen ons, als u
begrijpt wat ik bedoel, is om ons vrij
te maken van onszelf” (De wolfsgrijns van
Carnot). “We zijn al eeuwenlang gelijk &
bevrijd van tirannie. De tirannie
bij ons is onze eigen tirannie,
een tirannie van zelfgenoegzaamheid.
Wij hebben nieuwe vormen nodig, zeker,
uw nieuwe vormen, maar vooral omdat
onze eigen vormen, wijzelf, zijn bedorven.”
III
"Allerlei rechten hebben wij verworven
- en wij beseffen: dankzij u – maar voor
een eerlijke natie van boeren, wat
betekent mensenrecht en recht van burgers
meer dan ijdel gepraat!" De Fransen knikken.
Ze snappen er niet veel van, want het Frans
van deze Hollanders is om te huilen.
Ze hadden beter Walen kunnen sturen,
ook krompraters, daar, maar tenminste te
verstaan. "Ja, ja," zeggen ze sussend, "ja."
Ze kijken elkaar onderzoekend aan.
"Natuurlijk. Onze rechten. Geen probleem.
Heel goed gezegd. Wij hebben u verstaan."
Een bestuurlijk standpunt
“Visie, het is in feite doorgaans niet
meer dan een ander woord voor drijverij.
Besturen kan het beste
in bescheidenheid gebeuren,
vanuit een continuïteitsgedachte.
‘Geen leeftijd kan buiten verandering’,
zei Thorbecke, ‘geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan.’ Maar wel
in een continuüm; dus niet met grote
stappen, grootse beroering: via groei.
Veel visie, veel verdriet & wat verandert
door zulke barensweeën dat niet ook
anders & beter via groei ontstaat?”
Bij de borrel
Loquitur Willem III
“Sherry van 't vat, veel beter dan het bocht
dat ze in flessen importeren, maar
sherry blijft sherry. Ik houd niet van drank.
Evenmin als van vrouwen trouwens, daar-
voor wegen mijn verplichtingen te zwaar
als erfelijk constitutioneel monarch.”
Brede horizon, breed land
Brede horizon, breed land, water,
grauwe lucht, regen. Moeilijk om te geloven
in een god die dit zo heeft gewild. Toch:
onverbiddelijk 's zondagsmorgens ter kerk,
en 's zondagsmiddags wandelen, over de dijk,
langs sloten en zompige weiden, in hoog-
gesloten, donkere kleren. En onder
de regenjassen zilveren broches verborgen.
3. Een historische visie
In verscheidenheid van vormen
'Brede horizon, breed land, water. Water,
grauwe lucht, regen. Hunkering naar anders
houdt ons onwrikbaar in haar greep, geen dag
of onvermoeibaar schouwen we ons landschap,
op zoek naar nieuw licht, naar nieuwe verbanden.
“Geen leeftijd kan buiten verandering,”
zei Thorbecke, “zonder dat zij daar schade
van ondervindt; geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan.” “Dit is
de wet en de stof van het leven, dat
wij niet in slechts één vorm de eindeloos
rijke aanleg die ons is geschonken tonen
maar in een verscheidenheid van vormen.”
Bilderdijks dood
De grote ongenaakbare zit bij
het raam. Hij telt zijn leerlingen: het land
is, ondanks het respect hem vaak betoond,
geen haar veranderd, zijn invloed nihil.
Teugelloosheid viert hoogtij, overal
miegelen lichtekooien, op elk erf
speelt het onwettig kroost; iedere hoop
om ooit de natie uit het drab van lust
en zelfgenoegzaamheid omhoog te tillen,
vergaan, vervlogen. In het weerlicht dat
over de ontzette einder speelt, is op
't ivoorkleurig gelaat de glimlach wrang
als nooit voorheen; maar de papieren hand
wrijft peinzend langs een tranenloze wang.
Huizinga noemde Bilderdijk "de grote ongenietbare", ik houd het in dit gedichtje op "de ongenaakbare".
Een historische visie
“Bilderdijk, Thorbecke, Huet, zelfs Beets,”
bromt de cultuurhistoricus onder
de leeslamp van de bibliotheek,
“wie heeft eigenlijk niet een gooi gedaan
naar een Historische Visie. De echo
van de Duitse klok is onmiskenbaar.”
Maar zijn wij dan
alleen een verlengstuk van Duitschland?
Een zeevarend germanisme? Waar ligt
de parel van onze eigenheid?
Of is zelfs dat een Duits geluid? Of is
juist dat het wezenlijke, deze twijfel?
Thorbecke zei
'“Thorbecke zei: ‘Geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan. In staat,
in samenleving
voltrekken zich grote veranderingen,
en de mensch moet daar vorm aan geven.’ Goed,
maar bedenk wel, we zijn geen utopisten.
We zijn gewend aan soevereiniteit
in eigen kring, handvesten en costumen
per stad, per heerlijkheid, sinds eeuwen zo
gegroeid, en kennelijk een bron
van eigenheid; en van de kracht waarmee
we onze autonomie bevochten hebben;
een bron van welvaart.
Onze onmacht, dat is geen onmacht die
voortvloeit uit onmacht - de materie is
taai - maar een eigenlijk
uiterst respectabele onmacht: onmacht
om soevereiniteit op kleine schaal
te onderschikken aan een algemene
rechtsorde. Daarin, daarin ligt de crux,
daarin de oorzaak van de neiging die
ons inderdaad niet vreemd is om de zaken
op hun beloop te laten, te berusten.”
Zeker, de mensheid is de taak gesteld
om staat en samenleving vorm te geven,
daarmee is de gemeente het wel eens,
wat Thorbecke oppert heeft, als steeds, niveau.
Jammer alleen is dat er bijna nooit
één stichtend woord bij is, één woord van troost.
Links over links treft rechts, het is
een oude waarheid. Zuchtend zit
de commissie van wijzen om de haard.
De jassen hangen in de gang te drogen,
de neuzen vochtig – het is bitter koud –
en met een glas jenever in de ogen.
Nieuwe smaken
De zwanen schuifelen heel langzaam, vastberaden,
langs oude huizen, over oude straten,
op weg naar een nieuw water waar ze met
hun lange halzen voedsel zullen eten,
nieuw voedsel met volledig nieuwe smaken.
De oude smaken zijn ze al vergeten.
4. Over gevoelens
Van Eeden voelt
I.
De jonge Frederik van Eeden peutert
nadenkend met een pennenmes
onder zijn nagels. Kent hij deze
rustige zelfvoldaanheid niet van vroeger,
toen hij bij voorkeur in het wit geklede
vriendinnen vergezelde in een roeiboot?
Bij Loosdrecht kom je soms op zondagmiddag
dichtende dominees tegen, maar gister
droomde hij dat hij zichzelf een hand gaf –
dat geeft te denken. Nederland is sinds
zeventienhonderd nauwelijks veranderd.
II.
Hij lijkt ook wel wat op een schilderij
uit de school van de Impressionisten, denkt hij.
Zo'n rommeltje van kleine toetsjes verf.
Gefragmenteerd, dat is het woord, hij is een
gefragmenteerde geest. Gevoelentjes,
gedachtetjes, zij strijden om de voorrang
maar eenheid vormt zich niet. Een eicel die
zich om een van de zaadcellen heen klemt,
ermee versmelt, en zalig uitdijt, is
er niet. Alleen de lage grauwe lucht
boven het polderland. De regen die
van tijd tot tijd neerdruilt. En natte menschen,
haastig voorbijfietsend over de dijk.
Hij masturbeert te vaak, verontrustend.
Dominee bij Loosdrecht
'De roeiboot ligt afgemeerd in de rietkraag,
je brengt je zondagmiddag liefst in af-
zondering door, heen en weer wandelend
over een eiland. Kort gemaaide stoppels,
hier en daar plukjes hooi in wilgentakken.
De bodem is zo week dat als je loopt
een lichte beving is te voelen, of
je ondanks nederigheid en godsvrucht
een personage bent van groot gewicht.
In mineur
“Vanmiddag fietsten we bij Baarn,” noteert
Van Eeden peinzend in zijn dagboek, “en
ik dacht de hele tijd over de dieren
die we in Artis zagen. Weliswaar
worden ze goed verzorgd, met elke dag
hun natje en hun droogje, maar hun lot
is niet benijdenswaard.” Het fietspad was
fraai aangelegd, uit fijngemalen schelp
dat zachtjes knisperde onder de banden,
het weer was excellent, de Grote Man
evenwel was hartgrondig in mineur.
Hij kon de hele rit alleen maar denken
dat alle wilde dieren moeten sterven
Metaal
De dieren moeten sterven en ook mensen
leven niet onbeperkt. Van Eeden buigt
zich diep over het stuur totdat hij het
metaal kan ruiken, als er niemand kijkt
likt hij het chroom. Het leven is een droom.
Het bloed ruist door zijn aderen. Het brein
spint eindeloos zijn webben. Wanhoop, angst,
ze hebben zich al zo lang, zo diep in
het dichterlijk organisme ingebed
dat hij er zich maar niet tegen verzet.
5. Thorbecke spreekt
Thorbecke spreekt
Thorbecke spreekt, en de brutale bek
van de studenten op de eerste rij
van het amfitheater, leunend op
het solide witgeverfde hek, is in
een uitdrukking van ongeveinsd respect
op slot gezet. Vanmiddag hebben ze
wel tijd om bier te zuipen of om langs
het water te flaneren, en met uit-
gestreken smoelen jonge vrouwen die
daar niet van zijn gediend te provoceren.
Nu is het ernst. Het marmeren gelaat,
de ogen, wegdromend langs het plafond,
en de verrassend vrouwelijke mond,
perfect articulerend, die een stroom
kunstig gebouwde zinnen produceert
vol duistere gedachten, houden zelfs
de wellustige aanvechtingen van
de grootste schoft spelenderwijs in toom.
Waarom
Waarom? Is het verwantschap, vaag beseft
maar niet bewust te maken, evenmin
doorgrondelijk als de gedachtevlucht
die hij zo precieus verwoordt; of is
het toch een vage vorm van empathie,
een dierlijk voelen van het smeulend vuur
achter die dromerige ogen dat
een te teerhartig hart verteert? Het lijkt
nauwelijks denkbaar. Deze brute jeugd,
blakend van levenslust, het hele lijf
op voortplanting gericht: de kloof met zijn
gestrengheid, zijn vergeestelijktheid lijkt
onoverbrugbaar. Desondanks, ze zijn
producten van hetzelfde zaad, en ooit
zal er ook uit hun onbehouwen knop
een bloem ontbotten als de zijne; niet
precies zo fraai misschien, zo elegant
van vorm of kleurschakeringen, maar voor
de wetenschap beslist dezelfde soort.
Vanuit de tearoom
Vanuit de tearoom is het perspectief
minder verheven. Niet zo hoog en streng,
maar één voor één met een feilloze neus
voor de maatschappelijke werkelijkheid,
achten de dames hem niet helemaal -
niet comme il faut. Niet echt provinciaal
natuurlijk, maar un peu pédant. En in
zijn kleren - wel héél zwart, he! - hebben zij
feilloos een vleug van de bedompte geur
van achterkamertjes ontwaard, en van
te zeer bedwongen hartstocht. Een groot man,
buiten enige twijfel, maar beslist
niet de man van de wereld, wiens faveurs
een schaar van gastvrouwen elkaar betwist.
In éénen vorm
“Geen leeftijd kan buiten verandering,”
zegt Thorbecke, “zonder dat zij daar
schade van lijdt; geen toestand of hij tracht
in een andere over te gaan.” “Dit is
de wet en de stof van het leven, dat
wij niet in éénen vorm de eindeloos
rijke aanleg die ons is geschonken tonen,
maar in een verscheidenheid van vormen.”
Nochtans, de vos verliest misschien zijn haren,
maar niet zijn streken; voor de ingang van
de kast dansen de bijen; als de zwanen van
hun eieren afglijden, in de on-
besproken waterspiegel van kanalen
en weteringen, weten ze dat als
ze op hun nest terugkeren, ze nog steeds
dezelfde zijn die ze altijd al waren,
dezelfde die ze altijd zullen zijn.
6. Petite histoire
Naar kamfer ruikend
Aquarel van prinses Marianne
Pastelkleurig zijn de wolken boven
de Etna als de prinses uit de bark stijgt
& het hart van de prins heeft
zij al verloren voor zij het
goed en wel had veroverd & wat rest haar
dan nog dan rusteloos reizen, zich laten
begroeten op vreemde bordessen door
onkreukbare, buigende heren, bleke handen
genadiglijk aannemen. 's Middags
schilderen bij de deuren die aanstaan
op de tuin, lichte conversatie, zwaar
tafelen. En 's avonds troosteloos bidden
in een naar kamfer ruikend hemelbed.
Goejanverwellesluis
Een scheefgezakte sokkel met een zuil
en daarop een niet thuis te brengen beeld:
wie is hier wie, wie heeft hier wat verdedigd
en tegen wie? De kinderen die op
de weg toekijken hoe een dame uit
haar koets gelicht wordt door milities en
onwennig gebrutaliseerd,
kan het niet schelen, zij hebben genoeg
aan de betovering van hier en nu.
Noch denken ze aan toekomstige geslachten
die op deze plek van hun fietsen stappen,
al evenzeer bedwelmd door geur van gras
en groen en door het amechtige gezoem
van de insecten, en al evenmin
belang stellend in de petite histoire
die men op deze prent zich ziet voltrekken.
We kijken naar een prent van de aanhouding van prinses Wilhelmina in 1787.
Bezoeking
Leviathan en Behemoth bezoeken
dit land van melk en honing. Rug aan rug
liggen de beesten voor de ontzette kust
van Schouwen-Duiveland. Het strand is leeg,
alleen heel in de verte, aan de kim,
huivert in een mythisch namiddaglicht
een school andere eilanden, maar als
de rookpluim van Gods toorn verstoven is,
zijn die verdwenen, enkel u en ik,
met open monden, ogen roodomrand,
bezoedeld door onze hunkering naar
kennis van goed en kwaad, staan aan het strand
en onze tenen graven in het slik.
Gescheit
Onschuld is een illusie, meent Van Eeden.
terugkijkend weet je: uit slechts twee factoren,
kennis van 's mensen ziel, kennis van feiten,
valt de gehele wereld af te leiden.
Anderen willen dat wel eens vergeten.
maar hij niet, daarvoor is hij te gescheit.
Bescheiden legt hij zijn servet op tafel
en trekt de plooi op in zijn broek voor hij
het rechterbeen over het linker vlijt.
Pieter Saenredam, Sint Catharinakerk, Utrecht
Als het zo is, meent Saenredam, dan moet
het zo geschilderd worden: wit, vol licht.
Niet als in Roomse tempels
vol afgodsbeelden, stank van wierookbranders. Niet
achter massieve zuilen, als in zuidelijke landen,
verleiders, die met hun geslachtsdeel spelen,
maar mannen die een graf opmeten en
beleggers die bezadigd met elkaar
de koersen en de rentestand bespreken.