zondag 8 november 2026

Petrarca, koning van de nacht

Op weg naar Rome, in de trein,
schreef ik als test een kort gedicht.
Later, tussen lyriek en leer,
stank van sigaretten, in grijs licht,
keek ik voorzichtig om me heen.

Vrouw op een bank, kind voor het raam,
langzaam ontstaat een wolk van lach.
De tijd tikt als een veer die zich
ontspant. Een traan die in
een trechter valt.

Petrarca, koning van de nacht.
Iedere kuch geregistreerd,
iedere kus wordt zuchtend in
een kleine rieten mand gebracht.

In de karnton van Rome

Voorzichtig dalen we af in de karnton van Rome.
Overal claxons. Duiven verschansen zich tussen
het verkreukte papier van platanen.

We zoeken een weg tot waar
de groene Tiber tegen de kademuur kabbelt.
Er groeien hier elzenstruiken en magere wilgen,
tot manshoog opgesierd met tassen van plastic:
flarden in vrolijke kleuren die tonen tot waar
het water gestegen is bij de laatste overstroming.

Mooie, zwartharige meisjes laten hun kont zien
achter de ramen van een ziekenhuis zonder patiënten.

In de karnton van Rome, en er rinkelen bellen.
Kinderfietsjes spellen de prijs van de herfst.

Via Appia ‘99

Mooie wijven met zwarte konten houden
zich tussen de monumenten verborgen,
die glimlachend tevoorschijn stappen als

er wordt geclaxonneerd. De middeleeuwen
zijn nog lang niet voorbij, denk je, terwijl
je met bankbiljetten manipuleert.

(En op het forum zetelen de pausen
in de resten van oude tempels,
mompelen in hun baarden, rukken aan

hun kleren, klagen, hartverscheurend bleek.)

Anders

Ave Maria aan de Via Appia

Achter het monument van een al lang
en breed vergeten Roman knight
grijnzen prostituees, die er alleen
op het eerste gezicht niet helemaal

onaantrekkelijk uitzien. Vliegensvlug,
als trekpoppen, steken ze benen uit,
gelaarsd, gebroekt, en spitse vingers met
een zojuist opgestoken sigaret.

Parasoldennen keren zich, gebelgd
hun grote zwarte knuisten schuddend, tegen
de hemel. Je grijpt in je zak en schuift

met de volumeknop. Daar rijst de geest
van Jessye Norman als een rots omhoog
in de gewelven van je binnenoor.

Rome in november

Rome in november, ieder monument
is een vermomd kantoor waar de entree
moet worden afgedragen onder de
ijskoude ogen van een bureaucraat.

Vrouwen, half moederlijk, half minnares,
zijn achteraf glimlachend in de weer
met Nescafé. Kringen op tafelblad.
Kinderen spelen met boodschappennet.

Torso’s spierwit van marmer en bezaaid
met littekens van straatgevechten staan
achteloos naar de muur gekeerd. Het zijn
er veel te veel natuurlijk, hun bestaan
a.g.v. lakse regelgeving onbedreigd.

Voordat de bladeren als vettig pakpapier
van de platanen vallen, zullen ze
evenwel door de medewerkers van
de Rijksplantsoenendienst hier worden af-

gehaald en in een bergplaats opgeslagen
waar ze alleen door wetenschappers met
autorisatie van het stadsbestuur
(of stadsdeelraad misschien?) zijn op te vragen.


La Tempestà

December. Rook
boven Rome:
tuinafval dat
wordt verbrand
in behekste tuinen.

Bliksem die tussen
de bomen witte recht-
hoeken verlicht: muren.

Je bent naakt en het kind
moet gevoed worden.

Steekt
daar de wind op?
Zucht daar al regen?

Onweer roept het beeld op van een beroemd schilderij.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Petrarca, koning van de nacht

Op weg naar Rome, in de trein, schreef ik als test een kort gedicht. Later, tussen lyriek en leer, stank van sigaretten, in grijs licht, ke...