Nemo haec et talia animum Neronis penetrantia
prohibebat.
Tacitus, Annales XIV, 13
Loquitur Willem III
“Ben ik een man? Als ik de schouderband
van mijn badpak naar voren trek -
wat ik daar zie, is niet bepaald geschikt
om me gerust te stellen. Wel het haar,
dat, dik op borst en onderbuik, zich zelfs
als een soort armetierig struikgewas
langs de bilnaad omhoog wringt naar de lenden –
maar tussen de benen, die slak, die rups...
Natuurlijk, ik herinner me wel hoe
het vaak, op middagen met decadente
muziek, zwaar en nat in de hand lag van
een snuffelende maîtresse of van, weet
ik veel, een of andere andere hoer.
Maar dat was toen, en wat ik zie is nu,
en houdt me bezig. Ben ik deftig? Nee!
Bourgeois? Nee! Ben ik hypocriet? Nee, nee!
Maar wel een man. Alsjeblieft wel een man!”
(Dit soort gedachten begonnen
Nero te obsederen, en niemand die daar een halt aan toeriep.)
Openen met een brede orkestratie
van twaalf violen,
hobo’s, fagotten en basso continuo
(als in Händels Concerto grosso).
een fraaie, brede laan van muziek,
die je een park binnenleidt waar
aan overdadige waterpartijen
overal huisjes staan, zo sjiek en knus,
en gecapitonneerd als bonbonnières.
Binnen: hoerenspel, hoerenspel!
Zwaar opgemaakte ogen, naakte armen
die naar je baard kronkelen, natte billen
in ruches, in zijden kussens gedrukt.
(Geen muziek meer, Sire, geen concerto
om het hijgen en het natte steunen
te doen vergeten.)
En bij de deur
uiteraard begerige dienstmeiden,
hun klauw al uitgestoken om
hun speldengeldje op te strijken.
Weitzel
“Conflicten kunnen beter niet te zeer
aangezet worden, dat is voor de schouwburg,
en sober maakt meer indruk.” Weitzel spreekt.
“Uiteindelijk schikt de koning zich steeds.
zelfs in de affaire met Mlle. Ambre...”
De andere heren wenden gegeneerd
het hoofd af, of steken hun neus
in het geneverglas. “Zelfs als ditmaal
de kwestie uit de hand zou lopen, hebben
we altijd nog onze troefkaart: de prinses.”
Weitzel in een schemerige dinerzaal.
Bij de deur staat de ober op hete kolen.
August Willem Philip Weitzel, minister van oorlog.
Hoe lief, hoe warm
Dan liever royalty, de kelige,
doortastende stem, de gebaren,
bruusk, ongegeneerd, of de hand in
de broekzak, spelend met het lompe lid:
“Mlle. Ambre is een lieve vrouw,
en wat méér is, een goede. Maar wie zal me
geloven? Nietwaar? Wie heeft haar gekeesd?”
“Maar is dat reden om wanneer het mij
behaagt om haar de titel van Comtesse
d’Amboise te geven
- mijn privilege, als regerend vorst -
zo botweg dwars te liggen? Zijn ministers
niet dienaars van de kroon?” “Zelfs lepe vossen
als Weitzel, Fransen van de Putte en
De Vries zouden in moeten zien hoe lief
deze vrouw is, hoe warm, hoe zonderling
met ‘s konings welzijn gepreoccupeerd!”