Zelfportret met pluimen
Admiraal van de wereldzeeën mag ik mij
noemen en vice-roy van alle landen
die ik ontdek. Zo ga ik scheep. Mijn handen
tasten onrustig langs de reling. Ach,
mijn koninkrijk! Niet zonder trots betreed
ik het kasteel en ik kijk uit
over mijn kudde zeilen. Ik tik op
het glas van het kompas. De meeuwen krijsen.
Onder mijn laarzen kraakt het verse eikenhout.
In Pálos slapen de vrouwen
onder de olmen,
de kinderen sterven of groeien op
en verliezen hun tanden. Ik vaar langs
de koperen band van de evenaar
en schreeuw mijn orders naar mijn ongelikte
scheepsvolk. Ik ben onwrikbaar. Ik
brandschat Bantam, en ik terroriseer
maandenlang de ongelukkige Molukken.
Met naakte billen
Toen Columbus in 1492 vertrok om India
te ontdekken, had hij een brief bij zich voor de grote Khan, met een vrome
verklaring voor zijn komst.
“Als
we Jerusalem niet mogen winnen,
laat
het dan Indië zijn, waar we ons
als
zwijnen wentelen in rijkdom. Laat
ons,
als het Heilig Graf ons moet ontgaan,
met
harde hand, heer, tot uw mammon bidden.
Als
god niet met ons is, willen we althans
met
naakte billen in het zilver zitten.”
Vasco da Gama
1.
Vasco da Gama kwam in Calicut
en zette er zijn
lading op de kade:
honing en olie,
mutsen, Hollands laken,
maar de Calicutanen
waren niet
onder de indruk,
zeiden ze, want zie,
de armste
scharrelaars uit Mekka kwamen
met mooiere
cadeaus. De Portugezen
lachten bescheiden
in hun baard. Ze strelen
het weerbarstige
brons van hun kanons.
Geen reden om zich nader te verklaren,
dit is gewoon de eerste stap. Er varen
hierna meer schepen uit, veel meer. We zullen
hun rijkdom oogsten. En ons zaad niet sparen.
2.
Overal onderweg,
weet je, dat zelfde
neerbuigende
gedrag! ‘De handelswaar
voldoet niet aan de
normen.’ ‘Is goedkoop.’
‘Is
onaantrekkelijk.’ Ja. Goed. Misschien.
Maar deze expeditie
laat iets zien
waar ongelovigen
geen weet van hebben:
echte
meedogenloosheid. Zeuren mag,
maar wie hun
tegenwerkt, maken ze af.
3
De terugreis is een
ramp. De meesten dood en
de rest zozeer
onder de indruk van
dat grote sterven
dat ze nauwelijks
nog praten. En hun
kleren zijn versleten
door zon en zee.
Maar ze zijn niet vervaard.
Ze dromen van een
liefdeseiland waar
heidense nimfen hen
ontvangen en
dat ze de weg
erheen geopend hebben
voor Portugese
schepen. En ja, ooit
zullen ze in
Calicut terugkomen, maar
dan in fluweel
gehuld en goudbrokaat,
en onverschillig
langs de kramen lopen
om aan te wijzen
wat ze willen kopen.
Anno 1445
1.
Waar goud als kool, als peen, groeit in het zand
en wordt geoogst door naakte negerinnen,
zingend en dansend in de dageraad,
daar zullen wij ook heen gaan, zullen wij,
onze zweep achter onze rug verborgen,
ons zaad niet sparend, bij de dageraad
op onze eigen wijs dansen en zingen.
2.
Zingend en dansend in de dageraad,
het vuige goud weegt zwaar in onze zakken,
de oogst waarvoor we woonplaatsen verbranden -
denken we
dat we nog te leven hebben?
of denken
we dat we nooit zullen sterven?
Als achter onze rug de trommels stampen
en voor ons vormen er zich flarden rook,
draaien we aan onze dikke gouden ringen,
en dansen
we onze dagelijkse dood.
3.
De mensenhandel is in deze tijd
iets heel anders dan nu: wie taalt er nu
nog naar het zielenheil van wie er op
de zwarte markt komt, maar toen schonk een prins
aan ieder schip banieren: kijk, het kruis
van de Orde van Jezus wappert fier
boven de hoofden, kroes en sluik, die hier
samen zijn in gebed.
Maar geen kwartier!
Het stamhoofd dat hen komt begroeten doden
ze in een handomdraai, met droge ogen.
4,
Exacte catalogisering wat
er wordt gekocht en tegen welke prijs
is wél van eminent belang, omdat
er altijd ingekocht wordt voor de kroon,
en omdat een vast aandeel in de winst,
als boetedoening voor wat uit de hand
gelopen is, aan priesters wordt verspild.
Toelichting
1.
Door tucht en transcendentie kregen we
voet aan de grond in Afrika en door
het schrikbarende knarsen van ons ijzer.
Grimmige kleine engelen waren we,
zoals we over de bospaden krioelden,
met helm en borstkuras en de musket
over de schouder. Bij het lopen maakten
we dwarse grappen over onze heiland,
de goede heren heiligen en de
allerbeminnelijkste maagd Maria.
2.
We telden niet de blaren op de hielen
van onze hoeren, noch de lijken die
we oogstten, wetend: wat we moeten lijden
is te verwaarlozen bij vergelijking
met de ontzaggelijke winsten. Zingend
en grappen makend trokken we van dorp
naar dorp, overal dopend, dodend,
en onbarmhartig onze prijs afdwingend.
3.
“Haha, we zullen uit
de schedel drinken
van onze vijanden,
een ketting van
hun tanden zullen we
ons rijgen, van
hun ellepijp maken
we ons een fluit
om onze marsmuziek
te blazen, dansen
zullen we bij het
tromgeroffel van
trommels die zijn bespannen
met hun huid!”
Anders
Zoals
de schepen op de rede rijden,
reden
wij op de raadselachtigheid
van
deze zwarte vrouwen, zo verschillend
van
onze eigen vrouwen, zo hetzelfde.
Alleen
dat ze ons lachend in de vinger
beten wanneer
we klaarkwamen, was niet
of
nauwelijks begrijpelijk voor mannen
die van
de schandelijkheid van hun daden
zo diep
doordrongen zijn als wij toen waren:
het
leek soms wel of ze oprecht verlangen
om onze
Portugese vrucht te ontvangen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten