donderdag 18 december 2025

Kleine Weense wals

 



Leonard Cohen, Take This Waltz,
Naar het gedicht van Lorca


In Wenen zijn tien knappe vrouwen,
en een schouder als stut voor de dood,
en een zaal met acht honderd ramen,
en de duiven verdroogd in een boom.
Er is een stuk afgerukt van de morgen
en dat hangt in de hal van de kou.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
deze wals met de mond dicht voor jou.
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee. 
Ik wil je, ik wil je, ik wil je,
op een stoel met een tijdschrift van dood,
in de holte, het hart van de lelie,
in een hal waar nooit liefde ontsproot,
op een bed waar de maan lag te zweten,
in geschreeuw, met voetstappen en zand.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
neem zijn brekende taille in je hand.
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee.
Er is een concertzaal in Wenen
waar je naam duizend keer werd genoemd
en een bar waar de jongens niet praten,
veroordeeld ter dood door de blues.
Ach, wie klimt er omhoog naar je foto
met tranen die net zijn gekust.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
deze wals, die al jarenlang rust.
Er is een zolder waar kinderen spelen,
waar ook ik binnenkort lig met jou,
in een droom van Hongaarse lantaarns
en de middag die zoet is en blauw.
En ik zie hoe het met je verdriet zit:
met je schapen, je lelies van sneeuw.
Ai, aiaiai,
deze wals, deze wals,
met zijn ‘ik laat je nooit meer alleen.’
Die wals, die wals, die wals, die wals,
met zijn adem die brak is van dood en cognac,
die wals met zijn staart in de zee.

En ik zal met je dansen in Wenen
en ik zal als rivier zijn vermomd,
met een hyacint op mijn schouder
en de smaak van je spleetje op mijn tong.
En mijn ziel leg ik neer in een plakboek
met foto’s, met bloemen, met pluis,
en ik schenk aan je zondvloed van schoonheid
mijn goedkope viool en mijn kruis,
en je neemt me mee naar je dansvloer,
waar ik dans op je heilige mis.
O mijn lief, o mijn lief,
deze wals, deze wals
is van jou, en dat is wat er is.

woensdag 17 december 2025

Gedaan uit liefde


Deze grote mannen

À MARAT is in statige
Romeinse kapitalen op
het bijzettafeltje geverfd. DAVID.
L’An II. Het Classicisme gaat hier
hand in hand met de Romantiek.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde.
De revolutionair – of houden we
het op “de journalist” of “de pamflettist”? –
hangt in zijn bad alsof hij onverhoeds
door een orgasme is geveld, de pen
niet aan de krachteloze hand ontglipt,
het laatst geschreven document nog in

een dode klauw. L’Ami du Peuple,
vereeuwigd door De Schilder. Fascinerend.
Zal alsnog, door de inspanningen van
deze grote mannen, de geschiedenis
een andere wending nemen?

De tijd der Jakobijnen

Zal – nee – de tijd der Jakobijnen is
voorbij, een ander slag bepaalt
nu onbetwist het uitzicht
op de Place de la Concorde.

Bedrog in het belang van de zaak
is norm geworden, als straatvechters
beloeren de grote mannen elkaar –
en de grote vrouwen – vanachter
de façades van hun vriendelijkste gezicht.

Daar schiet een arm uit, daar een voet,
en als er eentje moord en brand schreeuwt als
een ander hem een keer te vlug af is,
dan leidt dat enkel tot hilariteit.

Gedaan uit liefde

Charlotte Corday - handen plakkerig
van het bloed dat begint te stollen, dat
naar roest ruikt in deze vochtige ruimte -
Charlotte Corday rent weg in paniek.

Bij de deur kijkt ze handenwringend om:
ze rukt aan haar verpleegsterschort die ook
al helemaal onder de vlekken zit.

Alles wat is gedaan, gedaan uit liefde,
denkt ze met dichtgeknepen keel, en: is
wat is gedaan nog ongedaan te maken?

Strawinsky (in Finland)

De geur van zeep is bijna tastbaar en
van vers hout in de dageraad

en op gymschoenen lopen de kinderen over
een dik tapijt van dennennaalden.

‘s Avonds, de schemer sluit de dingen in,
de vossen stappen op de planken, zachtjes,

zachtjes, en krabbelen aan de deur.
O zoete lente! O zoete lente!

Picknicken in het Hengstdal

Over sterfelijkheid

De camera staat midden in het gras
op een statief. We laten een voor een
het eten in de steek en wandelen

er quasi-onverschillig even heen
en kijken door de zoeker. Licht en lucht
sluipen haarscherp door een doolhof van lenzen,

een wirwar van landschap is er te zien,
met overal plukjes kinderen, die
bij de frambozen aan het werk zijn of

met grote stokken zwaaien of kaarsrecht,
met opgeheven kin, paadjes aflopen.

In de verte wijst een kerktoren streng
naar een imaginair punt in het zwerk.

Aan de conferentietafel

Maar jij, je wrijft je in je handen,
Lenny V., als je praat, je bent
een hogepriester met de hogepriesters,
tussen boterhametende acolieten en

de varkenscyclus heeft voor jou geen geheimen.
Je bent een boer, je keurt de aarde van
je woorden zodat je raden kunt of
wat je zegt wel rijkelijk vrucht zal dragen.

“Gedaan uit liefde?” Natuurlijk. Je bent
Edith Cresson niet! “Als de vijand ons
bestrijdt,” zei Mao, “is dat goed, niet slecht;

wanneer hij ons doortastend tegemoet
treedt, ons beschimpt, ons tot de grond
toe afbreekt, dan is dat nog beter:
want het betekent niet alleen

dat we er in geslaagd zijn ons terrein
tegen hem af te bakenen, het leert
ons bovendien dat onze arbeid is
bekroond met schitterend succes.”

Gay games

De dagen staan in het teken
van de mislukking en de nachten zijn wit
van bittere afgunst. Je jong zijn bleek
after all tijdelijk van aard, de daden

die de goegemeente verstomd doen staan
zijn uitgebleven. Ook de dood zal op
de lange duur – daarvoor kun je je hand
wel in het vuur steken – niet zijn te ontlopen.

Vrolijkheid, er zit niet veel anders op,
onnozel enthousiasme, een tutu
waar je u tegen zegt, maillots waarin
een lam geslacht te grabbel hangt, de straat
een week lang jouw domein voor je je weer
in het gareel schaart van de duitendieven.

Vrolijkheid, vrolijkheid, het kan niet op.
Maar niet heus. De onsterfelijkheid was
je speelveld, elke gooi een gooi naar roem,
elke mislukking een mislukking. Is
wat is gedaan, vraag je bij elke daad,

achter je gekerfde wang, je dunne mond,
onder je onbarmhartig gekortwiekte haar,
je grimmig af, gedaan uit liefde? Is
wat is gedaan nog ongedaan te maken?

Protestbijeenkomst in het stadsplantsoen

Protestbijeenkomst in het stadsplantsoen.
Terwijl een vakbondsfunctionaris spreekt
wijzen de borden naar beneden en
alle spandoeken hier zijn verbleekt.

Onder de stoffige sandalen wordt
het laatste beetje groen vertrapt. Verslapt
daardoor de waardigheid van het protest?

Nee! Elke spriet die ze met voeten treden
zal later, als hun recht gedaan wordt, nieuw
elan krijgen en opstaan als na regen.

L’ami du peuple

‘Gedaan uit liefde’, denkt hij en hij drukt
voor de zoveelste keer een sigaret uit op
het schoteltje van de geranium
terwijl hij, met een kromme rug op zijn
keukenstoel zittend, door het raam staart waar
de straat nog net zo pijnlijk wit en leeg

in het zonlicht ligt als steeds. L’ami du Peuple!
Jazeker, reken maar. Le Libérateur!
El Salvadór! De man met het pistool
onheilspellend op zijn slaap gericht:
zo zagen ze hem het liefst, en als hij zei:
‘uw dienaar of de dood!’, wat denk je dat
ze riepen, het schoelje! Is wat er is gedaan

nog ongedaan te maken? Want hij ziet:
nog voor deze dag aan zijn einde is,
valt hij op de knieën en hij stort
met zijn ogen vol tranen, reuzendoder,
schaamteloos schietgebedjes voor de koning.

Niet ongedaan

Charlotte Corday - handen plakkerig
van het bloed dat begint te stollen, dat
naar roest ruikt in deze vochtige ruimte -
Charlotte Corday wandelt rustig weg.

De trap af, door de gang. Ze legt het mes
op de stoel naast de deur, ze strijkt haar schort
recht, en ze wacht op wat er komen moet.

Gedaan uit liefde, alles wat er is
gedaan, en wat gedaan is niet meer ongedaan
te maken. Na de avond komt de nacht
en na de nacht de ochtend. En wanneer

ze onder de guillotine wordt gebracht,
geeft ze geen krimp. Haar mooie hoofd zal met
stijf op elkaar geknepen lippen en
met droge ogen vallen in de mand.

Bespiegelingen bij Davids ‘Dood van Marat’ in het Brusselse Musée des Beaux Arts. Charlotte Corday: de vrouw die Marat doodde. Edith Cresson werd in 2006 schuldig bevonden aan ‘favoritisme’ tijdens haar ambtsperiode als lid van de Europese Commissie; El Salvadór: zo werd Johan Cruyff naar het schijnt genoemd in Barcelona

zondag 14 december 2025

De woestenij

 

De woestenij


I Het begraven van de doden


April is de wreedste maand, die
seringen ontlokt aan dood land, die
herinnering mengt met verlangen, die
dode wortels lokt met lenteregen.
De winter hield ons warm, bedekte
de aarde met de vergetelheid van sneeuw,
hield een sprankje leven in stand met gedroogde knollen.
De zomer verraste ons, over de Starnbergersee
komend met een hoosbui; we schuilden onder
de colonnaden, en de zon scheen toen we
de Hofgarten inliepen voor koffie. We praatten
een uur. Bin gar keine Russin, stamm’ aus Litauen, echt deutsch,
en vroeger, toen we logeerden bij de aartshertog,
mijn neef, hij nam me mee op een slee,
en ik was bang. Marie, zei hij,
Marie, hou je goed vast. En naar beneden!
In de bergen ben je vrij. Ik lees
de halve nacht. En ‘s winters naar het zuiden.

Wat voor wortels klampen zich vast, wat voor takken
groeien uit deze steenboel? Dat weet je niet,
mensenkind, dat raad je niet, je weet alleen
een berg gebroken beelden, onder de zon,
en geen schaduw onder de dode boom, en de krekel
troost je niet, geen geluid van water uit
de droge steen, er is alleen schaduw
onder deze rode rots (kom onder de schaduw
van deze rode rots), en ik zal je iets laten zien,
anders dan de ochtendschaduw die je volgt, of de
avondschaduw die tegenover je oprijst.
Ik laat je angst zien in een handvol stof.
Frisch weht der wind
Der Heimat zu,
Mein Irisch Kind,
Wo weilest du.


“Hyacinten gaf je me vorig jaar voor het eerst;
ze noemden me het hyacintenmeisje.”
- Maar toen we thuiskwamen, laat, uit de hyacintentuin,
je armen vol hyacinten, je haren nat, wist ik niets
te zeggen, en mijn ogen weigerden, ik leefde
niet en ik was niet dood, en ik wist niets,
ik keek midden in het licht, de stilte.
Öd’ und leer das Meer.

Madame Sosostris, fameus helderziende,
was zwaar verkouden, niettemin, ze staat
bekend als de wijze vrouw van Europa,
met een bar spel tarot. Hier, zei ze,
jouw kaart, verdronken Fenicische zeeman
(kijk, deze parels, dat waren zijn ogen!),
en hier, Belladonna, van de rotsen,
de vorstin van wat zich voordoet.
Hier staven drie, en hier het wiel,
en hier de eenogige koopman, deze kaart,
is een blanco: iets dat hij op zijn rug heeft,
iets wat ik niet mag zien. De gehangene
kom ik niet tegen. Pas op dood door water.
Ik zie mensenmassa’s, rondlopend in een kring.
Dank u. En ziet u soms die lieve mevrouw Equitone,
zeg haar dan dat ik zelf langs kom met de horoscoop:
je kunt tegenwoordig niet voorzichtig genoeg zijn.

Onwerkelijke stad.
‘s Ochtends, onder de bruine mist van een winterdag,
stroomde een menigte over London Bridge, zo veel,
ik wist niet dat de dood er zo veel had weggenomen.
Zuchten werden geslaakt, nu en dan, kort,
en iedereen keek strak voor zijn voeten.
Het stroomde de brug op en weer af, King William Street in,
naar waar Saint Mary Woolnoth het uur sloeg
met een dode klank op de laatste slag van negen.
Daar zag ik er een die ik kende, en ik riep: “Stetson!
Jij was bij me, in de schepen bij Mylae!
Dat lijk dat je plantte in je tuin, vorig jaar,
is het al uitgelopen? Komt het dit jaar in bloei?
Of heeft de nachtvorst zijn bloembed verstoord?
O, hou de hond uit de buurt, die een mensenvriend is,
of hij zal het opgraven met zijn nagels!
hypocrite lecteur! - mon semblable, mon frère!

__________________________________________________________________
Starnberger See: bij München.
Frisch weht etc.: Wagner, Tristan en Isolde.
St. Mary Woolnoth: op de hoek van Lombard Street en King William Street.
Mylae: het huidige Melazzo op Sicilië. Hier versloeg de Romeinse marine de Cathagers in 260 v. Chr.
Hypocrite lecteur: de slotregel van Baudelaires opdrachtgedicht in Les Fleurs du Mal.

II Een partij schaak


De stoel waar ze zat, leek een gepolijste troon,
glimmend op het marmer, en het glas,
op staanders met wijnranken en druiventrossen
waar een gouden Cupido door gluurde
(een ander hield een vleugel voor zijn ogen),
verdubbelde de vlammetjes van zevenarmige kandelaars
die van de tafel ketsten als de glitter
van haar juwelen rijkelijk
uit de satijnen dozen stroomde.
In ontkurkte flesjes van ivoor en glas
scholen haar vreemde synthetische aroma’s
- zalven, poeder, vloeistof - verwarden, verdronken
de zinnen in geuren, beroerd door de bries
die binnenkwam door het venster, en stegen op
en de kaarsvlammen rekten zich,
en de rook glipte in de lakdozen: bracht
de schildering op het cassetteplafond in beweging.
In de juwelen een brandstapel van wrakhout,
gloed van kopergroen en rood, een droef licht
met daarin een dolfijn gegraveerd.
Boven de antieke schouw het tafereel
(als een venster op een pastorale scène)
van Philomela’s metamorfose, zo bruut bedreven
door de barbaarse koning; maar de nachtegaal
vulde de leegte met haar onschendbare stem -
en nog steeds riep ze jok, jok, en nog steeds jaagt de wereld het na,
jok, jok, klinkt het in dubbelzinnige oren.
En op de muren nog meer flarden van
vergane glorie; gestalten, starend, naar binnen leunend,
de ruimte binnen tot stilte manend.
Geschuifel van voeten op de trap,
in het licht van het vuur, onder de borstel, spreidde
haar haar zich tot vurige punten,
gloeide tot woorden en verviel dan in een bot zwijgen.

“Ik heb last van nervositeit vanavond, heel erg.
Blijf bij me. Praat met me. Waarom zeg je nooit iets? Zeg iets.

Waar denk je aan? Dat denken van je, hè,
ik weet nooit wat je denkt. Denk.”

Ik denk dat we in de rattengang zijn
waar de doden hun botten verloren.

“Wat is dat voor geluid?”

De wind giert onder de deur.
“En dat geluid? Wat voert de wind uit?”
Niets, nog een keer niets.

“Weet
je dan helemaal niets? Zie je niets? Herinner je je
niets?”

Ik weet nog,
deze parels dat waren zijn ogen.

“Leef je eigenlijk wel? Is dat hoofd van je helemaal leeg?”

Maar
o, o, o, o, dat deuntje van Shahakespeare,
elegant ja, zo intelligent.

“Wat zal ik nou doen, wat zal ik doen?
Ik ren zo de straat op, zoals ik nu ben,
met mijn haar los, zo. En wat doen we morgen?
Wat doen we wanneer dan ook?”

Om tien uur thee,
en als het regent om vier uur uit met de auto.
En we spelen een partij schaak,
wrijven in ogen zonder oogleden, wachten op een klop op de deur.

Toen Lil’s man uit het leger kwam, zei ik -
ik maakte het niet mooier dan het was, ik zei zelf tegen haar,
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
nu Albert weer komt, kom een beetje goed voor de dag.
Hij zal willen weten wat je hebt gedaan met het geld dat hij gaf
voor een gebit. Dat was zo, ik was er bij.
Hij zei: laat ze allemaal trekken, Lil, neem een gebit
verdomme, ik kan je niet aanzien.
En ik ook niet, zei ik. Denk toch aan die arme Albert,
vier jaar in het leger, hij wil wel wat lol nu,
en als jij hem dat niet geeft, dan zijn er wel anderen, zei ik.
O echt? zei ze. Ja, zoiets, zei ik.
Dan weet ik aan wie ik het heb te danken, zei ze, en ze kijkt me aan.
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
Als het je niet bevalt, ga dan maar door, zei ik.
Anderen doen er hun voordeel wel mee.
Maar als Albert de benen neemt, ik heb het gezegd.
Je moet je schamen, zei ik, je lijkt wel een oud wijf.
(Met pas een-en-dertig.)
Ze trok een lang gezicht. Ze zei, ik kan het niet helpen,
het kwam door die pillen om van dat kind af te komen.
(Ze had er al vijf, de kleine Sjors kostte haar bijna het leven.)
De drogist zei dat het oké was, maar ik ben
er nooit bovenop gekomen.
Je bent echt getikt, zei ik.
En als Albert je niet met rust wil laten, zei ik, wat wil je,
je trouwt toch om kinderen te krijgen, of niet?
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
Maar goed, die zondag was Albert thuis. Ze moest er van lusten,
en ze nodigden me uit voor het eten, ik kreeg het heet van de naald.
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
SCHIET ALSJEBLIEFT OP HET IS TIJD
Nacht Bill, nacht Lou. Nacht May. Nacht he.
Bye bye. Nacht he, nacht he.
Goede nacht, dames, goede nacht, lieve dames, goede nacht, goede nacht.

_____________________________________________________________________
Tereus verkrachtte Philomela, die daarop veranderde in een nachtegaal.
Ik denk dat we in de rattengang zijn: Eliot dacht misschien aan de loopgraven.

III De vuurpreek


Over de stroom de tent is afgebroken; de laatste bladeren
wringen hun vingers in de natte oever, verzinken. De wind
vlaagt over bruin land, niemand hoort het. De nimfen zijn weg.
Stroom, zoete Theems, totdat mijn lied is uit.
Geen lege flessen in de rivier, geen boterhamzakjes,
zijden zakdoeken, dozen, sigarettenpeuken
of ander bewijsmateriaal van zomernachten. De nimfen zijn weg;
weg, zonder een adres achter te laten, hun partners,
de slenterende zonen van nabobs uit de City.
Bij de wateren van Leman zat ik en weende...
Stroom, zoete Theems, totdat mijn lied is uit.
Stroom, zoete Theems, ik spreek niet lang of luid,
maar achter mij, in een koude wind, ik hoor
het geritsel van botten, en een grijns van oor tot oor.
Een rat kroop zachtjes door de begroeiing,
sleepte zijn slijmige buik op de oever,
waar ik op een winteravond zat te vissen
in de suffe gracht achter de gashouder.
Ik peinsde over de ondergang van de koning, mijn broer,
en om de dood, daarvoor, van mijn vader de koning.
Witte lijken naakt op de natte, lage grond
en botten in een kleine, droge, lage zolderkamer gegooid,
ze ritselden alleen door de rattenpoten, jaar in jaar uit.
Maar achter mij hoor ik van tijd tot tijd
lawaai van claxons en motoren in de lente
die Sweeney naar mevrouw Potter toe brengen.
O, de maan die scheen op mevrouw Potter
en op haar dotter.
Ze wassen hun voeten in sodawotter.


Et, o ces chants d’enfants, chantant dans la coupole.

Twiet twiet twiet,
Jok jok jok jok jok jok.

Zo bruut bedreven.

Tereu.

Onwerkelijke stad.
Onder de bruine mist van een winterochtend
nodigde dhr. Eugenides, de koopman uit Smyrna,
ongeschoren, met een broekzak vol krenten
- in- en export Londen, alle papieren in orde -,
me in demotisch Frans uit voor een lunch
in het bekende hotel in Cannon Street,
gevolgd door een weekend in het Metropool.

Op het uur van violet en van de dood,
als aan de bureaus de ruggen krommen,
de ogen omhoogkijken (de mens-machine wacht,
zoals een taxi ronkend staat te wachten),
kan ik, Tiresias, blind, op een hartklop tussen twee levens,
een oude man met verschrompelde vrouwenborsten, zien,
op het uur van violet en van de dood, het avonduur
dat naar huis wil - de zeeman komt thuis van de zee,
de typiste thuis voor de thee, ruimt het ontbijt op, steekt
het fornuis aan, en pakt een blik eten.
En uit haar venster hangt, heel pikant,
haar ondergoed te drogen in de late zon.
En op de divan die ze ‘s nachts aan kant
maakt om te slapen, kousen, slippers, nachtjapon.
En ik, Tiresias, een oude man met gerimpelde tieten,
ik zag de scène aan en ik raadde de rest -
ook ik wachtte op de verwachte gast.
De jonge man, puistig, maakt zijn entree,
een makelaarsklerk met een uitdagende blik,
zo een op wie een verzekeringsbank zit
als een hoge zijden hoed op een roué.
Hij voelt wel aan: nu is het nu of nooit:
het eten op, ze is verveeld en moe,
hij past haastig zijn liefkozingen toe,
die ze niet wil, maar lijdzaam ondergaat.
Hij raakt verhit, hij zet de aanval in,
handtastelijk, hij wordt niet afgeweerd,
hoogstens geduld, maar dat ze kennelijk geen zin
heeft in dit spel is niet iets wat hem deert.
(En ik, Tiresias, heb alles wat
zich afspeelt op dat bed, die divan, zo
vaak meegemaakt, ik die bij Thebe zat,
die omging met het uitschot van de dood.)
Hij geeft haar minzaam nog één keer een kus,
en stommelt weg: de trap is niet verlicht.

Zij draait zich om, kijkt in haar spiegel, zich
ternauwernood bewust dat hij er niet
meer is, denkt halfbewust, zoals dat gaat:
“Nou, dat is dus voorbij, gelukkig maar.”
Een mooie vrouw, die iets doms heeft gedaan,
en daarna door haar kamer loopt, ze doet
gedachteloos haar haren goed, loopt naar
de grammofoon en zet een plaatje op.

“Dit deuntje waaide me aan over het water”,
langs de Strand, Queen Victoria Street op.
O city, city, en soms hoor ik later
in een pub in Lower Thames Street klanken van
een mandoline, en geroezemoes
van binnen, waar de vissers ‘s ochtends zitten,
en waar St. Magnus’ muur verborgen houdt
onzegbaarheid van Ionisch wit en goud.

De Theems
zweet olie en teer,
de boten zwalken
op het kerend tij.
Aan de zware boom,
rode zeilen
zwaaien wijd uit.
De boten spoelen
als drijfhout voorbij
Greenwich, voorbij
The Isle of Dogs.
Weialala leia,
Wallala leiala.


Leicester en Liz
slaan de riemen uit,
de spiegel was een
vergulde schelp,
rood en goud,
de deining knabbelde
aan beide oevers,
zuidwesten wind
droeg stroomafwaarts
belgelui,
witte torens.
Weialala leia,
Wallala leialala.

“Trams en stoffige bomen
Highbury maakte me, Richmond en Kew
waren mijn dood. Bij Richmond lag ik
in een nauwe kano, mijn knieën omhoog.”

“Mijn voeten in Moorgate en mijn hart
onder mijn voeten. En het liep uit
op een huilbui. Hij beloofde ‘een nieuwe start’.
Ik liet het maar zo. Wat maakte het uit.”

“Aan de Sands in Margate
niets heeft
te maken met niets.
Vuile handen, kapotte vingernagels.
Mijn mensen, simpele zielen die niets
verwachten.”

la la

Toen kwam ik in Carthago.
Het brandt, het brandt, het brandt, het brandt.

O heer, u plukte mij,
O heer, u plukte.

Het brandt.

_______________________________________________________________________
Stroom zoete Theems: Sweet Thames flow gently till I end my song. Spenser Prothalamion. Ook de nimfen komen daar uiteraard vandaan.
Bij de wateren van Leman: cf. psalm 36a, Wij zaten aan Babylons stromen. Leman: Lac Léman, meer van Genève? Leman is ook een Oudengels woord voor minnares.
Sweeney: Eliot heeft dit personage meermaals gebruikt. Heeft het te maken met de tragische Oudierse koning Suibhne of met Sweeney Todd, de moorddadige barbier uit negentiende-eeuwse stuiverromans?
Mevrouw Potter: toespeling op een soldatenliedje.
Tiresias: Griekse ziener, die zowel man als vrouw was geweest.
Et o, ces chants d’enfants: Verlaine, Parsifal.
Op het uur van violet en van de dood: Van het Reve
De Theems etc.: Lied van de Theemsdochters, naar het voorbeeld van Wagner Rijndochters. Leicester en Liz: Robert Dudley, graaf van Leicester was de favoriet van koningin Elizabeth I.
Spiegel: de achterkant van het schip.
Highbury maakte me: toespeling op Dante Purgatorio 5, 130.
Carthago etc.: toespeling op Augustinus’ Confessiones.

IV Dood door water


Phlebas de Feniciër, twee weken dood,
vergat de roep van de meeuwen, de deining der zee,
winst en verlies.
Een onderstroom, fluisterend,
plukte aan zijn botten. En hij deinde mee
langs zijn leven, zijn jeugd,
hij kwam in de maalstroom.

Wie je ook bent,
heiden of jood,
jij aan het stuur, het gezicht in de wind,
vergeet Phlebas niet, ooit
was hij knap en stoer net als jij.


V Wat de donder zei


Na het licht van toortsen op bezwete gezichten,
na de ijzige stilte in de tuinen,
na de doodstrijd op stenige plaatsen,
het geschreeuw, het gehuil,
na kerker, paleis en het weerklinken
van de lentedonder over verre bergen,
is hij die eens leefde nu gestorven;
wij die eens leefden liggen nu op sterven,
als we even geduld hebben.
Er is geen water hier, maar enkel rots,
rots en geen water en de zandige weg,
de weg naar boven door de bergen,
de bergen die van rots zijn en zonder water.
Was er water, we zouden ervan drinken,
maar hier kun je niet stoppen en niet denken,
zweet is droog en voeten in het zand.
Als er maar water was tussen de rotsen,
dode rots, rotte tanden, droge mond,
niemand die hier ooit lag of zat of stond,
en er is zelfs geen stilte in de bergen,
enkel een droge donder zonder regen,
er is zelfs geen eenzaamheid in de bergen,
enkel rode koppen grommen en grauwen
uit de deuren van modderige hutten.
Was er maar water
en geen rots,
was er maar rots
en ook water,
en water,
een bron,
een waterpoel tussen de rotsen.
Als er maar alleen het geluid was van water.
Niet de krekels
en het zingen van droog gras,
maar het geluid van water over rotsen,
en de lijster die zingt in de dennen,
drup drup, drup drup, drup drup,
maar er is geen water.

Wie is de derde die naast u wandelde?
Als ik tel zijn we maar met zijn tweeën, u en ik.
Maar als ik voor me kijk over de witte weg
dan loopt er altijd nog iemand naast u,
zich bewegend in een bruine mantel met een kap,
een man? een vrouw? ik kan het niet zien.
- Maar wie loopt daar aan uw andere zijde?

Wat is dat voor geluid, daar hoog in de lucht?
Wat is dat voor moederlijk geklaag?
En die horden die in hun mantels gewikkeld
over eindeloze vlakten zwermen, struikelen in spleten,
met om hen heen een vlakke horizon.
Wat is dat voor stad achter de bergen
die voortdurend instort en zich weer opbouwt
en uiteenbarst in de violette hemel?
Torens die vallen,
Jeruzalem, Alexandrië, Athene,
Londen, Wenen,
Onwerkelijke steden.

Een vrouw maakte haar lange zwarte haren
tot snaren voor een fluistermelodie,
vleermuizen met kindergezichten die
in het violette licht floten en klapwiekten,
ze kropen ondersteboven langs een pikzwarte muur,
en in de lucht torens, ondersteboven,
en klokslagen houden de tijd zonder mankeren bij,
en stemmen zongen uit lege cisternen en droge putten.

In dit bouwvallige hol in de bergen
zingt in het zwakke licht van de maan
het gras over vervallen graven, om de kapel.
Daar is de lege kapel waar de wind giert.
De ruiten zijn eruit, de deur kleppert.
Droge botten doen niemand kwaad.
Er stond alleen een haan op de nokbalk,
kukeleku, kukeleku,
in een bliksemflits, dan plotseling
een plens regen.

Ganga stond laag, de bladeren hingen,
snakkend naar regen. Ver weg
trokken zwarte wolken samen, boven Himavant
De jungle kromp ineen, kromde zich in stilte.
Toen sprak de donder:
DA
Datta: wat hebben we gegeven?
Mijn vriend, het bloed schokte mijn hart,
het enorme waagstuk van een ogenblik van overgave,
niet met een leven van voorzichtigheid te herstellen,
daardoor, en alleen daardoor hebben we geleefd -
iets wat niet in ons in memoriam staat,
noch in welwillend gesponnen biografieën,
of onder de zegels die de dorre notaris verbreekt,
in onze lege kamers.
DA
Dayadhva: ik hoorde één keer, maar één keer,
de sleutel omdraaien in het slot.
Elk in onze kerker denken we aan de sleutel.
Denken aan de sleutel maakt de kerker de kerker.
Enkel ‘s avonds brengt rumoer in de lucht
een verslagen Coriolanus een ogenblik tot leven.
DA
Damyata
: de boot luisterde goedgemutst
naar de ervaren zeiler,
de zee was kalm: ook jouw hart zou desgevraagd
goedgemutst hebben geluisterd, gehoorzaam geklopt
onder een ervaren hand.

Ik zat aan de kust
en viste, met achter mij kurkdroge vlaktes.
Zal ik tenminste orde brengen in mijn land?
London Bridge is falling down, falling down, falling down,
Poi s’ascose nel foco che gli affina,
Quando fiam uti chelidon - O zwaluw, zwaluw!
Le Prince d’Aquitaine à la tour abolie.
Fragmenten die mijn ruïne moeten stutten.
Why then Ile fit you. Hieronymo’s mad againe.
Datta. Dayadhvam. Damyata.
Shantih shantih shantih.

_______________________________________________________________________
Ganga: de Ganges.
London Bridge: Kinderliedje. ‘London Bridge stort in.’
Poi s’ascose: Purgatorio 26, 148. ‘Vervolgens verborg hij zich in het vuur dat hem reinigde.’
Quando fiam: Pervigilium Veneris. ‘Wanneer zal ik worden als een zwaluw.’
Le Prince: Nerval, El Desdichado. ‘De prins van Aquitanië met de ruïne van zijn toren.’
Why then etc.: Kyd, Spanish Tragedy. ‘Oké dan, zoals je wilt. Hieronymo heeft weer een aanval van waanzin.’
Datta, Dayadhvam, Damyata: ‘Geef, voel mee, beheers.’
Shantih: ‘Vrede’. Traditionele afsluiting van de Upanishaden

Zwanen van Nederland

Zwanen van Nederland 1. Een pandemonium Nederland Tulpen en klompen in de uitverkoop; tomaten aan de kaak gesteld; Frau Antje, aan de deco...